I.

Ook dien nacht kon Pierre in het Hôtel des Apparitions geen oog dicht

doen. Na eerst aan het Hôpital te zijn gaan vragen naar Marie, die

onmiddellijk na haar terugkeer van de processie in een diepen, gezonden

en versterkenden slaap gevallen was, was hij, hoewel een weinig

ongerust over het lange uitblijven van mijnheer de Guersaint, zelf

ook naar bed gegaan. Hij had hem op het laatst tegen het middagmaal

terug verwacht; zeker had een ongeluk hem te Gavarnie opgehouden;

hij dacht aan het verdriet van het jonge meisje, wanneer haar vader

haar den volgenden ochtend vroeg niet zou komen omhelzen. Met dien

zoo bekoorlijk verstrooiden man met zijn vogelhersenen waren alle

veronderstellingen, alle vermoedens mogelijk.

Misschien zou die ongerustheid in den beginne voldoende geweest zijn,

om Pierre, ondanks zijn groote vermoeidheid wakker te houden, maar

later had bovendien het nachtelijk lawaai in het hotel ondragelijke

afmetingen aangenomen. De volgende dag, Dinsdag, was de dag van

vertrek, de laatste dag, die de nationale bedevaart te Lourdes

zou doorbrengen, en ongetwijfeld maakten de pelgrims gulzig van de

laatste uren gebruik, kwamen van de Grot terug, gingen er weer heen,

trachtten door hun opwinding, zonder eenige behoefte aan rust, den

hemel te dwingen. De deuren werden toegeslagen, de vloeren zwiepten,

het geheele huis dreunde als onder den ongeregelden galop van een

menigte. Nog nooit hadden de muren van zoo hardnekkige hoestaanvallen,

van zulke dikke, onverstaanbare stemmen weerklonken.

Pierre, die steeds wakkerder werd, sprong telkens met een schrik op,

daar hij steeds weer dacht, dat het mijnheer de Guersaint was, die

thuiskwam. Gedurende enkele minuten luisterde hij dan ingespannen,

maar hij hoorde niets dan het buitengewone lawaai op de gang,

waarin hij niets duidelijk onderscheiden kon. Was het links de

priester, de moeder en haar drie dochters, het oude echtpaar, die

tegen de meubelen aanliepen? Of was het rechts die andere talrijke

familie, de ongetrouwde mijnheer, de dame alleen, die onbegrijpelijke

gebeurtenissen in avonturen stortten? Een oogenblik sprong hij uit

zijn bed, wilde in de ledige kamer van den afwezigen mijnheer de

Guersaint gaan kijken, vast overtuigd als hij was, dat daar erge

dingen gebeurden. Maar hoe hij ook luisterde, hij hoorde achter het

dunne beschot niets dan het teeder gefluister van twee liefkoozende

stemmen. Plotseling dacht hij aan madame Volmar en rillend ging hij

weer naar bed.

Eindelijk, tegen het aanbreken van den dag, sliep Pierre in, toen een

heftig kloppen op zijn deur hem weer wakker deed schrikken. Ditmaal

vergiste hij zich niet, een krachtige, door angst echter verstikte

stem riep:

"Mijnheer de abbé, mijnheer de abbé, word als het u blieft wakker!"

Het was ongetwijfeld mijnheer de Guersaint, dien men minstens dood

thuis bracht. Hevig verschrikt vloog hij in zijn hemd naar de deur,

opende die en stond tegenover mijnheer Vigneron.

"Kleed u als het u blieft dadelijk aan, mijnheer de abbé. Wij hebben

u als priester noodig."

Toen vertelde hij, dat hij even opgestaan was om op zijn horloge te

kijken, dat op den schoorsteen lag, toen hij een akelig gesteun hoorde

komen uit de kamer, waarin madame Chaise sliep. Uit vriendelijkheid

had zij de verbindingsdeur open laten staan, om op deze wijze nog

meer met hen te zijn. Natuurlijk was hij dadelijk naar binnen gegaan,

had de luiken open gegooid, om zoodoende licht en lucht te krijgen.

"En wat een schouwspel, mijnheer de abbé! Onze arme tante languit

op haar bed, half blauw reeds, haar mond wijd open, zonder dat zij

echter adem kan halen, terwijl haar handen krampachtig de lakens omvat

hielden... U begrijpt, dat komt van haar hartkwaal... Kom gauw mee,

mijnheer de abbé, om haar bij te staan."

In zijn verbouwereerdheid kon Pierre noch zijn broek, noch zijn

soutane vinden.

"Natuurlijk, natuurlijk ga ik mee. Maar ik kan haar niet bedienen,

daarvoor heb ik het noodige niet hier."

Mijnheer Vigneron hielp hem zich aan te kleeden, bukte zich om naar

Pierre's pantoffels te zoeken.

"Dat komt er niet op aan, alleen het zien van u zal haar het scheiden

makkelijker maken, wanneer God ons die beproeving zendt... Trek eerst

uw pantoffels aan en kom dan dadelijk!"

Als een wervelwind vloog hij weer weg en stormde de kamer ernaast

binnen. Alle deuren waren wagenwijd open blijven staan. De jonge

priester, die hem dadelijk naging, zag in het eerste vertrek, waarin

een ongelooflijke wanorde heerschte, slechts den kleinen Gustave,

die, half naakt, onbeweeglijk, heel bleek en rillend te midden van

dit drama op den canapé zat, dien hij als bed gebruikte. Leeggemaakte

koffers versperden den doorgang, restjes van vleeschwaren lagen nog

op de tafel, het bed van vader en moeder leek door de catastrophe als

verwoest, de dekens waren er afgetrokken en lagen op den grond. In de

tweede kamer zag hij onmiddellijk de moeder, die inderhaast een ouden,

gelen peignoir aangeschoten had, met een door schrik vertrokken gelaat

voor het bed staan.

"Nu, vrouwlief, nu?" stotterde mijnheer Vigneron.

Zonder te antwoorden wees madame Vigneron met een gebaar op madame

Chaise, die met verstijfde handen en met haar hoofd achterover,

onbeweeglijk op het kussen lag. Haar gezicht was blauw, haar mond

stond wijd open als in den laatsten ademtocht, die haar ontvloden was.

Pierre boog zich over haar heen en fluisterde:

"Zij is dood!"

