IV.

Pierre was Marie gevolgd en liep nu, als voortgesleurd door den storm

van geestdrift, die haar triomphantelijk haar wagentje voort deed

duwen, met haar achter den baldakijn. Doch iedere minuut ontstond

er zoo'n gedrang, zulke botsingen, dat hij zeker gevallen zou zijn,

wanneer een sterke hand hem niet staande gehouden had.

"Wees maar niet bang en geef mij een arm. Anders blijf je niet op

de been!"

Hij keerde zich om en zag tot zijn verbazing pater Massias, die

pater Fourcade op den kansel gelaten had, om met den baldakijn mede

te gaan. Een buitengewone opwinding hield hem staande en wierp hem

krachtig als een rotsblok vooruit; zijn oogen schoten vonken, zijn

met zweet bedekt gelaat was één geestdrift.

"Pas toch op, geef mij een arm!"

Een nieuwe menschengolf spoelde hem bijna weg. Pierre vertrouwde zich

nu geheel toe aan dezen verschrikkelijken man, met wien hij, zooals

hij zich nu herinnerde, tegelijk op het seminarie geweest was. Wat een

zonderlinge ontmoeting, en hoe gaarne zou hij het onstuimige geloof,

deze geloovige geestdrift gehad hebben, die hem zoo hijgend en uit

zijn snikkende keel de ononderbroken smeekbede uitroepen deed:

"Heer Jezus, genees onze zieken!... Heer Jezus, genees onze zieken!"

Achter den baldakijn hield die kreet maar niet op, steeds was

er weer een, die het uitbrulde, als hadden zij allen de opdracht

de goddelijke goedheid niet met rust te laten, wanneer zij zich te

langzaam openbaarde. Nu eens was het een doffe, door snikken gesmoorde,

dan weer een scherpe, alles doordringende stem. Die van den pater,

anders zoo gebiedend, brak nu van ontroering.

"Heer Jezus, genees onze zieken!... Heer Jezus, genees onze zieken!"

Het gerucht van de plotselinge genezing van Marie, van dit wonder, dat

straks in zijn schittering de geheele Christenheid met dankbaarheid

vervullen zou, had zich reeds naar alle hoeken van Lourdes verspreid

en de menigte in een nog grooter opwinding gebracht. De besmettelijke

aanval van waanzin deed hen allen naar het Heilige Sacrament stormen

in een onbewusten drang om het te zien, het aan te raken, genezen te

worden en gelukkig te zijn. God ging immers voorbij, en nu waren het

niet de zieken alleen meer, die brandden van levensverlangen, neen,

allen voelden een verterenden drang naar geluk, die hen opzweepte,

zoodat hun bloedende harten zich openden en hun begeerige handen

zich uitstrekten.

Berthaud, die deze uitbarsting van hartstocht voorzien had, was met

zijn mannen medegegaan. Hij gaf hun bevelen en zorgde ervoor, dat de

dubbele keten van brancarddragers aan beide zijden van den baldakijn

niet verbroken werd.

"Nog meer opsluiten en de armen stevig vasthouden!"

De jonge mannen, uit de sterksten gekozen, hadden het zwaar te

verantwoorden. De muur, dien zij aldus schouder aan schouder en de

armen om middel en nek geslagen, vormden, boog ieder oogenblik onder

den onwillekeurigen aandrang der menigte. Niemand meende te dringen

en toch waren het onophoudelijk draaikolken en hooge golven, die van

verre kwamen en alles dreigden te verzwelgen.

Toen de baldakijn midden op de place du Rosaire was, dacht abbé Judaine

niet verder te kunnen. Op het groote plein hadden zich verschillende

stroomen en tegenstroomen gevormd, die draaiden als een wervelwind

en van alle kanten op hem aan bruisten. Hij moest wel blijven staan

onder den baldakijn, die heen en weer gezwiept werd als een zeil, dat

in volle zee door een plotselinge windvlaag aangegrepen wordt. Hij

hield met zijn beide verstijfde handen het Heilige Sacrament zoo

hoog mogelijk uit vrees, dat een laatste stoot het omver zou werpen;

want hij begreep heel goed, dat de gouden, als een zon stralende

monstrans den hartstocht van de menigte opwekte; dat was de God,

dien men wilde kussen, in wien men wilde opgaan, zelfs op gevaar af

hem te vernietigen. Onbeweeglijk bleef hij staan en wierp ongeruste

blikken op Berthaud.

"Niemand doorlaten!" schreeuwde hij den brancarddragers toe, "niemand,

begrepen?"

Maar smeekende stemmen verhieven zich, ongelukkigen snikten met

uitgestrekte armen en uitgestoken lippen, in den waanzinnigen

wensch, dat men hen dichter bij zou laten komen, om neer te knielen

voor de voeten van den priester. Welk een genade zou het zijn ter

aarde geworpen, neergetrapt en verpletterd te worden door de geheele

processie! Een zieke liet zijn uitgemergelde hand zien, overtuigd, dat

zij opnieuw aan zijn arm tot nieuw leven zou opbloeien, wanneer men hem

toestond den monstrans aan te raken. Een stomme drong als een furie met

haar sterke schouders door alles heen, om door een kus de band van haar

tong los te maken. Anderen en steeds weer anderen gilden, smeekten,

balden ten slotte hun vuisten tegen de wreedaards, die aan de kwalen

van hun lichaam en de ellende van hun ziel genezing weigerden. Het

consigne gold voor allen; men was bang voor de ergste ongelukken.

"Niemand, niemand doorlaten!" herhaalde Berthaud.

Intusschen was er een vrouw, wier aanblik aller harten met medelijden

vervulde. Zij was armoedig gekleed en blootshoofds; met een door

tranen overstroomd gelaat hield zij een klein jongetje van tien jaar,

wiens beide beenen verlamd en slap neerhingen, op haar armen. De last

was te zwaar voor haar zwakke krachten, maar zij scheen het niet

te voelen. Zij had haar jongetje meegebracht en smeekte nu met een

hardnekkigheid, waar noch bedreigingen noch stooten vat op hadden,

den brancarddragers haar door te laten.

Eindelijk riep abbé Judaine, die door het schouwspel diep

aangegrepen werd, haar met een hoofdknikje tot zich. Gehoorzamend

aan de barmhartige bedoeling van den geestelijke, maakten twee

brancarddragers, hoe gevaarlijk het ook was een bres in den muur te

vormen, een kleine opening; de vrouw vloog er met haar last doorheen

en viel voor den priester neer. Deze liet den voet van den monstrans

een oogenblik op het hoofd van het jongetje rusten. De moeder zelf

drukte haar begeerige lippen erop. Toen men zich weer in beweging

zette, wilde zij achter den baldakijn blijven en volgde de processie

hijgend, met in den wind fladderende haren, bijna bezwijkend onder

den zwaren last, die haar schouders brak.

