II.

Dien Maandag was de toeloop naar de Grot reusachtig groot. Het was de

laatste dag, dien de nationale bedevaart te Lourdes zou doorbrengen;

en pater Fourcade had in zijn herderlijken lastbrief van dien

ochtend gezegd, dat men de hoogste kracht van liefde en geloof moest

ontwikkelen, om van den hemel al de genade en wonderdadige genezingen

te verkrijgen, die hij in zijn goedheid zou willen geven. Van af twee

uur in den middag waren dan ook twintigduizend koortsachtig opgewonden

pelgrims, door de vurigste verwachtingen bezield, aanwezig. Van minuut

tot minuut groeide de stroom zóó aan, dat baron Suire angstig uit de

Grot naar Berthaud kwam.

"Wij zullen overstroomd worden, vriendlief... Verdubbel de ploegen

en breng de mannen wat nader bij."

De Hospitalité de Notre-Dame du Salut was alleen met het bewaren der

orde belast, er waren noch veldwachters noch politie-agenten. Vandaar

dat baron Suire zich zoo ongerust maakte. Maar Berthaud was in zulke

gevallen een man, naar wiens woord geluisterd werd, wiens kalme

energie vertrouwen inboezemde.

"Stel u maar gerust, ik sta voor alles in... Ik ga hier niet vandaan

voor de processie van vier uur afgeloopen is."

Intusschen gaf hij Gérard een wenk bij hem te komen.

"Geef aan je mannen het strengste consigne. Alleen de personen, die

een kaart hebben, mogen passeeren. Houd ze goed bij elkaar en zeg hun,

dat ze het touw goed vasthouden!"

Onder de klimop, die de rots bedekten, opende zich de Grot en glansde

in den eeuwigen gloed van haar kaarsen. Uit de verte leek zij wat

gedrukt, onregelmatig, te eng en te bescheiden door den ademtocht

der oneindigheid, die eruit kwam, de gezichten verbleekte en alle

hoofden buigen deed. Het beeld der Heilige Maagd was niet meer dan een

witte vlek, die zich in de bevende, door de kleine, gele vlammetjes

verhitte lucht scheen te bewegen. Men moest op zijn teenen gaan staan,

wilde men achter het hek het zilveren altaar, het van zijn hoes ontdane

harmonium, de hoop op elkaar geworpen bloemruikers en de geloftegiften,

die de berookte wanden kakelbont versierden, kunnen zien. Het weer

was schitterend mooi, nooit nog had een helderder hemel zich over de

onmetelijke menigte gewelfd: na het onweder van den nacht, dat de te

drukkende hitte der twee eerste dagen verjaagd had, was het zachte

koeltje heerlijk verfrisschend.

Gérard moest van zijn ellebogen gebruik maken, om zijn bevelen te

herhalen. Reeds ontstond er hier en daar gedrang.

"Nog twee man hier! Stelt je desnoods in rijen van vier op en houdt

het touw goed vast!"

In de menigte openbaarde zich een onoverwinlijke, instinctmatige

drang: de twintigduizend menschen werden als het ware tot de Grot

aangetrokken; zij gingen er heen, gedreven door een onweerstaanbare

kracht, waarin een brandende nieuwsgierigheid zich paarde aan een

onleschbare dorst naar het mysterie. Aller blikken concentreerden

zich op, aller monden, aller handen, aller lichamen werden getrokken

naar den bleeken vlammenglans der kaarsen, naar de witte, bewegende

vlek der marmeren Maagd. Om de breede voor de zieken gereserveerde

ruimte voor het hek voor dezen vrij te houden, had men die met een

dik touw moeten omgeven, dat de brancarddragers op tusschenruimten

van twee of drie meter met hun beide handen vasthielden. Deze hadden

het consigne alleen de zieken, die een kaart der Hospitalité hadden,

en de enkele personen, die van een speciale autorisatie voorzien

waren, door te laten. Zij lichtten het touw dan wat op en lieten het

onverbiddelijk voor iedere smeekbede achter de uitverkorenen weer

zakken. Zelfs traden zij eenigszins ruw op, daar zij er onbewust een

genoegen in vonden het gezag uit te oefenen, waarmede zij voor één

dag bekleed waren. Maar tevens dient erkend te worden, dat ze het

dikwijls hard te verantwoorden hadden en zij elkaar steunen, met al

hun kracht weerstand bieden moesten, om niet meegesleurd te worden.