Dood! Dit woord weerklonk in deze beter opgeruimde kamer, waarin

een zware stilte heerschte. Verbijsterd keken man en vrouw elkaar

aan. Was het dan werkelijk uit? De tante stierf vóór Gustave, de kleine

erfde de vijfhonderdduizend francs. Hoe dikwijls hadden zij dezen

droom gedroomd, welks plotselinge verwezenlijking hen met stomheid

sloeg! Hoe dikwijls hadden zij gewanhoopt, vreezend, dat het arme kind

vóór haar sterven zou! Dood! Lieve God, was dat hun schuld? Hadden

zij dat werkelijk aan de Heilige Maagd gevraagd? Zij was zóó goed

voor hen, dat zij bang waren geen wensch te kunnen uitspreken zonder

verhoord te worden. Reeds hadden zij in den zoo plotselingen dood

van den chef de bureau, wiens plaats mijnheer Vigneron zou innemen,

den machtigen vinger der Heilige Maagd gezien. Overstelpte zij hen

nu nog meer met hun genade, door zelfs de onbewuste droomerijen van

hun wenschen te verhooren? Toch hadden zij nooit iemands dood gewild,

zij waren brave menschen, niet in staat tot een slechte daad, die hun

godsdienstplichten zeer trouw waarnamen, geregeld biechtten, zonder

vertoon ter communie gingen. Wanneer zij dachten aan de vijfhonderd

duizend francs, aan hun zoon, die vóór haar had kunnen sterven, aan

de ergernis, die zij zouden voelen, indien zij dat fortuin naar een

anderen neef, die het minder verdiende, zagen gaan, dan bleef dat toch

diep in hun hart verborgen en was het in den grond der zaak zoo naïef

en natuurlijk. Ongetwijfeld hadden zij er vóór de Grot aan gedacht,

maar was de Heilige Maagd niet de hoogste wijsheid, wist zij niet

beter dan wij zelf wat zij doen moest voor het geluk der levenden en

der dooden?

Madame Vigneron brak, heel oprecht, in snikken uit en beweende haar

zuster, die zij aanbad.

"O, mijnheer de abbé, ik heb haar zien sterven, onder mijn oogen heeft

zij den laatsten adem uitgeblazen. Hoe jammer dat u niet eerder gekomen

zijt, om haar ziel te ontvangen!... Zij is gestorven zonder priester,

uw tegenwoordigheid zou haar zoo getroost hebben!"

Zijn oogleden zwaar van tranen en zelf ook toegevend aan zijn

ontroering, troostte mijnheer Vigneron zijn vrouw.

"Je zuster was een heilige, gistermorgen nog heeft zij het Avondmaal

gevierd, je kunt gerust zijn, haar ziel is regelrecht naar den hemel

gegaan... Zeker zou het haar troost gegeven hebben mijnheer den abbé,

als hij nog tijdig genoeg gekomen was, te zien... Maar wat eraan te

doen? De dood was sneller. Ik ben onmiddellijk naar hem toe gevlogen,

wij behoeven ons tot het laatste oogenblik toe niets te verwijten."

En zich tot den priester wendend:

"Mijnheer de abbé, ik ben er zeker van, dat haar al te groote vroomheid

de crisis verhaast heeft. Gisteren heeft zij bij de Grot reeds een

zóó hevige benauwdheid gehad, dat wij het ergste vreesden. En ondanks

haar groote moeheid heeft zij erop gestaan met de processie mede te

gaan. Ik heb wel gedacht, dat het haar slecht bekomen zou. Maar het

was zoo'n moeilijk geval, je durfde het haar niet te zeggen uit vrees

haar schrik aan te jagen."

Pierre knielde neer en sprak de gebruikelijke gebeden uit met die

menschelijke ontroering, welke bij hem in het aangezicht van het

eeuwige leven, den eeuwigen dood, de plaats van het geloof innam. Dan

bleef hij nog een oogenblik op zijn knieën liggen en hoorde de

fluisterende stemmen van het echtpaar.

De kleine, op zijn bed vergeten Gustave was blijkbaar ongeduldig

geworden. Hij huilde en riep:

"Mama! Mama! Mama!"

Eindelijk ging madame Vigneron hem kalmeeren. En zij kreeg den inval om

hem in haar armen te nemen, opdat hij voor de laatste maal zijn arme

tante een zoen zou kunnen geven. Eerst spartelde hij tegen, wilde hij

niet, begon hij harder te huilen. Mijnheer Vigneron moest er zich mede

bemoeien en zeggen, dat hij zich schamen moest. Wat, hij, die nergens

bang voor was! Hij, die tegenover het lijden altijd even moedig was

als een man! En dan nog wel zijn arme tante, die altijd zoo lief voor

hem geweest was en wier laatste gedachte ongetwijfeld hem gegolden had!

"Geef hem mij maar!" zeide hij tegen zijn vrouw, "hij zal wel

gehoorzaam zijn!"

Gustave sloeg zijn armen om de hals van zijn vader. Hij was in zijn

hemdje, rilde, liet de naaktheid van zijn jammerlijk, door klieren

opgevreten lichaampje zien. Wel verre van genezing aan te brengen,

scheen het wonderwater der vijvers de wond in zijn zijde erger gemaakt

te hebben, terwijl zijn mager beentje, dat aan een uitgedroogde stok

denken deed, er slap bij hing.

"Geef haar een kus," zeide mijnheer Vigneron weer.

Het kind boog zich voorover en drukte een kus op het voorhoofd van zijn

tante. Niet de dood maakte hem bang of deed hem zich verzetten. Sedert

hij in de kamer was, keek hij met nieuwsgierige kalmte naar de

doode. Hij hield niet van haar, daarvoor had hij te veel door haar

geleden. Hij had gedachten, gevoelens als van een volwassen iemand,

welker gewicht hem meer drukte, naar mate zij zich tegelijk met zijn

kwaal meer ontwikkelden. Hij voelde heel goed, dat hij te klein was,

dat kinderen de dingen, die in het diepste innerlijk der menschen

gebeuren, niet begrijpen moesten.

Zijn vader die wat achteraf was gaan zitten, hield hem op zijn schoot,

terwijl zijn moeder het raam dicht deed en de kaarsen in de beide

kandelaars, die op den schoorsteenmantel stonden, aanstak.