Met groote moeite had eindelijk de processie de place du Rosaire

overgestoken. Nu begon het glorierijke beklimmen van de monumentale

helling, gedurende hetwelk heel hoog, aan den rand van den hemel,

uit de spitse toren van de Basilica de klokken luidden en den triomf

van Notre-Dame de Lourdes uitjubelden. Naar deze apotheose, naar deze

hooge poort van het heiligdom, die toegang scheen te geven tot de

oneindigheid steeg de baldakijn nu op boven de groote menschenzee, die

daar beneden op de pleinen en in de alleeën bleef bruisen. Reeds was

de in blauw en zilver gekleede kerkbewaarder met het processiekruis

ter hoogte van den koepel der Rozenkranskerk. De delegaties der

bedevaarten verspreidden zich, de veelkleurige banieren van zijde en

fluweel wapperden in den brand van de ondergaande zon. Dan kwamen de

schitterende rijen der geestelijken, de priesters in hun sneeuwwitte

koorhemden, de priesters in hun gouden misgewaden, als een stoet

van sterren. De wierookvaten werden gezwaaid, de baldakijn steeg

steeds hooger, zonder dat men de dragers onderscheiden kon, alsof

een mysterieuse kracht, onzichtbare engelen hem voortdroegen naar de

wijdgeopende hemelpoort.

Gezangen waren aangeheven, de stemmen eischten, nu men zich uit de

menigte losgemaakt had, niet meer de genezing der zieken. Het wonder

had zich voltrokken, men juichte erom uit volle borst in het gedreun

der klokken, in de bevende vroolijkheid der lucht.

"Magnificat anima mea Dominum..."

Het in de Grot reeds gezongen lied der dankzegging rees opnieuw uit

de harten op.

"Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo..." [17]

Overvloeiend van vreugde volgde Marie dezen schitterenden opgang, deze

hemelvaart langs de helling naar de lichtende Basilica. Naarmate zij

hooger kwam, kwam het haar voor, dat zij sterker werd, krachtiger op

haar zoo lang afgestorven, thans herleefde beenen stond. Het wagentje

dat zij triomphantelijk voortreed, was als de buit, aan haar kwaal

ontnomen, de hel, waaruit de Heilige Maagd haar gered had; en hoewel

het handvat haar handen wondde, wilde zij het naar boven rijden om

het neer te leggen aan de voeten van God. Geen hinderpaal kon haar

tegenhouden, zij lachte onder haar tranen door, haar borst welfde

zich, haar gang was als die van een krijgsman. Onderweg was een

van haar pantoffels losgegaan, terwijl het kanten doekje van haar

hoofd op haar schouders gevallen was. Maar toch bleef zij doorloopen,

terwijl haar prachtige blonde lokken haar als met een helm bedekten,

met stralend gelaat, in zoo'n krachtig opleven van wil en kracht,

dat men, achter haar, het zware wagentje op den steilen geplaveiden

weg als een kinderwagen hoorde huppelen.

Pierre, die nog steeds aan den arm van pater Massias liep, bleef in

haar nabijheid. In zijn hevige ontroering was hij niet in staat tot

denken. De welluidende en krachtige stem van den pater verdoofde hem:

"Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles!..." [18]

Aan den anderen kant rechts van hem, volgde Berthaud, thans geheel

gerust gesteld, eveneens den baldakijn. Hij had zijn mannen bevel

gegeven den keten te verbreken en keek nu verrukt naar de menschenzee,

die de processie doorkruist had. Hoe hooger men kwam, des te meer

verbreedden zich de place du Rosaire, de boulevards, de alleeën der

tuinen, en werden zij, zwart van menschen, beter voor zijn blikken

zichtbaar. Men zag een geheel volk in vogelvlucht, een steeds meer

zich uitbreidende mierenhoop.

"Kijk toch eens!" zeide hij tot Pierre. "Is het niet grootsch, is

het niet mooi?... Nu, het zal geen slecht jaar zijn!"

Hij, voor wien Lourdes voornamelijk een haard van propaganda was,

waarin hij zijn politieken wrok bevredigde, verheugde zich over

die talrijke bedevaarten, welke hij onaangenaam voor de regeering

waande. O, als men de werklieden der steden ertoe zou kunnen brengen,

een Katholieke democratie stichten!

"Verleden jaar," ging hij voort, "hebben we het nauwlijks tot

tweehonderdduizend pelgrims kunnen brengen. Dit jaar zullen we,

hoop ik, dat cijfer overschrijden."

En op den vroolijken toon van een man van de wereld voegde hij er,

hoewel hij een heftig partijganger was, bij:

"Waarachtig, toen men zoo even elkaar dooddrukte, was ik in mijn

schik... Ik zei tegen mezelf: Het loopt, het loopt!"

Maar Pierre luisterde niet, hij was te zeer getroffen door het

grootsche schouwspel. De menigte, welke zich steeds meer uitbreidde,

naarmate hij zich hooger boven haar verhief, dat prachtige dal, dat

aan zijn voeten lag, steeds grooter werd en den heerlijken horizont

der bergen voor hem ontrolde, vervulden hem met een bewondering, die

hem deed rillen. Zijn verwarring was er door toegenomen, hij zocht

Marie's blik en wees haar met een breed gebaar op den onmetelijken

gezichtskring. Doch zij begreep het gebaar verkeerd, zij zag in den

geheel geestelijken, dwependen toestand, waarin zij zich bevond, de

stoffelijkheid van het schouwspel niet; zij dacht, dat hij de aarde

tot getuige riep voor de wonderdadige genade, waarmede de Heilige

Maagd hen beiden had beweldadigd; want zij geloofde, dat hij ook zijn

deel in het wonder gehad had, dat in dezelfde genadewerking, die haar

lichamelijk genezen en weer op de been gebracht had, hij, die haar zoo

na aan het hart lag, zich door dezelfde goddelijke kracht omgeven en

opgericht gevoeld had, dat zijn ziel van den twijfel gered, door het

geloof herwonnen was. Hoe zou hij getuige geweest hebben kunnen zijn

van haar wonderdadige genezing, zonder overtuigd te worden? Zij had

den vorigen nacht voor de Grot zoo gebeden. En in de overmaat van haar

vreugde zag zij ook hem veranderd, weenend en lachend, teruggegeven

aan God. Dat deed haar nog meer gloeien in haar koorts van geluk,

zij reed haar wagentje voort met een hand, die niet moede werd, zij

had het nog mijlen en mijlen ver kunnen voortduwen, steeds hooger,

tot aan ontoegankelijke bergtoppen, tot in den verblindenden glans

van het Paradijs, alsof zij hun dubbel kruis, haar eigen verlossing

en die van haar vriend, gedragen had.