Terwijl de banken voor de Grot en de gereserveerde ruimten zich met

ziekenwagentjes en draagbaren vulden, bleef de menigte, de onmetelijke

menigte in de buurt ronddwalen. Zij begon bij de place du Rosaire en

strekte zich over den geheelen boulevard langs den Gave uit; in zijn

geheele lengte was het trottoir zwart van de menschen, een zóó dichte

menschengolf, dat het verkeer er door gestremd werd. Op de borstwering

zat een eindelooze rij vrouwen--ja er stonden er zelfs enkelen--om

beter te kunnen zien, en liet de zijde van haar parasols, lichte,

feestelijk vroolijke zijde, in de zon vlammen. Men had een allée

vrij willen houden, om de zieken te transporteeren, maar telkens

werd zij weer overstroomd en versperd, zoodat de wagentjes en de

draagbaren moesten blijven staan, tot dat een brancarddrager ze kwam

bevrijden. Maar de groote, rondtrappelende kudde was zeer meegaande

en gewillig als lammeren; men behoefde slechts hun onwillekeurig

opdringen naar de brandende kaarsen te keer te gaan. Nooit was er een

ongeluk voorgekomen ondanks de steeds toenemende opwinding, die uit

de menigte opsteeg en haar in een teugelloos geloofsdelirium bracht.

Opnieuw baande baron Suire zich een weg door de menigte.

"Berthaud, Berthaud! Laat de menschen toch niet zoo haastig zijn... In

dat gedrang zouden vrouwen en kinderen onder den voet geraken!"

Ditmaal werd Berthaud wat ongeduldig.

"Maar ik kan toch niet overal tegelijk zijn... Sluit het hek voor

een oogenblik, als het noodig is."

Het ging om de menigte, die men gedurende den geheelen middag om de

Grot defileeren liet. De geloovigen kwamen door de linkerdeur naar

binnen en gingen door de rechter weer naar buiten.

"Het hek sluiten!" riep de baron uit. "Dat zou de zaak nog maar erger

maken; de menschen zouden er elkaar dood tegen drukken!"

Toevallig was Gérard in de buurt, die even praatte met Raymonde,

welke met een kop bouillon voor een arme vrouw in haar hand aan de

andere zijde van het touw stond. Berthaud droeg den jongen man op

twee man bij de ingangsdeur van het hek te plaatsen met het consigne

de pelgrims met niet meer dan tien tegelijk door te laten gaan. Toen

Berthaud zijn opdracht uitgevoerd had en terugkwam, was Berthaud met

Raymonde aan het lachen en schertsen. Zij ging weg en de twee neven

keken naar haar, terwijl zij de lamme liet drinken.

"Een bekoorlijk meisje, en het staat vast, dat je met haar trouwt,

niet?"

"Ik zal vanavond met haar moeder spreken. Ik reken erop, dat u met

me meegaat!"

"Natuurlijk... Je weet wat ik je gezegd heb: het is het verstandigste

wat je doen kunt. Haar oom zal je, voor het zes maanden verder is,

een mooi baantje bezorgen."

Door het gedrang werden zij gescheiden. Berthaud ging zich persoonlijk

overtuigen of het défilé in de Grot nu ordelijker geschiedde. Uren

lang was het dezelfde onafgebroken stroom mannen, vrouwen en kinderen,

een stroom van al degenen, die uit de geheele wereld naar de Grot

gekomen waren. Alle standen waren er dan ook bijeen, bedelaars in

lompen naast welgestelde burgers, boerinnen, naar de nieuwste mode

gekleede dames, dienstmeisjes zonder hoed, kinderen op bloote voeten

en meisjes met pommade in het haar, dat vastgehouden werd door een

lint. De toegang was vrij, het mysterie stond open voor allen, voor

geloovigen en ongeloovigen, voor hen, die alleen door nieuwsgierigheid

gedreven werden en voor hen, die er met een hart vol liefde en geloof

kwamen. Maar bijna allen waren even zeer onder den indruk en voelden

zich in dien zwoelen wasgeur benauwd door de zware tabernakellucht,

die zich onder de rots verzamelde, terwijl zij, uit vrees op de

ijzeren roosters uit te glijden, naar hun voeten keken. Velen wisten

niet meer, wat zij doen moesten, bogen niet voor het altaar, keken

maar rond naar alles met de kinderlijke onrust van onverschilligen,

die in het onbekende inwendige van een heiligdom verdwaald zijn. Maar

de vromen maakten het teeken des kruises, wierpen dikwijls een brief

in de Grot, legden bloemruikers en kaarsen neder, kusten de rots

aan de voeten der Heilige Maagd, of wreven daartegen rozenkransen,

medailles en andere dergelijke dingen, welke door die aanraking alleen

reeds gewijd werden. En het défilé ging door, zonder ophouden door,

dagen, maanden, jaren lang; het leek alsof de geheele wereld in dat

rotshoekje kwam, alle menschelijke ellende, alle menschelijk lijden

scheen er achter elkaar door te trekken en in dien gehypnotiseerden,

aanstekelijken rondgang naar het geluk te komen zoeken.