"Lieve jongen," prevelde hij in zijn behoefte om te spreken, "het

is een groot verlies voor ons allemaal. Nu is onze reis heelemaal

bedorven, want het was onze laatste dag, we vertrekken vanmiddag... En

de Heilige Maagd was juist zoo genadig voor ons..."

Maar bij het zien van den verwonderden blik van zijn zoon, een blik

van oneindige melancholie en verwijt, verbeterde hij gauw:

"Ja zeker, ik weet wel, dat zij je nog niet heelemaal genezen

heeft. Maar je moet nooit twijfelen aan haar welwillendheid. Zij

houdt te veel van ons, zij overstelpt ons te zeer met haar genade

en zij zal ten slotte jou ook genezen, daar zij ons nog slechts die

groote gunst te bewijzen heeft!"

Madame Vigneron, die geluisterd had, kwam naar hem toe.

"Wat zou het heerlijk geweest zijn als we alle drie gezond naar

Parijs hadden kunnen terugkeeren. Maar volkomen geluk bestaat hier

op aarde niet."

"Zeg," riep mijnheer de Vigneron plotseling uit; "ik zal vanmiddag

niet met jullie mee kunnen teruggaan door al die formaliteiten... Als

mijn retour nu morgen nog maar geldig is!"

Opgelucht ondanks de genegenheid, die zij steeds voor madame Chaise

gevoeld hadden, herstelden zij zich van den vreeselijken schok;

zij vergaten haar reeds, zouden niets liever willen dan Lourdes zoo

spoedig mogelijk verlaten, alsof het voornaamste doel van hun reis

bereikt was. Een vreugde, die zij zichzelf niet bekennen wilden,

maakte zich van hen meester.

"En wat zal ik in Parijs een boel te doen hebben!" begon hij weer. "Ik,

die naar niets zoo verlang als naar rust... Doch dat komt er niet op

aan ook; ik zal mijn drie jaar op het ministerie, tot ik pensioen

krijg, nog uitdienen, vooral nu ik er zeker van ben als chef de

bureau gepensionneerd te worden... Maar daarna hoop ik nog een beetje

van het leven te genieten. Nu we dat geld krijgen, koop ik in mijn

geboorteland het landgoed les Billottes, dat prachtige stuk grond,

waar ik altijd van gedroomd heb. En ik verzeker je, dat ik me niet

vervelen zal tusschen mijn paarden, honden en bloemen!"

De kleine Gustave zat nog op zijn schoot; zijn arm, klein, achterlijk

gebleven insectenlichaampje huiverde onder het half opgetrokken

hemdje, dat zijn magerte als van een stervend kindje zien liet. Toen

hij merkte, dat zijn vader hem heelemaal vergat en geheel opging in

zijn eindelijk verwezenlijkten droom van een onbezorgd leven, kwam

dat raadselachtige, melancholieke, maar tevens boosaardige glimlachje

weer om zijn lippen spelen.

"En ik, vader?"

Als opgeschrikt uit een diepen slaap, scheen mijnheer Vigneron hem

eerst niet te begrijpen.

"Jij, jongen?... Jij gaat natuurlijk met ons mee."

Maar Gustave bleef hem strak aankijken, zonder dat het lachje van

zijn magere, pijnlijk vertrokken lippen verdween.

"Gelooft u dat?"

"Zeker, geloof ik dat!... Je gaat met ons mee, je zult eens zien hoe

prettig het is."

Mijnheer Vigneron, die, toch al verlegen was en stamelde, omdat hij

de goede woorden niet vinden kon, geraakte geheel van streek, toen

zijn zoon zijn magere schouders optrok en met iets als wijsgeerige

minachting zeide:

"O neen... dan ben ik al lang dood!"

Verbijsterd las plotseling de vader in den diepen blik van het

kind, den blik van een ouden, in alle dingen ervaren man, die al de

ellenden der wereld kende, omdat hij ze zelf geleden had. Maar vooral

verschrikte hem de plotselinge zekerheid, dat dit kind steeds tot in

het diepst van zijn ziel doorgedrongen was, meer daarin gelezen had

dan hij zichzelf durfde bekennen. Hij herinnerde zich nu, hoe in de

wieg reeds de oogen van den zieke kleine op de zijne gericht waren,

die oogen, welke het lijden zoo scherp maakte en met de kracht van een

buitengewoon vermogen, om alles te doorzien, begiftigde, zoodat zij

zelfs de geheimste gedachten, die in het diepe donker van de hersenen

bleven, raden konden. En door een zonderlinge wisselwerking vond

hij de dingen, die hij zichzelf nooit bekend had, op dat oogenblik

alle terug in de oogen van zijn kind; hij zag ze, las ze ondanks

zichzelf. De geschiedenis van zijn lange hebzucht ontrolde zich

voor zijn blikken; zijn ergernis, een zoo zwakken jongen te hebben;

zijn angst bij het denkbeeld, dat het vermogen van madame Chaise in

gevaar gebracht werd door een zoo breekbaar leven; zijn vurige wensch,

dat zij spoedig sterven zou, terwijl de kleine nog leefde, zoodat de

erfenis in zijn handen zou komen. Wie in dit duel het eerst sterven

zou, was eenvoudig een quaestie van dagen. Want ten slotte kwam toch

wederom de dood: de kleine zou op zijn beurt sterven; hij alleen stak

dan het geld in zijn zak en zou een langen, vreugdevollen ouderdom

hebben. Deze dingen lichtten zóó akelig-duidelijk uit die scherpe,

melancholieke en glimlachende oogen van het ter dood veroordeelde kind

òp, dat vader en zoon een oogenblik in de vaste overtuiging verkeerden,

dat zij ze elkaar met luide stem toeriepen.

Maar mijnheer Vigneron kwam er tegen op, wendde zijn hoofd af,

protesteerde heftig:

"Wat, denk je, dat je dan dood zal zijn?... Wat een idée. Het is te

gek om los te loopen zoo iets te denken!"

Madame Vigneron begon weer te snikken.

"Ondeugende jongen, hoe kun je ons zoo'n verdriet doen, nu we toch

al zoo'n verlies te betreuren hebben?"