"O, Pierre, Pierre," stamelde zij; "hoe heerlijk is het, dat wij dit

groote geluk samen, samen gehad hebben. Ik had het haar zoo vurig

gevraagd en zij was zoo genadig; zij heeft jou gered door mij te

redden!... Ja, ik heb gevoeld, hoe jouw ziel zich overstortte in

de mijne. Zeg me toch, dat onze wederkeerige gebeden verhoord zijn,

dat ik jouw heil bewerkt heb, zooals jij het mijne."

Hij begreep haar dwaling, en huiverde.

"Als je eens wist," ging zij voort, "hoe doodsbedroefd ik zou zijn,

wanneer ik zoo heel alleen naar het licht zou moeten opstijgen. O,

hoe vreeselijk zou het wezen zonder jou uitverkoren te zijn, zonder jou

dezen weg te gaan! Maar met jou, Pierre, is het een zaligheid... Samen

gered en voor eeuwig gelukkig! Ik voel de kracht in mij, gelukkig te

zijn, ja de kracht om de wereld op te heffen..."

Hij moest nu toch een antwoord geven; en hij loog: hij kon dit groote

geluk niet bederven en bezoedelen.

"Ja, ja, wees gelukkig, Marie! Want ik ben zelf ook zoo gelukkig,

en al onze smarten zijn uitgedelgd."

Maar in zijn binnenste kwam een diepe scheur, alsof hij, plotseling,

gevoeld had, dat een ruwe bijlslag hen van elkander scheidde. Tot nog

toe was zij in hun gemeenschappelijk lijden het kleine vriendinnetje

uit zijn jeugd gebleven, de eerste, onschuldig begeerde vrouw, van wie

hij wist, dat zij steeds de zijne was, omdat zij aan niemand anders kon

toebehooren. En nu was zij genezen en bleef hij in zijn hel en moest

hij zich bekennen, dat zij hem nooit toebehooren zou. Die plotselinge

gedachte overweldigde hem zoo, dat hij, wanhopig zoo te moeten lijden

onder het wonderdadig geluk, waarin zij jubelde, zijn blikken afwendde.

Het gezang bleef doorklinken; pater Massias stiet, zonder iets

te hooren, zonder iets te zien, geheel opgaande in zijn vurige

dankbaarheid aan God, het laatste vers met donderende stem uit:

"Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini eius in

saecula." [19]

Nog een gedeelte der helling was te beklimmen, nog een

krachtsinspanning moest gedaan worden om over de gladde, breede tegels

de hoogte van den steilen weg te bereiken! En de processie steeg nog

hooger en voleindigde den opgang in het volle, heldere daglicht. Er

was nog een laatste bocht en de wielen van het wagentje kletterden

tegen den granieten trottoirband. Altijd hooger! Altijd hooger! Steeds

hoogerop reed het; het stiet tegen den rand van den hemel.

Daar verscheen plotseling de baldakijn op den top der reusachtige

hellingen, voor de deur der Basilica, op het steenen balcon, dat de

uitgestrekte vlakte beheerschte. Abbé Judaine trad naar voren, hield

met beide handen het Heilige Sacrament omhoog. Naast hem had Marie

met van het loopen kloppend hart en met een in het loshangend goud

van haar haar stralend gelaat haar wagentje omhoog geheven. Achter

hen schaarde zich de geestelijkheid: de sneeuwwitte koorhemden, de

vlammende misgewaden, terwijl de banieren en vaandels wapperden en

het wit der balustraden pavoiseerden.

Het was een plechtig oogenblik.

Men kon zich moeilijkers iets grootscher denken dan het uitzicht,

dat men van boven af genoot. In de eerste plaats zag men daar

de menigte, de menschenzee met haar donkere golven en haar nooit

ophoudende deining, waarin men, als zij even tot stilstand kwam,

slechts de bleeke plekken van de in afwachting der zegening naar de

Basilica opgeheven gezichten zag; en zoo ver als de blik reikte, van

de place du Rosaire tot den Gave, over de alleeën en avenues, over de

kruiswegen tot aan de oude in de verte liggende stad, vermenigvuldigden

zich de kleine, bleeke gezichten, ontelbaar, tot in het oneindige,

allen in zalige verrukking hun blik richtend op den verheven drempel,

waar de hemel zich openen zou.

Vervolgens dook het onmetelijk amphitheater der hellingen, heuvels en

bergen op, verhief zich aan alle kanten tot eindeloos hooge toppen,

die zich in de blauwe lucht verloren. In het Noorden aan de overzijde

der rivier, op de eerste hellingen, tusschen de boomen, wierp de brand

van de ondergaande zon een rosen weerschijn op de talrijke kloosters

der Carmelieten, Assumptionisten, Dominicanessen en der Zusters van

Nevers. Dan bouwden zich beboschte bergmassa's boven elkaar op, tot

zij de hoogten van den Buala bereikten, waarboven de Julospas uitstak,

die op zijn beurt weer door den Miramont beheerscht werd. In het Zuiden

openden zich andere diepe valleien, nauwe bergkloven tusschen massieve,

reusachtige rotsen, wier voet reeds in blauwachtige schaduw baadde,

wanneer de toppen nog schitterden in den afscheidsglimlach der zon. Aan

dezen kant vormden de purperen heuvels van Visens een voorgebergte van

koraal, dat het slapende meer van den ether met een doorschijnendheid

als van saphir afdamde. Maar recht vooruit in het Oosten verbreedde

de horizont zich nog over het kruispunt zelf der zeven dalen heen.

Het Kasteel, dat ze vroeger beheerscht had, stond nog met zijn

slottorens, zijn hooge muren, zijn donker profiel van grimmige,

ouderwetsche vesting op de door den Gave bespoelde rots. Aan deze zijde

lag de nieuwe stad heel vroolijk te midden van haar tuintjes als een

gewemel van witte gevels, groote hotels, pensions en groote winkels,

welker ruiten als kolenvuren gloeiden, terwijl achter het Kasteel het

oude Lourdes in het rossig-stoffige licht zijn gewirwar van verkleurde

daken uitstalde. Op dit late uur waren de Kleine en de Groote Gers, de

twee reusachtige, kale, slechts hier en daar met kort gras beplekte

rotsruggen, waarachter de dagvorstin met koninklijke pracht van

haar troon daalde, niet meer dan een wegdoezelende, violetkleurige

achtergrond, twee donkere voor den rand van den horizont toegetrokken

gordijnen.