Toen Berthaud geconstateerd had, dat overal nu alles geregeld en

ordelijk zijn gang ging, liep hij als eenvoudig toeschouwer rond

om zijn mannen te controleeren. Het eenige, waar hij zich ongerust

over bleef maken, was de processie van vier uur, gedurende welke

zich steeds zulk een razende opgewondenheid openbaarde, dat er

steeds ongelukken te duchten waren. En deze laatste dag beloofde,

te oordeelen naar de huivering van een overspannen geloof, die

hij reeds uit de menigte voelde opkomen, een der ergste te zullen

worden. De opwinding steeg tot haar hoogste punt; alles werkte samen:

de koortsachtige reis, de obsessie van dezelfde steeds weer herhaalde

liederen, dezelfde hardnekkig volgehouden godsdienstige oefeningen,

de onophoudelijke gesprekken over de wonderen en de steeds op den

goddelijken vlammengloed der Grot gerichte idée fixe. Vele pelgrims

hadden in geen drie nachten geslapen, waren in een toestand van

door visioenen bezocht waken gekomen, liepen in een droom, die

haar opwinding nog meer aanwakkerde. Geen rust werd hun gelaten,

de onophoudelijke gebeden waren als een zweep, die hun zielen

striemde. Nooit hielden de aanroepingen der Heilige Maagd op, de eene

priester na den anderen beklom den kansel, schreeuwde het algemeene

lijden uit, leidde de wanhopige smeekbeden der menigte gedurende den

geheelen tijd, dat de zieken zaten voor het witte marmeren beeld,

dat met gevouwen handen en ten hemel gerichte blikken glimlachte.

Op dat oogenblik werden de oefeningen van uit den wit-steenen

kansel, die rechts van de Grot tegen de rots stond, geleid door

een priester uit Toulouse, dien Berthaud kende en naar wien hij een

oogenblik met een goedkeurend knikje bleef staan luisteren. Het was

een dikke man met een brouwende stem en beroemd door zijn oratorische

successen. Overigens bestond hier de geheele welsprekendheid in sterke

longen, in een heftige manier om den zin, den kreet, die de menigte

herhalen moest, uit te stooten, want het was niet veel meer dan een

door Avé's en Pater's onderbroken geschreeuw.

De priester, die den rozenkrans afgebeden had, trachtte zich op zijn

korte beenen grooter te maken en begon nu, de inspiratie van het

oogenblik volgend, aan de litanieën.

"Maria, wij hebben u lief!"

En de menigte herhaalde met zachter, verlegen en gebroken stem:

"Maria, wij hebben u lief!"

En nu hield het niet meer op. De stem van den priester klonk luid,

de stem der menigte herhaalde in een smartelijk stamelen:

"Maria, gij zijt onze eenige hoop!"

"Maria, gij zijt onze eenige hoop!"

"Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!"

"Reine Maagd, maak ons reiner onder de reinen!"

"Heilige Maagd, red onze zieken!"

"Heilige Maagd, red onze zieken!"

Soms, wanneer zijn fantasie even te kort schoot, of hij een kreet nog

dieper in de ziel der menigte wilde doen dringen, herhaalde hij dien

driemaal, terwijl de schare, volgzaam, hem eveneens driemaal herhaalde,

huiverend onder de prikkeling van die hardnekkige jammerklacht,

die haar opwinding nog meer deed toenemen.