Gustave moest haar een zoen geven en haar beloven te zullen blijven

leven, al was het alleen maar om hun een pleizier te doen. Toch was

het glimlachje om zijn lippen blijven spelen, want hij wist heel goed,

dat liegen noodzakelijk was, als men zich niet al te bedroefd wilde

maken; trouwens hij had er zich reeds bij neergelegd, om zijn ouders

gelukkig achter te laten, nu de Heilige Maagd zelf hem op deze wereld

het kleine beetje geluk, waartoe ieder schepsel eigenlijk geboren

behoorde te worden, niet geven kon.

Zijn moeder legde hem weer in zijn bed, en Pierre stond eindelijk

op, juist op het oogenblik, dat mijnheer Vigneron de kamer eenigzins

fatsoenlijk op orde gebracht had.

"U excuseert mij wel, niet waar mijnheer de abbé?" zeide hij, terwijl

hij met den jongen priester naar de deur liep. "Mijn hoofd loopt een

beetje om... Het is een moeilijk kwartiertje, maar ik moet mij er

toch doorslaan."

In de gang bleef Pierre even staan luisteren naar het geluid, dat de

trap opkwam. Weer had hij aan mijnheer de Guersaint gedacht, meende

hij zijn stem te herkennen. En terwijl hij daar zoo onbeweeglijk

stond, gebeurde er iets, dat hem in de pijnlijkste verlegenheid

bracht. Voorzichtig-langzaam was de deur van de door den ongetrouwden

heer bewoonde kamer opengegaan; een in het zwart gekleede dame was

er met zoo lichten tred uit gekomen, dat men nauwlijks den tijd gehad

had in de half geopende deur den heer te zien, die, met zijn vinger op

zijn mond, op den drempel stond. Doch toen de dame zich omkeerde, stond

zij eensklaps tegenover Pierre. Dat alles geschiedde zoo plotseling,

zoo brutaal, dat het hun onmogelijk was zich af te wenden en te doen,

alsof zij elkaar niet herkend hadden.

Het was madame Volmar. Na drie dagen en drie nachten in volkomen

opsluiting in die liefdekamer doorgebracht te hebben, verliet zij die

nu vroeg in den morgen. Het was nog geen zes uur, zij hoopte door

niemand gezien te worden, als een schim zoo licht weg te sluipen

door de ledige gangen en trappen; zij wilde zich ook nog in het

Hôpital laten zien en daar den geheelen laatsten ochtend blijven,

om haar gaan naar Lourdes te rechtvaardigen. Toen zij Pierre zag,

begon zij vreeselijk te beven en stamelde eerst:

"O, mijnheer de abbé, mijnheer de abbé!"

Toen zij echter zag, dat de priester zijn deur wijd open had laten

staan, scheen zij aan de koorts, die in haar brandde, aan een drang

om over haar liefdevlam te spreken, zich te verontschuldigen, zich

vrij te pleiten, toe te geven. Met een vuurroode kleur ging zij het

eerst de kamer binnen, waarin hij, geheel door dit voorval van streek

gebracht, haar wel volgen moest. Daar hij de deur wijd open liet staan,

vroeg zij hem met een gebaar die te sluiten.

"O mijnheer de abbé, ik smeek u, denk niet te slecht van mij!"

Hij maakte een gebaar als om te zeggen, dat hij zich niet veroorloofde

een oordeel over haar te vellen.

"Ja, ja, ik weet, dat u mijn ongeluk kent... Te Parijs hebt u mij eens

achter de Drievuldigheidskerk met een heer gezien. En gisteren hebt u

mij natuurlijk op het balcon herkend. Niet waar, u vermoedde wel, dat

ik hier, vlak bij u, met dien persoon in de kamer daar leefde... Maar

als u eens wist, als u eens wist..."

Haar lippen beefden, tranen hingen aan haar wimpers. Hij keek haar

aan en stond verbaasd over de buitengewone schoonheid, waardoor haar

gelaat verheerlijkt werd. Deze steeds zoo eenvoudig, altijd in het

zwart gekleede vrouw, die nooit iets van juweelen droeg, verscheen

hem nu, buiten de donkerte, waarin zij zich gewoonlijk terugtrok,

eensklaps in den vollen glans van haar hartstocht. Zij, die op den

eersten aanblik niet knap, te donker en te mager was met haar vermoeide

trekken, haar grooten mond, haar langen neus, kreeg, hoe langer

hij haar aankeek, een troubleerende bekoring, een onweerstaanbare

veroveringsmacht. Haar oogen, haar groote, prachtige oogen, welker

gloed zij gewoonlijk onder een sluier van onverschilligheid verborg,

brandden als fakkels, wanneer zij zich met lichaam en ziel overgaf. Hij

voelde, dat men haar aanbidden, dat men haar hartstochtelijk begeeren

kon, ook al moest men erdoor ten gronde gaan.

"Als u eens wist, mijnheer de abbé, als ik u eens vertelde, wat ik

geleden heb... Het zijn trouwens dingen, die u ongetwijfeld vermoed

hebt, want u kent mijn man en mijn schoonmoeder. De enkele keeren,

dat u bij ons geweest bent, hebt u natuurlijk begrepen, welke

gruwelen er zich, ondanks mijn tevreden manier van doen, in mijn

stil en bescheiden hoekje afspeelden... Maar tien jaar zoo leven,

nooit werkelijk mensch zijn, nooit liefhebben, nooit bemind worden,

neen, neen, dat heb ik niet kunnen volhouden."

Toen vertelde zij hem haar droevige levensgeschiedenis, haar huwlijk

met den handelaar in diamanten, die schijnbaar tegenslag in zijn zaken

gehad had; haar schoonmoeder, een hardvochtige gevangenbewaarder en

beulenziel; haar man, een monster van lichamelijke leelijkheid en

zedelijke verdorvenheid. Men sloot haar op, men liet haar zelfs niet

alleen voor het raam zitten. Men had haar geslagen, haar neigingen,

haar liefhebberijen, haar vrouwlijke zwakheden doodgedrukt. Zij wist,

dat haar man allerlei meiden onderhield; en wanneer zij tegen een

familielid lachte, wanneer zij, als zij zich eens een hoogst enkele

maal vroolijk voelde, een bloem in haar corsage droeg, dan trok hij

die bloem weg, kreeg aanvallen van razende jaloezie, brak haar, onder

de vreeselijkste dreigementen, bijna haar polsen. Jaren lang had zij

in die hel geleefd en toch nog steeds gehoopt, want in haar woonde

een zoo sterke levenskracht, zoo'n vurige behoefte aan teederheid,

dat zij altijd nog het geluk verwachtte en geloofde het ieder oogenblik

te zullen zien binnenkomen.