Tegenover deze onmetelijkheid hief abbé Judaine met zijn beide handen

het Heilige Sacrament hooger, hooger nog op. Hij bewoog het langzaam

langs den geheelen horizont en liet het een groot teeken des kruises

beschrijven. Links begroette het de kloosters, de hoogten van den

Buala, den Julospas en den Miramont; rechts de twee steden, het

door den Gave bespoelde Kasteel, den reeds ingesluimerden Kleinen

en Grooten Gers; het begroette de bosschen, de stroomen, de bergen,

de onbestemde omtrekken der verre toppenketenen, de geheele aarde

aan gene zijde van den zichtbaren horizont. Vrede der aarde, hoop

en troost den menschen! Beneden had de menigte gesidderd onder het

groote teeken des kruises, dat hen allen omvatte. Het was, alsof een

goddelijke adem over de kleine bleeke gezichtjes, even talrijk als

de golven van een oceaan, streek. Een zucht van aanbidding steeg op,

alle monden openden zich, om Gods lof te zingen, toen de monstrans,

die door de ondergaande zon vol beschenen werd, weer als een tweede zon

verscheen, een zon van zuiver goud, die op den drempel der oneindigheid

in vlammende lijnen het teeken des kruises beschreef.

Reeds gingen de banieren, de geestelijkheid, abbé Judaine onder

den baldakijn de Basilica binnen, toen Marie op het oogenblik dat

ook zij, zonder het wagentje los te laten, de kerk wilde ingaan,

door twee dames, die haar weenend omarmden, tegengehouden werd. Het

waren madame de Jonquière en haar dochter Raymonde, die de zegening

bij wilden wonen en het wonder vernomen hadden.

"Hoe heerlijk, kindlief!" riep madame de Jonquière, "en wat ben ik

er trotsch op, dat je in mijn zaal bent. Het is voor ons allen een

zoo kostelijke genade, dat de Heilige Maagd jou uitverkoren heeft!"

Raymonde had een hand der wonderdadig genezene in de hare gehouden.

"Mag ik u vriendin noemen, mademoiselle? Ik had zoo'n vreeselijk

medelijden met u en nu vind ik het zoo heerlijk u, zoo krachtig en

zoo mooi al, te zien loopen... Laat ik u nog een zoen geven. Dat zal

mij geluk aanbrengen."

"Dank, hartelijk dank... Ik ben zoo gelukkig, zoo gelukkig!" stamelde

Marie verrukt.

"O, wij verlaten je niet meer!" begon madame de Jonquière weer. "Hoor

je, Raymonde? Laten we met haar meegaan en met haar knielen. En na

de plechtigheid nemen wij haar mede terug."

Inderdaad sloten de beide dames zich bij den stoet aan en liepen

naast Pierre en pater Massias achter den baldakijn tot aan het midden

van het koor, tusschen de door de delegaties reeds ingenomen rijen

stoelen. Alleen de banieren werden ter weerszijde van het hoofdaltaar

toegelaten. Ook Marie ging naar voren en bleef eerst bij de treden van

het altaar staan met haar wagentje, waarvan de wielen op de tegels

weerklonken. Zij had het armzalige smartenwagentje nu gebracht,

waarheen zij het in den heiligen waan van haar begeerte had willen

brengen, in de schittering van Gods huis, opdat het daar als het bewijs

van het wonder staan zou. Dadelijk bij het binnentreden was het orgel

in een triomfzang uitgejubeld, waarmede de gelukkige schare donderend

had ingestemd, totdat zich daaruit weldra een hemelsche engelenstem

vol juichende vreugde en zuiver als kristal, losmaakte. Abbé Judaine

had het Heilige Sacrament op het altaar gezet, de menigte vulde het

schip, ieder nam zijn plaats in, men verdrong zich en wachtte tot de

plechtigheid beginnen zou. Tusschen madame de Jonquière en Raymonde,

wier oogen vochtig bleven van ontroering, was Marie op haar knieën

gevallen, terwijl pater Massias, wiens krachten na de buitengewone

zenuwspanning, welke hem sedert het verlaten van de Grot staande

gehouden had, uitgeput waren, in snikken uitbarstte, zich op den

grond wierp en zijn gezicht in zijn handen begroef. Achter hem bleven

Pierre en Berthaud staan, de laatste nog steeds overal voor wakend

en zelfs te midden van de sterkste gemoedsaandoeningen voor de goede

orde zorg dragend.

Verdoofd door het orgelgejubel hief Pierre het hoofd op en bekeek in

zijn onrust het inwendige der Basilica. Het was een smal, hoog, met

drukke kleuren beschilderd schip, waarin door talrijke gebrande ramen

het licht binnenviel. Zijbeuken waren er eigenlijk niet; in plaats

daarvan liep een eenvoudige doorgang tusschen de pilarenbundels en de

zijkapellen, wat de slankheid van het schip, het vluchtig opstijgen der

steen in dunne, kinderlijk-fijne lijnen nog scheen te verhoogen. Een

geheel verguld, als kantwerk zoo doorzichtig hek sloot het koor af,

waarin het wit marmeren, met houtsnijwerk overdekte hoofdaltaar

zijn maagdelijk reine pracht ontvouwde. Verbazingwekkend waren de

buitengewoon talrijke kunstvoorwerpen, die van de geheele kerk een

van borduurwerk, juweelen, banieren en geloftegiften overvloeiende

uitstalkast maakten, een stroom van geschenken en giften, die hierheen

gevloeid was en tot stilstand gekomen was op de muren, die als het ware

dropen van goud, zilver, fluweel en zijde, waarmede ze van boven tot

beneden bekleed waren. Zij was het steeds van dankbaarheid gloeiend

heiligdom, zong door den mond van haar onschatbaren rijkdom een eeuwig

danklied van geloof.

Vooral banieren waren in grooten getale aanwezig, vermenigvuldigden

zich ontelbaar als bladeren aan een boom. Een dertigtal was aan het

gewelf opgehangen. Andere, die den geheelen omgang van het triforium

versierden, vormden als het ware door kleine zuiltjes omlijste

schilderijen. Zij spreidden zich langs de muren uit, wapperden achter

in de kapellen, overwelfden het koor met een hemel van zijde, satijn

en fluweel. Men telde ze bij honderden, het oog werd moe van het

bewonderen. Vele genoten een groote beroemdheid en waren zoo kunstig

bewerkt, dat de bekendste borduursters ze kwamen bezichtigen: die

van Notre-Dame de Fourvières met het stadswapen van Lyon; die van

den Elzas, zwart, met goud geborduurd fluweel; die van Lotharingen,

waarop een Heilige Maagd, die twee kinderen in haar mantel hult;

die van Bretagne, blauw en wit met een bloedend hart midden in een

stralenkrans. Alle keizerrijken, alle koninkrijken der aarde waren

vertegenwoordigd. De verst gelegen landen, Canada, Brazilië, Chili,

Haïti, hadden er hun vaandel, waarmede zij de Koningin des Hemels

hun eer bewezen.

Behalve de banieren waren er nog meer wonderstukken: de duizenden en

nog eens duizenden harten van goud en zilver, die overal opgehangen

waren en aan de muren fonkelden als sterren aan het firmament. Zij

vormden daar mystieke rozen, slingerden bloemenhangers en guirlandes

om de pilaren, omvatten de ramen en bestarden de diepliggende

kapellen. Men was op het zinrijke denkbeeld gekomen om met behulp

van die harten boven het triforium in groote letters de verschillende

woorden te schrijven, die de Heilige Maagd tot Bernadette gesproken

had; ook liep een dergelijke lange fries om het schip heen, welke

de vreugde uitmaakte der kinderlijke zielen, die gaarne de woorden

spelden. Het was een gewemel en gefonkel van wonderharten, wier

eindeloos aantal het hart beklemde, wanneer men dacht aan al die van

dankbaarheid bevende handen, welke ze geschonken hadden. Trouwens

ook vele andere geloftegiften, en daaronder die, welke men het minst

verwachten zou, droegen bij tot de versiering der kerk. Zoo zag men

onder glas bruidsbouquetten, eerekruizen, juweelen, photographieën,

rozenkransen, ja zelfs sporen. Er waren officiers-epauletten zoowel

als degens, waaronder een prachtige sabel, die als aandenken aan een

wonderdadige bekeering achtergelaten was.

Maar dat was niet genoeg: overal schitterden nog andere rijkdommen,

rijkdommen van den meest uiteenloopenden aard: marmeren beelden,

in diamanten gevatte diademen, een prachtig, te Blois geteekend en

door dames uit geheel Frankrijk geborduurd tapijt, een met emailwerk

versierde gouden palm, die de Heilige Vader gezonden had. De lampen,

die uit het gewelf neerhingen, waren eveneens geschenken, sommige

waren van massief goud en fijn bewerkt. Men kon ze niet meer tellen,

zij fonkelden in het schip der kerk als kostbare sterren. Voor

den tabernakel hing er een, die door Ierland geschonken was, een

meesterwerk van ciseleerkunst. Andere, zooals uit Valencia, Rijssel

en Macao vormden ware kleinoodiën, schitterend van edelgesteenten. En

welk een glans, wanneer bij de groote avondceremoniën de twintig

kroonluchters waren aangestoken, wanneer de honderden lampen,

de honderden kaarsen tegelijk brandden! Dan was de geheele kerk

één gloed, dan weerkaatsten al die kleine vlammen van het brandende

godshuis haar lichten in die duizenden harten van goud en zilver. Het

was één wonderbare vuurzee, de muren dropen van levende vlammenvonken,

men betrad de verblindende heerlijkheid van het paradijs, terwijl de

tallooze banieren daartusschen haar zijde, haar satijn en haar fluweel

ontrolden, geborduurd met bloedende Harten, overwinnende Heiligen en

Heilige Maagden, wier vriendelijke glimlach wonderen wrocht.

O, hoeveel ceremoniën hadden reeds haar pracht en praal in deze

Basilica ontwikkeld! Nooit hielden de eeredienst, nooit het gebed

en het gezang erin op! Van het eene eind van het jaar tot het

andere brandde de wierook, dreunde het orgel, bad de neergeknielde

schare. Ononderbroken werden missen gelezen, dan kwamen de vespers,

de predikatiën, de zegeningen, de dagelijks wederkeerende oefeningen,

de met een weergalooze pracht gevierde feesten. De minste naamdagen

werden voorwendsel tot hoogheilige feesten. Iedere bedevaart moest

haar aandeel in de verblindende schouwspelen hebben. Men moest

die lijdenden en die nederigen, welke van zoo verre kwamen, toch

getroost, verrukt en met het visioen van het half geopende paradijs

terugzenden. Zij hadden de heerlijkheid Gods aanschouwd, zouden de

herinnering eraan in een eeuwige extase bewaren. In de armzalige,

kale kamertjes, voor de smartvolle lijdenssponden rees in de geheele

Christenheid de Basilica met haar gloed en rijkdommen op als een

droom van belofte en gerechtigheid, ja als het geluk zelf, de schat

van het toekomstige leven, waarin de armen zeker eens na hun lange

aardsche ellende ingaan zouden.

Maar Pierre voelde bij het zien van al die schittering geen enkele

vreugde, geen troost, geen hoop. Het was donker in hem, donker als

in een storm, waarin gedachten en gevoelens gieren en huilen. Van

af het oogenblik, dat Marie uit haar wagentje was opgestaan met den

kreet: "Ik ben genezen", van het oogenblik af, dat zij zoo krachtig,

zoo vol levenslust liep, voelde hij een onmetelijke, troostelooze

treurigheid in zich opstijgen. En toch had hij haar lief met een

vurige broederlijke toegenegenheid, had een grenzeloos geluk zich

van hem meester gemaakt, toen hij zag, dat zij niet meer leed. Waarom

veroorzaakte dan haar geluk hem zoo'n angstgevoel? Hij kon haar, nu

zij daar in tranen en stralend in haar herwonnen en vollere schoonheid

geknield lag, niet zien zonder dat zijn arm hart als uit een doodelijke

wonde bloedde. Toch wilde hij blijven, maar hij wendde zijn blikken af

en trachtte zijn aandacht te bepalen bij pater Massias, die nog altijd

lag te snikken en wiens verterende illusie van de goddelijke liefde,

waarin hij zichzelf geheel vernietigde en één werd met het geloof,

hij benijdde. Een oogenblik scheen hij zelfs met bewondering te kijken

naar een banier, waarover hij aan Berthaud inlichtingen vroeg.

"Welke bedoelt u? Die banier van kant?"

"Ja, die daar links."

"Dat is een geschenk van Le Puy. De wapens erop zijn die van Le Puy

en Lourdes, verbonden door den Rozenkrans... De kant is zoo fijn,

dat je de heele banier in de holte van je hand zoudt kunnen houden."

Maar abbé Judaine kwam naar voren. Weer dreunde het orgel; een lied

werd gezongen, terwijl het Heilige Sacrament als de koning-ster

was tusschen het gefonkel der gouden en zilveren harten, die even

talrijk als de hemellichamen waren. Pierre voelde geen kracht meer

in zich om langer te blijven. Nu Marie toch madame de Jonquière en

Raymonde had, om haar naar het Hôpital terug te brengen, kon hij

wel gaan en verdwijnen in een donker hoekje, waar hij eindelijk zou

kunnen uithuilen. Met een enkel woord verontschuldigde hij zich en

gaf zijn afspraak met dr. Chassaigne als voorwendsel. Doch toen hij

zag, hoe een dicht opeengepakte menigte de deur versperde, begreep

hij niet, hoe hij eruit moest komen; maar dan kreeg hij ingeving,

ging de sacristie door en daalde langs de smalle trap in de Crypt af.