"Ik zweer u, mijnheer de abbé, dat ik heb moeten doen, wat ik gedaan

heb. Ik was te ongelukkig, mijn geheele wezen snakte ernaar zich te

geven... Toen mijn vriend mij voor de eerste maal zeide, dat hij mij

liefhad, liet ik mijn hoofd op zijn schouder vallen; het was beslist,

voor eeuwig was ik zijn eigendom. Men moet zich in de zaligheid

indenken: bemind te worden, bij zijn geliefde slechts gebaren en

woorden van liefkoozing te vinden, het streven, om zoo voorkomend

en vriendelijk mogelijk te zijn; te weten dat hij aan je denkt,

dat er ergens een hart bestaat, waarin je leeft; samen één te zijn,

geheel op te gaan in een omhelzing, waarin alles samensmelt, lichaam

en ziel... O, als dat een zonde is, mijnheer de abbé, dan kan ik er

geen berouw over hebben. Ik wil niet eens beweren, dat men er mij

toe aangedreven heeft; ik zeg alleen maar, dat ik die zonde even

natuurlijk bedreven heb als dat ik adem haal, omdat zij voor mijn

leven noodzakelijk was."

Zij had haar hand aan haar lippen gebracht, als wilde zij de wereld

een kus geven. Pierre voelde zich ontroerd bij het zien van deze van

liefde gloeiende vrouw, die de hartstocht, de eeuwige begeerte zelf

was. Dan begon een oneindig medelijden in hem op te komen.

"Arme vrouw!" prevelde hij.

"Niet voor den priester leg ik mijn biecht af," ging zij verder,

"neen, ik spreek tegen den man, tegen een man, door wien ik zoo

graag begrepen zou willen worden... Neen, ik ben geen geloovige,

de godsdienst is voor mij nooit voldoende geweest. Men beweert,

dat vrouwen zich daarmede tevreden stellen, dat zij er een krachtige

bescherming in vinden tegen de zonde. Maar ik heb steeds een gevoel

van kilte in kerken gehad. En ik weet heel goed, dat het slecht is

godsdienst te huichelen en dien voor mijn liefde te gebruiken. Maar

wat eraan te doen? Ze dwingen me ertoe. Dat u mij indertijd te Parijs

achter de Drievuldigheidskerk gezien hebt, komt, omdat die kerk de

eenige plaats is, waar zij mij alleen naar toe laten gaan; dat u mij

hier te Lourdes vindt, komt, omdat ik in een heel jaar slechts deze

drie dagen van volkomen vrijheid, van volmaakt geluk heb."

Weer doorhuiverde haar een rilling, weer rolden heete tranen over

haar wangen.

"O, deze drie dagen, deze drie dagen! U kunt niet weten hoe vurig

ik ernaar verlang, met welk een hartstocht ik ze doorleef, met welke

onstuimige gevoelens ik de herinnering eraan mee naar huis terugneem."

Alles stond in duidelijke trekken voor den zoo lang kuisch gebleven

Pierre. Hij stelde zich deze zoo vurig tegemoet geziene, die gulzig

doorleefde drie dagen en drie nachten voor in die hotelkamer met haar

zóó dicht gesloten ramen en deuren, dat zelfs de kamermeisjes niet

wisten, dat er een vrouw in was. Hij zag de eindelooze omhelzingen,

den niet eindigenden kus, de algeheele overgave, het alles om zich

heen vergeten, het volkomen opgaan, het volkomen wegzinken in de

onuitbluschbare liefde. Ruimte en tijd waren verdwenen, niets bestond

meer, niets dan de haast om elkaar toe te behooren, elkaar weer en

nogmaals toe te behooren. En welk een hartverscheurende smart bij

het afscheid! Voor dien gruwel sidderde zij; in haar verdriet haar

paradijs te hebben moeten verlaten, liet zij zich gaan, schreeuwde

zij, die anders zoo stil was, haar lijden uit. Elkaar nog een laatste

maal te omarmen, in elkaar weg te willen smelten, om voor eeuwig één

te blijven, zich te moeten losrukken, alsof de helft van je vleesch

mede losgerukt wordt, en dan te moeten denken, hoeveel lange dagen,

hoeveel lange nachten er verstrijken zullen, zonder dat je elkaar

ook maar ziet!

Pierre, wiens hart bloedde, toen hij zich die kwelling des vleesches

voor den geest riep, kon slechts herhalen:

"Arme vrouw!"

"En dan, mijnheer de abbé," ging zij voort, "denk eens aan de hel,

waarin ik terugkeer. Weken, neen maandenlang is dan de hemel voor mij

gesloten, duld ik zonder één enkele klacht mijn martelaarschap. Weer

is mijn geluk voor een jaar dood. Lieve God, drie armzalige dagen

en drie armzalige nachten; zou je niet krankzinnig worden bij die

hartstochtelijkheid, waarmede ik ervan geniet, bij het geduld,

waarmede ik wacht, tot zij terugkomen. Ik ben zoo ongelukkig,

mijnheer de abbé, maar gelooft u ondanks alles toch niet, dat ik een

fatsoenlijke vrouw ben?"

Hij werd diep ontroerd door dit vuur van echten hartstocht en oprechte

smart. Hij voelde hier den adem der eeuwige begeerte, een onbeperkt

heerschende liefde, die alles rein maakte. Zijn hart vloeide over

van medelijden, en hij vergaf.

"Mevrouw, ik beklaag u en ik respecteer u meer dan ik zeggen kan."

Zij zeide niets meer, keek hem slechts aan met haar groote, door tranen

verduisterde oogen. Dan drukte zij in een plotselinge opwelling zijn

beide handen en hield die tusschen haar brandende vingers vast. Even

daarna verdween zij op het portaal met de lichtheid van een schim.