Plotseling omving hem daar na de jubelende stemmen en den wondermooien

glans boven een diepe stilte, een donkerte als van een graf. De in de

rots uitgehouwen Crypt bestond uit twee nauwe, door de fundamenten,

welke het schip droegen, gescheiden gangen, welke onder de apsis

naar een onderaardsche kapel leidden, die dag en nacht door kleine

lampjes verlicht werd. In het donkere bosch van pilaren heerschte een

mystieke ontzetting te midden van het halfdonker, waarin het mysterie

huiverde. De muren waren kaal, als de steen zelf van het graf, waarin

ieder mensch zijn laatsten slaap moet slapen. Langs de gangen zag men

tegen de muren, die van boven tot beneden bedekt waren met marmeren

votiefplaten, niets dan een dubbele rij biechtstoelen, want in deze

doodelijke stilte der aarde biechtte men. Er waren priesters, die

alle talen spraken, om den zondaren, die daar uit alle hoeken der

wereld kwamen, hun zonden te vergeven.

Op dit uur, terwijl de menigte zich daarboven verdrong, was de Crypt

geheel verlaten; en in die groote stilte, en in die donkerte, in

deze grafkilte viel Pierre op zijn knieën. Niet omdat hij behoefte

gevoelde om te bidden, of God te vereeren, maar omdat onder de

geestelijke marteling, die hem gebroken had, zijn geheele wezen

vernietigd was. Een kwellende dorst verteerde hem, om duidelijk in

zijn binnenste te zien. O, waarom kon hij nog niet dieper wegzinken

in het niet der dingen, nadenken, begrijpen, rust vinden eindelijk?

Hij maakte een vreeselijken strijd door. Hij trachtte zich iedere

minuut weer voor den geest te roepen, sedert Marie, plotseling van haar

lijdenssponde verrezen, haar kreet van wederopstanding uitgestooten

had! Waarom toch had hij toen, ondanks zijn broederlijke vreugde,

dat hij haar weer op den been zag, zoo'n bittere, stekende pijn in

zich voelen opstijgen, alsof een doodelijk ongeluk hem getroffen

had? Was hij dan jaloersch op de goddelijke genade? Leed hij eronder,

dat de Heilige Maagd, die haar genas, hem vergeten had, hem, wiens

ziel zoo ziek was? Hij herinnerde zich het laatste uitstel, dat hij

zich gegeven had, de uiterste en laatste afspraak, die hij met het

geloof gemaakt had voor het oogenblik, dat het heilige Sacrament

voorbij gedragen zou worden en wanneer Marie genezen was; nu was

zij genezen en hij geloofde nog altijd niet, en voor de toekomst had

hij geen hoop meer ook, want hij zou nooit meer gelooven. Dat was de

bloedende, doodelijke wonde. In wreede en verblindende duidelijkheid

stond die zekerheid hem voor oogen, dat zij genezen en hij verloren

was. Dit zoogenaamde wonder, dat haar tot een nieuw leven wekte, had

in hem voor goed alle geloof in het bovennatuurlijke gedood. Wat hij

een oogenblik gedroomd had, n.l. te Lourdes te gaan zoeken naar en

misschien terug te vinden het naïeve geloof, het gelukkige geloof van

een klein kind, dat was nu niet meer mogelijk: zijn geloof kon niet

meer opbloeien nu het wonder geen wonder meer was, nu de genezing zich

punt voor punt voltrokken had, zooals zij door Beauclair voorspeld

was. Jaloersch, o neen, maar geheel verwoest, ellendig wanhopig, dat

hij zoo alleen in de ijskoude woestijn van zijn verstand, vergeefs zou

blijven terugverlangen naar de illusie, den leugen, de hemelsche liefde

der armen van geest, die in zijn hart geen plaats meer vinden kon.

Een vloed van bitterheid deed Pierre bijna stikken, tranen sprongen

in zijn oogen. Vernietigd door zijn zielebenauwenis was hij languit

op den grond neergevallen. En hij herinnerde zich nu die heerlijke

oogenblikken, die begonnen waren met den dag, waarop Marie, die de

marteling van zijn twijfel geraden had, zich zoo met haar heele hart

gegeven had aan zijn bekeering, in het donker zijn hand genomen en

in de hare gehouden en zachtkens gestameld had, dat zij voor hem zou

bidden, o! met heel haar ziel. Zichzelf vergat zij, zij smeekte de

Heilige Maagd liever haar vriend te redden dan haar zelf, wanneer

zij van haar goddelijken Zoon slechts één genade kon verkrijgen. Dan

steeg een andere herinnering in hem op; de kostelijke uren, die

zij samen hadden doorgebracht onder den dichten nacht der boomen

gedurende het voorbijtrekken der fakkelprocessie. Ook daar weer

hadden zij voor elkaar gebeden, waren zij met een zoo vurigen wensch

voor hun wederkeerig geluk in elkaar opgegaan, dat zij een oogenblik

den diepen grond van die liefde hadden aangeraakt, welke zich geheel

geeft en zich geheel opoffert. En nu eindigde hun lange, door tranen

gedrenkte toegenegenheid, de reine idylle van hun gemeenschappelijk

lijden met deze wreede scheiding: zij genezen en stralend te midden

van de lofzangen der triompheerende Basilica; hij verloren, snikkend

van wanhoop en vertwijfeling in de duisternis van de Crypt, in een

ijskoude grafeenzaamheid. Het was, alsof hij haar voor een tweede

maal verloren had, en nu voor altijd!

Plotseling voelde Pierre den dolksteek, dien deze gedachte midden in

zijn hart toebracht. Hij begreep eindelijk zijn lijden; in hem werd

een licht ontstoken, dat de vreeselijke crisis, waarin hij worstelde

en ineenkromp, in scherpe omtrekken voor hem uitkomen deed. De eerste

maal had hij Marie verloren, toen hij priester geworden was en tegen

zichzelf zeide, dat hij van zijn man-zijn afstand kon doen, omdat

zij zelf nooit vrouw zijn zou, nu door een ongeneeslijke ziekte haar

geslachtsleven vernietigd was. En nu was zij genezen, werd zij vrouw,

nu had hij haar plotseling sterk, mooi, van levenslust, begeerlijk en

vruchtbaar gezien! Hij was dood, kon geen man weer worden. Nooit zou

het hem gelukken den grafsteen af te wentelen, die op hem drukte en

zijn vleesch doodde. Zij alleen ontsnapte uit het graf en liet hem in

de koude aarde achter. De wijde wereld opende zich weer voor haar,

het glimlachend geluk, de liefde, die lacht op bezonde wegen, een

man, kinderen, terwijl hij, die als het ware tot aan zijn schouders

begraven was, alleen nog zijn verstand over hield, om nog meer te

lijden. Zij was nog de zijne, toen zij aan geen ander toebehoorde,

en slechts daarom leed hij dit laatste uur zoo verschrikkelijk,

slechts daarom werd hij ten doode toe gemarteld, omdat zij nu voor

de tweede maal aan hem ontrukt, nu voor goed van hem gescheiden werd.