Doch toen zij er niet meer was, leed Pierre nog heviger dan bij haar

aanwezigheid. Hij wierp het raam wijd open, om den liefdegeur, dien

zij er achtergelaten had, te verjagen. Reeds dien Zondag, toen hij

gezien had, dat er een vrouw in de kamer ernaast verborgen leefde,

had hij dezen kuischen angst gevoeld en tegen zichzelf gezegd, dat zij

de revanche van het vleesch was te midden van de mystieke verrukking

van Lourdes, het onbevlekte. En nu kwam die angst terug, begreep hij

de almacht, de onoverwinnelijke wilskracht van het leven, dat leven

wilde. Liefde was sterker dan geloof, misschien was het bezit van

een geliefd wezen het eenige goddelijke. Elkander lief te hebben,

elkander ondanks alles toe te behooren, het leven te geven en het

leven voort te planten, was dat niet het eenige doel der natuur? Een

oogenblik was hij zich den afgrond, waarvoor hij stond, bewust: zijn

kuischheid was zijn laatste steunpunt, gaf alleen nog waarde aan zijn

mislukt leven van ongeloovig priester.

Hij begreep, dat, als hij, na aan zijn verstand toegegeven te hebben,

nu ook nog aan zijn vleesch toegaf, hij geheel verloren zou zijn. Zijn

geheele trots op zijn kuischheid, al de kracht, die hij opgeroepen

had om zijn ambt eerlijk te blijven waarnemen, kwamen weer terug,

en opnieuw deed hij zichzelf de plechtige gelofte geen man te zijn,

nu hij zich vrijwillig uit de rijen der mannen verbannen had.

Het sloeg zeven uur. Pierre ging niet meer naar bed, doch waschte zich

met ijskoud water, blij, dat dit frissche water zijn koortsachtige

opwinding geheel kalmeerde. Terwijl hij zich verder aankleedde,

kwam bij het geluid van stappen, die hij in het portaal hoorde, de

gedachte aan mijnheer de Guersaint weer in hem op. Ze hielden stil

voor de deur; er werd geklopt; verlicht ging hij opendoen.

Maar dan uitte hij een kreet van blijde verrassing.

"Wat ben jij het? Ben je nu al op en ben je nu al aan het visites

maken?"

Marie stond glimlachend op den drempel. Achter haar glimlachte zuster

Hyacinthe, die met haar meegekomen was, ook met haar vriendelijke,

trouwhartige oogen.

"O, beste jongen," zeide het jonge meisje, "ik kon niet in bed

blijven. Zoodra ik de zon zag, ben ik eruit gesprongen, zoo'n behoefte

had ik om te loopen, te springen, te dansen als een kind!... En ik heb

zoo lang gezanikt en zoo lang gesmeekt, dat de zuster zoo vriendelijk

is geweest, om met mij mede te gaan... Ik geloof, dat ik door het

raam gegaan was, als ze de deur voor mij gesloten hadden!"

Pierre had ze laten binnengaan, een onzeglijke ontroering snoerde zijn

keel dicht, toen hij haar zoo vroolijk hoorde praten en haar zich zoo

makkelijk, zoo ongedwongen, zoo gratieus bewegen zag. Haar, die hij

jaren lang met afgestorven beenen en een loodkleurigen gelaatstint

gekend had! Sedert hij haar den vorigen avond voor het laatst in de

Basilica gezien had, was zij in jeugd en schoonheid opgebloeid. Een

nacht was voldoende geweest om haar zóó te veranderen, dat hij het

lieve schepseltje vol teederheid, het mooie meisje, dat hij vroeger

achter de bloeiende haag zoo hartstochtelijk-wild gekust had, grooter

en mooier terugvond.

"Wat ben je groot en wat ben je mooi, Marie!" kon Pierre zich niet

weerhouden te zeggen.

Dan mengde zuster Hyacinthe zich in het gesprek.

"Niet waar, mijnheer de abbé, de Heilige Maagd heeft alles ten goede

geschikt! Wanneer zij zich ergens mee bemoeit, dan kom je frisch en

geurig als een roos uit haar handen."

"O," viel het jonge meisje haar in de rede, "ik ben zoo gelukkig,

ik voel me zoo sterk, zoo gezond, zoo blank, alsof ik pas geboren was."

Het was een zalig gevoel voor Pierre. Het scheen hem toe, alsof wat er

nog van de uitwaseming van madame Volmar hing, vervluchtigde. Marie

vulde de kamer met haar reinheid, met den geur en den glans van haar

jeugdige onschuld. En toch was die vreugde over haar reine schoonheid,

over het leven, dat weer opbloeide, voor hem niet zonder droefheid. Het

verzet, dat in de Crypt in hem opgekomen was, de wond van zijn mislukt

leven moest zijn hart voor altijd bloedend houden. Zooveel weer tot

leven gewekte gratie! De aangebeden vrouw werd weer tot haar vollen

bloei herboren! En nooit zou hij de verrukking, die haar bezit geven

moest, kennen, hij stond buiten de wereld, lag in het graf. Doch

hij snikte niet meer; een grenzenlooze weemoed bekroop hem bij de

gedachte, dat hij dood was, dat het nieuwe zonnegloren dezer vrouw

opging over het graf, waarin zijn manlijkheid sliep. Het was de

vrijwillig aanvaarde, zelf gewilde verzaking.

Evenals de andere, de hartstochtelijke, had ook Marie de handen van

Pierre gedrukt. Maar haar kleine handjes waren zoo zacht, zoo frisch,

zoo kalmeerend! Een beetje verlegen keek zij hem aan, als had zij

een grooten wensch, dien zij niet durfde uitspreken. Dan dapper:

"Pierre, wil je mij een zoen geven? Dat zou me zoo gelukkig maken."

Hij sidderde, zijn hart werd in een laatste marteling verbrijzeld. O,

de kussen van vroeger, de kussen, die hij nog op zijn lippen

proefde! Nooit daarna had hij haar een kus gegeven, en nu was het

een zuster, die hem omhelsde. Zij drukte een klappenden zoen op zijn

linker- en op zijn rechterwang, hield hem de hare voor, eischte,

dat hij haar die teruggeven zou. Tweemaal kuste hij haar terug.

"Ik ben ook zoo gelukkig, zoo innig gelukkig, Pierre!"

Overmand door zijn ontroering en terwijl een gevoel van verrukking

en bitterheid tevens zich van hem meester maakte, barstte hij in

snikken uit, weende hij tusschen zijn gevouwen handen als een kind,

dat zijn tranen verbergen wilde.