Een razende woede greep hem aan. Hij voelde de verleiding in

zich opkomen weer naar boven te gaan, Marie de waarheid toe te

schreeuwen. Het wonder--een leugen! De barmhartige liefde van

een almachtig God--enkel en alleen zinsbedrog. De natuur alleen

was hier werkzaam geweest, het leven had nogmaals overwonnen. En

hij zou bewijzen gegeven hebben, haar hebben aangetoond, dat

het leven onbeperkt heerscht en door al het aardsche lijden de

gezondheid herstelt. Maar een plotselinge angst maakte zich van hem

meester. Wat? Wilde hij aan deze kleine, blanke ziel raken, in haar

het geloof dooden, ook haar geloofsvertrouwen in puin doen storten,

puin, waaronder hij zelf verpletterd was? Het scheen hem plotseling

een schandelijke heiligschennis toe. Later, wanneer hij zichzelf

zou moeten bekennen, niet in staat te zijn haar een dergelijk

geluk terug te geven, zou hij een afschuw van zichzelf krijgen,

denken, dat hij haar vermoord had. Misschien zou zij hem zelfs niet

gelooven. Trouwens zou zij, die eeuwig de onvergetelijke zaligheid

in zich voelde in geloofsverrukking genezen te zijn, zou zij ooit een

afvallig en meineedig priester huwen? Dat alles leek hem waanzinnig,

tegennatuurlijk, onteerend. Reeds werd zijn verzet minder; hij voelde

nog slechts een onzegbare moeheid en in zijn arm, verpletterd en

verscheurd hart de brandende pijn van een ongeneeslijke open wonde.

In zijn verlatenheid, in het niet, waarin hij zich naar alle kanten

wentelde, werd hij nu nog door een laatsten strijd gemarteld. Wat moest

hij doen? Hij zou hebben willen vluchten, Marie niet meer terugzien,

laf als het lijden hem gemaakt had. Want hij begreep heel goed, dat

hij, nu zij in den waan verkeerde, dat hij met haar gered, bekeerd,

geestelijk genezen was, zooals zij lichamelijk, zou moeten liegen. Zij

had hem, toen zij haar wagentje naar boven reed, gezegd hoe gelukkig

zij was. O, hoe anders zou het zijn, als zij samen dat geluk gehad

hadden, als zij hun zielen in elkaar hadden voelen opgaan. Hij had

reeds gelogen, zou gedwongen zijn altijd te liegen, om haar die mooie,

reine illusie niet te ontnemen. Hij legde het laatste heftige kloppen

van zijn aderen het zwijgen op en zwoer de verheven barmhartigheid

te hebben vrede te huichelen, verrukking over zijn genezing te

veinzen. Hij wilde, dat zij volkomen gelukkig was, zonder spijt,

zonder twijfel, in de volle verzekerdheid des geloofs, overtuigd,

dat de Heilige Maagd in hun volkomen mystiek één-zijn toegestemd

had. Wat beteekende het, of hij daardoor gemarteld werd? Later zou

zijn wond misschien wel heelen. En zou in de troostelooze eenzaamheid,

waartoe zijn verstand hem veroordeelde, haar vreugde hem niet een

weinig verlichting schenken, die vreugde, wier leugenachtige troost

hij haar laten zou?

Minuten verliepen, en nog altijd bleef Pierre als vernietigd op den

grond liggen, om zijn koorts tot bedaren te brengen. Hij dacht niet

meer, hij voelde in de verslapping van zijn geheele wezen, die steeds

op een hevige crisis volgt, niet meer, dat hij leefde. Doch daar

meende hij stappen te hooren klinken; met moeite stond hij op en deed

alsof hij de votiefplaten las, de in de marmeren steenen gegraveerde

opschriften. Maar hij had zich vergist, er was niemand; desniettemin

bleef hij voortlezen, eerst werktuigelijk en als om een afleiding te

hebben, dan echter door een nieuwe gemoedsbeweging medegesleept.

Het spotte met iedere verbeelding. Geloof, aanbidding en dankbaarheid

waren op die honderden en duizenden marmeren platen in gouden letters

tot uitdrukking gebracht. Er waren er bij, die in hun naïeveteit hem

tot een glimlach dwongen. Een kolonel had zijn voet laten uitbeitelen

met de woorden: "Gij hebt hem genezen, moge hij u dienen!" Verderop

las hij: "Dat haar bescherming zich over de glasblazerskunst

uitstrekke!" Ook kon men aan de onnoozele vrijmoedigheid der

dankbetuigingen de vreemde vragen raden, die gedaan waren: "Aan de

Onbevlekte Maria van een huisvader voor zijn herkregen gezondheid,

zijn gewonnen proces en zijn spoedige promotie." Maar dat alles ging

verloren in het concert der vurige kreten, die opstegen. Jonggehuwden

smeeken: "Paul en Anna vragen den zegen van Notre-Dame de Lourdes

op hun huwlijk." Moeders roepen: "Dank aan Maria, driemaal heeft zij

mijn kind genezen!"--"Dank voor de geboorte van Maria-Antoinette, die

ik zoowel als mijzelf en de mijnen aan haar toewijd."--"De driejarige

P. D. is voor de liefde der zijnen gespaard gebleven." Echtgenooten,

genezen zieken, aan het geluk teruggegeven zielen roepen: "Bescherm

mijn man; geef, dat hij gezond blijve!"--"Ik was lam aan beide

beenen en ben genezen!"--"Wij zijn gekomen en wij hopen."--"Ik heb

gebeden, ik heb geweend, en zij heeft mij verhoord." En nog meer,

nog andere kreten vol verborgen gloed, die lange romans vermoeden

deden. "Gij hebt ons vereenigd, bescherm ons."--"Aan Marie voor de

grootste der weldaden." En steeds weer kwamen dezelfde opschriften,

dezelfde woorden vol hartstochtelijk geloofsvertrouwen: dankbaarheid,

erkentelijkheid, eer, dankgebeden, dankzeggingen. O, die honderden,

die duizenden voor altijd in het marmer vastgelegde kreten, die uit

de diepte der Crypt tot de Heilige Maagd òpklonken en getuigden van

haar eeuwige vereering door die ongelukkigen, die zij geholpen had.

Maar onder het lezen, dat Pierre niet moede werd, vervulde

bitterheid zijn mond, maakte een toenemende troosteloosheid zich

van hem meester. Was hij dan de eenige, die geen hulp te verwachten

had? Was hij, waar zooveel gebeden in vervulling gingen, de eenige,

die niet verhoord zou worden? En nu dacht hij aan het buitengewoon

groot aantal gebeden, die jaar in, jaar uit te Lourdes tot God

moesten opstijgen. Hij trachtte het aantal te schatten: de dagen,

doorgebracht vóór de Grot, de nachten, doorwaakt in de Rozenkranskerk,

de ceremoniën in de Basilica, de processies in het zonlicht en in

het sterrengefonkel. Het was onberekenbaar, dat voortdurend smeeken

van alle seconden. De geloovigen wilden door de massa zelve, de

geweldige, ontzettende massa van hun gebeden Gods ooren vermoeien,

hem zoo genade en vergiffenis ontrukken. De priesters zeiden, dat

men God de door de zonden van Frankrijk geëischte zoenoffers moest

brengen en dat, wanneer de som van die zoenoffers groot genoeg was,

Frankrijk niet langer getuchtigd zou worden. Welk een hardvochtig

geloof aan de noodzakelijkheid der kastijding! Welk een gruwlijke

inbeelding van het zwartste pessimisme! Wat moest het leven slecht

zijn, dat een dergelijk smeeken, een dergelijke kreet van physieke

en moreele ellende ten hemel stijgen kon!

Doch te midden van die grenzenlooze treurigheid voelde Pierre een

diep medelijden in zich opkomen. O, hoe schokte hem deze rampzalige

menschheid, die tot zulk een bovenmatige ellende gedoemd, zóó naakt,

zóó zwak, zóó geheel aan zichzelf overgelaten was, dat zij haar

verstand over boord wierp, om het weinige geluk, dat nog mogelijk was,

te verwachten van een bedwelmenden, visionnairen droom. Weer vulden

tranen zijn oogen, hij weende om zichzelf, om de anderen, om al de

arme, gemartelde wezens, die de behoefte in zich voelen hun leed te

verdooven en in slaap te wiegen, om aan de harde werkelijkheid van

deze wereld te ontkomen. Het kwam hem voor als hoorde hij nog de voor

de Grot neergeknielde menigte haar gloeiend smeekgebed hemelwaarts

schreeuwen, menigte van twintig- en dertigduizend zielen, waaruit

een vurig verlangen opsteeg, dat men in den zonneschijn als wierook

òpwolken zag. En onder deze Crypt zelf, in de Rozenkranskerk, laaide

weer een andere geloofsverrukking op: heele nachten, doorgebracht

in het paradijs der extase, de stille zaligheid der communie, de

vurige, woordlooze gebeden, waarin de geheele ziel verteert, brandt,

vervluchtigt. En dan begon, alsof de voor de Grot oprijzende gebeden,

alsof de voortdurende aanbidding in de Rozenkranskerk niet voldoende

waren, dat vurige smeeken opnieuw om hem heen op de muren der Crypt;

maar dan werd het vereeuwigd in het marmer, zou het tot aan het einde

der dagen niet ophouden het lijden der menschheid uit te schreeuwen;

hier bad het marmer, baden de muren, aangegrepen door de huivering

van het universeele medelijden, dat zich zelfs van de steenen meester

maakte. En ten slotte stegen de gebeden hooger en nog hooger, zweefden

zij omhoog uit de stralende, boven hem dreunende Basilica, die op dit

oogenblik gevuld was met een door godsdienstwaanzin aangegrepen volk,

dat hij, door den vloer van het schip, een lied van hoop meende te

hooren uitjubelen.

Hij werd er ten slotte door medegesleept, alsof hij zich te midden van

die onmetelijke, bruisende gebedsgolf zelf bevond, die, uit het stof

van den aardbodem opborrelend, over de verdiepingen der op elkaar

gebouwde kerken hooger steeg, zich van tabernakel tot tabernakel

uitbreidde, en de muren zoo zeer tot medelijden bewoog, dat ook deze

zelf snikten, en dat die kreet van de zwartste ellende met de witte

spits, het vergulde, hooge kruis op den top der Basilica den hemel

doorboorde. O, almachtige God, o goddelijk wezen, hulpvaardige Kracht,

wie gij ook zijt, erbarm u over de arme menschheid, doe het menschelijk

lijden ophouden!

Plotseling voelde Pierre zich als verblind. Hij had de linksche

gang gevolgd en stond nu eensklaps in het volle daglicht. En

onmiddellijk werden twee armen liefdevol om zijn hals geslagen. Het

was dr. Chassaigne, die op hem stond te wachten om hem mede te nemen

naar de kamer van Bernadette en de kerk van pastoor Peyramale.

"Jongen, wat zal zij blij zijn... Ja, ik heb het groote nieuws gehoord

van de buitengewone genade, die Notre-Dame de Lourdes over je vriendin

uitgestort heeft. Herinner je je wat ik je eergisteren gezegd heb? Nu

ben ik gerust, want nu ben je zelf ook gered!"

Nog een laatste bitterheid voelde de jonge priester in zich

opkomen. Maar hij kon glimlachen en antwoordde zacht:

"Ja, wij zijn gered; ik voel mij heel gelukkig!"

De leugen begon, de goddelijke illusie, die hij uit barmhartigheid

aan anderen gaf.

Doch nog een schouwspel werd Pierre niet onthouden. De beide vleugels

van de hoofddeur stonden wijd open, de bloedroode zonnestralen vulden

het schip van het eene einde tot het andere. Alles laaide op in

een fellen brandgloed, het vergulde koorhek, de gouden en zilveren

geloftegiften, de in diamanten gevatte lampen, de banieren met hun

lichte kleuren, de wierookvaten, die gezwaaid werden en op vliegende

juweelen geleken. En achter in die fonkelende schittering zag hij

tusschen de sneeuwwitte koorhemden en de gouden misgewaden Marie

met haar loshangende lokken, haar gouden lokken, die haar als met een

gouden mantel omgolfden. Het orgel jubelde uit in een triomphantelijken

lofzang, het razende volk juichte tot God en abbé Judaine, die op

het altaar het Heilige Sacrament weer genomen had, hief het voor

een laatste maal hoog en glanzende als in een stralenkrans op in de

van goud druipende Basilica, wier klokken naar alle windstreken den

triomf van het wonder uitdreunden.

De drie steden: Lourdes · 第 32 / 41 题