"Kom, kom, laten we niet al te week worden," zeide zuster Hyacinthe

vroolijk. "Mijnheer de abbé zou te verwaand worden, als hij dacht,

dat we alleen om hem gekomen waren. Mijnheer de Guersaint is zeker

hiernaast!"

"O, die beste papa! Wat zal die ook gelukkig zijn!" riep Marie vol

liefde uit.

Pierre moest nu vertellen, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug

was van zijn uitstapje naar Gavarnie. Zijn toenemende ongerustheid

klonk duidelijk in zijn woorden door, hoewel hij trachtte het lange

uitblijven te verklaren, tegenslagen, onvoorziene complicaties

bedacht. Overigens was het jonge meisje heelemaal niet ongerust; zij

begon weer te lachen en zeide, dat haar vader nooit op tijd geweest

was. En toch zou zij hem zoo graag willen laten zien, dat zij liep,

dat zij stond, als in haar nieuw ontbloeide jeugd herboren!

Zuster Hyacinthe, die over het balcon was gaan kijken, kwam in de

kamer terug.

"Daar is hij... Hij stapt beneden uit het rijtuig!"

"Zeg," riep Marie met de uitgelaten vroolijkheid van een schoolmeisje;

"we moeten hem verrassen. We zullen ons verstoppen, en wanneer hij

dan binnen is, laten we ons in eens zien."

Reeds trok zij zuster Hyacinthe in de kamer ernaast.

Onmiddellijk daarna kwam mijnheer de Guersaint als een wervelwind

door de gangdeur, die Pierre gauw geopend had; hartelijk drukte hij

hem de hand.

"Daar ben ik eindelijk... Je hebt zeker niet geweten waar ik bleef,

hè? Maar je kunt je niet voorstellen, wat een pech we gehad hebben:

eerst is er een wiel van het rijtuig gebroken, toen we in Gavarnie

aankwamen, en juist, toen we gisteravond een eindje op den terugweg

waren, moesten we door een verschrikkelijk onweer den heelen nacht

te Saint-Sauveur blijven... Ik heb geen oog dicht gedaan."

Hij viel zichzelf in de rede.

"En hoe is het met jou?"

"Ik heb ook door al het lawaai, dat ze in het hotel gemaakt hebben,

niet kunnen slapen."

Maar reeds ratelde mijnheer de Guersaint weer:

"Enfin, het hindert niet, het was verrukkelijk. Dat moet ik je nog

even vertellen... Ik was met drie charmante geestelijken. Abbé des

Hermoises is ontegenzeggelijk de aardigste man, dien ik ooit ontmoet

heb... Gelachen dat we hebben, gelachen!"

Weer hield hij op.

"En mijn dochter?"

Toen klonk achter hem een heldere lach. Hij keerde zich om, bleef

met een open mond staan. Marie was daar, en zij liep, haar gelaat

straalde van blijde verrukking en heerlijke gezondheid. Nooit had

hij aan het wonder getwijfeld, hij was ook in het minst niet verrast,

want hij kwam terug met de overtuiging, dat alles goed afloopen zou,

dat hij haar ongetwijfeld genezen terug zou vinden. Doch wat hem tot

in het diepst van zijn ziel trof, dat was het wondere schouwspel, dat

hij niet had voorzien: zijn dochter zoo mooi, zoo goddelijk in haar

zwart japonnetje. Zijn dochter, die zelfs geen hoed medegebracht,

doch haar bewonderenswaardige lokken slechts met een kanten doekje

bedekt had! Zijn levende, bloeiende, triompheerende dochter, gelijk

aan alle dochters van alle vaders, die hij al zoovele jaren benijdde.

"Mijn kind, mijn kind!"

En toen zij in zijn armen gevlogen was, drukte hij haar vast tegen

zich aan, knielden zij samen neer. En alles straalde in een heerlijke

uitvloeiïng van geloof en liefde. Deze verstrooide man met zijn

vogelhersenen, die in slaap viel in plaats van met zijn dochter naar

de Grot te gaan, die een uitstapje naar Gavarnie maakte op den dag,

dat de Heilige Maagd haar moest genezen, vloeide over van vaderlijke

teederheid, van een zoo door dankbaarheid bezield Christelijk geloof,

dat hij een oogenblik verheven werd.

"O, Jezus, o Maria, hoe dank ik u, dat ge mij mijn kind teruggegeven

hebt... O, kind, wij zullen nooit genoeg adem, nooit genoeg ziel

hebben om Maria en Jezus te danken voor het groote geluk, dat hij

mij geeft... O, kind, dat zij hebben opgewekt, o kind, dat zij zoo

mooi gemaakt hebben, neem mijn hart, om het hun met het jouwe aan

te bieden... Ik behoor aan jou en behoor aan hen, eeuwig en eeuwig,

mijn geliefd, mijn aangebeden kind!"

Neergeknield voor het open raam, keken beiden met vurige blikken naar

den hemel. De dochter leunde met haar hoofd tegen den schouder van haar

vader, terwijl hij zijn arm om haar middel geslagen hield. Zij waren

slechts één; langzaam begonnen tranen te vloeien over hun verrukte,

in bovenmenschelijk geluk glimlachende gezichten, terwijl zij slechts

onsamenhangende woorden van dank stamelen konden.

"Dank, o Jezus; dank, o heilige Moeder van Jezus... Wij hebben u lief,

wij aanbidden u... Gij hebt het beste bloed onzer aderen verjongd, het

behoort aan u, het klopt voor u... O, almachtige Moeder, o geliefde

goddelijke Zoon, een dochter en een vader zegenen u en bezwijmen aan

uw voeten van vreugde."

De omarming van deze twee schepselen, die na zooveel donkere dagen

gelukkig waren, dit uitstamelen van hun geluk, dat als het ware nog

in lijden gedrenkt was, dit geheele tooneel was zóó ontroerend, dat

Pierre weer in tranen uitbarstte. Maar nu waren het weldadige tranen,

die zijn hart tot kalmte brachten. O, de ongelukkige menschheid! Wat

deed het goed haar een weinig getroost en in verrukking te zien! En wat

kwam het er op aan, of dat groote geluk van enkele seconden ontsprong

uit de eeuwige illusie! Was de geheele menschheid, de deerniswaardige,

door de liefde geredde menschheid eigenlijk niet vertegenwoordigd in

dezen armen man, die plotseling verheven werd, nu hij zijn dochter

herboren zag?

Zuster Hyacinthe stond wat op den achtergrond en huilde eveneens,

haar hart was vol van een menschelijke ontroering, zooals zij nog

nooit gevoeld had, zij, die nooit andere verwanten gekend had dan den

goeden God en de Heilige Maagd. Een stilte heerschte in deze kamer,

die huiverde van zulk een in tranen gedrenkte broederschap. Zij sprak

het eerst, toen de vader en de dochter eindelijk opstonden.

"En nu, mademoiselle, moeten we gauw naar het Hôpital terug!"

Maar daar kwamen de anderen tegen op. Mijnheer de Guersaint wilde

zijn dochter bij zich houden en in Marie's oogen straalde het vurig

verlangen om te leven, te loopen, de wijde, wijde wereld door te

trekken.

"Geen quaestie van," zeide mijnheer de Guersaint, "ik geef haar niet

aan u terug... Wij zullen een paar glazen melk drinken, want ik kom

bijna om van honger; en dan gaan we uit, gaan we samen wandelen. Zij

aan mijn arm, als een klein vrouwtje!"

Weer lachte zuster Hyacinthe.

"Nu goed dan, ik zal haar hier laten en aan de dames zeggen, dat u

haar mij ontstolen hebt... Maar ik maak, dat ik weg kom. U hebt er

geen begrip van hoeveel we nog te doen hebben, indien wij vóór het

vertrek klaar willen zijn: al onze zieken, al ons materiaal, enfin

een drukte van wat heb je me!"

"Is het dan Dinsdag?" vroeg mijnheer de Guersaint, die weer in zijn

oude verstrooidheid terugviel; "en gaan we vanavond weg?"

"Natuurlijk, vergeet het als het u blieft niet!... De witte trein

vertrekt om tien minuten over halfvier... En als u van mij een raad

wilt aannemen, dan zou ik mademoiselle wat vroegtijdig terugbrengen,

dan kan zij nog wat rusten."

Marie ging met de zuster tot de deur mede.

"Wees maar gerust, ik zal verstandig zijn. Ik wil ook graag even naar

de Grot, om de Heilige Maagd nog eens te danken."

Toen zij met hun drieën alleen in het kamertje waren, dat in

het zonlicht baadde, kenden zij hun geluk niet. Pierre had het

kamermeisje melk, chocolade, koekjes en allerlei andere lekkernijen

laten brengen. En hoewel Marie reeds ontbeten had, at zij nog mee;

sedert den vorigen avond verslond zij letterlijk alles. Zij hadden

het tafeltje voor het raam gerold, maakten er een waar feestmaal

van in de prikkelende berglucht, terwijl de honderd klokken van

Lourdes met haar bronzen stemmen den roem van dezen stralenden dag

uitjubelden. Zij praatten en lachten; het jonge meisje vertelde aan

haar vader het wonder met honderdmaal herhaalde bijzonderheden, en

hoe zij het wagentje in de Basilica had achtergelaten en hoe zij een

wijzertje rond geslapen had. Toen wilde ook mijnheer de Guersaint

van zijn uitstapje vertellen, maar hij geraakte in de war, bracht

het wonder ermede in verband.

In korte woorden gezegd was dit keteldal van Gavarnie iets

reusachtigs. Alleen verloor men uit de verte het gevoel van proporties,

leek het klein. De drie altijd met sneeuw bedekte terrassen; de

hoogste kam, die zich tegen den hemel afteekende als het profiel van

een Cyclopenvesting, waarvan de toren met den grond gelijk gemaakt en

de wallen uitgetand waren; de groote waterval, die zoo langzaam scheen

te stroomen, terwijl hij in werkelijkheid met een donderend lawaai

neerstortte; de bosschen rechts en links; de rivieren; de bergen,

die geheele eindeloosheid maakte, wanneer men het van af de markt

van het dorp zag, den indruk, alsof je het in je hand zou kunnen

houden. Wat hem het meest getroffen had en waarop hij telkens weer

terugkwam, waren de vreemde figuren, die de sneeuw, welke tusschen

de rotsen liggen bleef, maakte: o. a. een reusachtig kruis, een wit

kruis van eenige duizenden meters, dat den indruk maakte, alsof het

dwars over het dal geworpen was.

Dan viel hij zichzelf in de rede:

"Tusschen twee haakjes, wat is er bij onze buurlui aan de hand? Toen

ik daareven boven kwam, vloog mijnheer Vigneron mij als een bezetene

voorbij; en door de open deur meende ik te zien, dat madame Vigneron

er erg opgezet uitzag. ...Heeft de kleine Gustave soms weer een

aanval gehad?"

Pierre had madame Chaise, de doode, die daar aan de andere zijde van

het dunne beschot sliep, heelemaal vergeten. Hij meende een killen

ademtocht te voelen.

"Neen, het kind is heel goed..."

Hij ging er echter niet verder op in, zweeg er liever over. Waarom dit

zoo gelukkige uur van herrijzenis, van herkregen jeugd te bederven,

door er het beeld van den dood in te weven? Maar van dat oogenblik af

bleef hij steeds aan de doode denken; dacht hij ook aan de andere kamer

ernaast, waarin de ongetrouwde mijnheer zijn snikken verstikte en zijn

lippen drukte op het paar handschoenen, dat hij van zijn geliefde

gestolen had. Het geheele hotel kwam voor zijn geest terug, het

hotel met zijn hoestaanvallen, met zijn zuchten, zijn onverstaanbare

stemmen, het eeuwige dicht slaan der deuren, de vloeren, die onder

de opeenhooping der gasten kraakten, de gangen, waarin het stof

opdwarrelde door de ruischende rokken, het heen en weer vliegen van

de families, die zenuwachtig werden door het op handen zijnde vertrek.

"Je zult je maag nog van streek maken," riep mijnheer de Guersaint

lachend uit, toen hij zag, dat zijn dochter nog een broodje nam.

Marie moest ook lachen. Doch dan kwamen plotseling twee tranen in

haar oogen.

"Wat ben ik gelukkig! En toch, wat doet het me een pijn wanneer ik

bedenk, dat niet iedereen even gelukkig is als ik!"

De drie steden: Lourdes · 第 35 / 41 题