De litanie duurde voort en Berthaud keerde naar de Grot terug. Zij,

die in de Grot zelf defileerden, kregen, zoodra zij tegenover de zieken

kwamen, een buitengewoon schouwspel te zien. De geheele groote ruimte

tusschen de touwen was gevuld door de duizend à twaalfhonderd zieken,

die met de nationale bedevaart medegekomen waren en onder den wijden

blauwen hemel en op dezen schitterenden dag het hartbeklemmendste

mengelmoes vormden, dat men zich denken kan. De drie ziekenhuizen

hadden hun zalen van verschrikking geledigd. Het verst weg zag men

het eerst op de banken hen, die nog zitten konden. Toch waren velen

nog in kussens gestopt; leunden anderen tegen elkaar aan, waarbij de

sterksten de zwaksten steunden. Vervolgens lagen voor de Grot zelf de

zieken uitgestrekt; de steenen verdwenen onder die jammerlijke golf,

dien grooten, stilstaanden poel van ellende en verschrikking. Er was

daar een onbeschrijflijke opeenhooping van wagentjes, draagbaren en

matrassen. Sommigen richtten zich in hun kleine karretjes, die veel

op doodkisten geleken, op en staken dan boven de anderen, die gewoon

op den grond lagen, uit. Er waren er die, gekleed, zich eenvoudig

op het geruite linnen van hun matrassen hadden uitgestrekt. Anderen

had men in hun beddegoed gebracht, zoodat men niets zag dan hun

hoofd en hun magere handen, die buiten de dekens uitstaken. Slechts

weinige bedden waren zindelijk. Enkele hagelwitte kussens, als een

laatste bewijs van ijdelheid met borduurwerk voorzien, staken scherp

af tegen de vuile ellende der andere, tegen de uitgepakte lompen,

de versleten dekens, de met vlekken bezoedelde lakens. En dat alles

was op elkaar geschoven, opgestapeld al naar gelang het gekomen was:

vrouwen, mannen, kinderen, priesters, gekleeden en ongekleeden lagen

in het verblindend helle daglicht schots en scheef door elkaar heen.

En alle ziekten waren vertegenwoordigd: het geheele défilé,

dat tweemaal per dag uit de hospitalen door het verbijsterde

Lourdes trok. Door een eczeem weggevreten hoofden, met uitslag

bedekte voorhoofden; neuzen en monden, die de elephantiasis tot

gedrochtelijke snuiten gemaakt had; als waterzakken opgeblazen

waterzuchtigen; rheumatieklijders met verdraaide handen en als met

lompen volgepropte zakken opgeblazen voeten; een waterhoofd, dat door

zijn vreeselijke zwaarte achterover hing; van koorts rillende, door

dysenterie uitgeputte, lijkkleurige, broodmagere teringlijdsters;

misvormde heupen; omgekeerde armen; scheefgegroeide halzen;

arme gemartelde wezens, onbeweeglijk in de houding van tragische

ledepoppen; ongelukkige rhachitische meisjes, die haar waskleurigen

tint, haar magere, door koude tumoren aangevreten hals lieten zien;

gele, wezenlooze vrouwen in de pijnlijke verstijving van ongelukkigen,

die de kanker doet wegteren; anderen, doodsbleek en zich niet bewegen

durvend uit vrees voor een schok van de gezwellen, wier benauwende

beklemming haar bijna stikken deed; dooven, die niets hoorden en

toch zongen; blinden, die urenlang staarden naar het beeld der Maagd,

dat zij niet zien konden. Ook was er nog de kindsche, idiote vrouw,

wier neus door den een of anderen tumor weggevreten was, en die

met haar leegen, zwarten mond haar verschrikkelijken lach lachte;

ook was er nog de epileptica, die doodsbleek was en wie het schuim

op den mond stond van haar laatsten aanval.

Maar ziekte noch lijden hadden hier eenige beteekenis meer, sedert zij,

zittend of liggend, hun oogen op de Grot gevestigd hielden. De arme,

uitgeteerde, aardkleurige gezichten werden verheerlijkt, begonnen te

branden van hoop. Door gewrichtsrheumatiek stijve handen vouwden zich,

zware oogleden vonden nog de kracht zich te openen; zwakke, toonlooze

stemmen herleefden bij de aanroepingen van den priester. In den beginne

was het niet meer dan onduidelijk gestamel, als zachte zuchtjes, die

hier en daar uit de menigte òpwoeien. Dan steeg de kreet op, zwol aan,

sleepte de menigte zelf van het eene einde van het reusachtige plein

naar het andere mede.

"Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!" schreeuwde de priester

met zijn donderende stem.

En de zieken en de pelgrims herhaalden al luider en luider:

"Maria, ontvangen zonder zonde, bid voor ons!"

Dan volgde in steeds sneller tempo:

"Reine Moeder, kuische Moeder, uw kinderen liggen aan uw voeten!"

"Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!"

"Koningin der Engelen, zeg één woord en onze zieken worden genezen!"

Mijnheer Sabathier zat op de tweede rij naast den kansel. Hij had er

zich vroeg heen laten brengen, daar hij een goed plaatsje wilde hebben

en als oud bezoeker der Grot de beste hoekjes kende. Bovendien scheen

het hem van groot belang om zoo dicht mogelijk in de nabijheid der

Heilige Maagd te zijn, alsof zij er behoefte aan had haar getrouwe

geloovigen te zien, om ze niet te vergeten. Sedert de zeven jaar,

dat hij kwam, voedde hij slechts deze hoop: haar aandacht te trekken,

haar eindelijk te vermurven, zijn genezing te verkrijgen, zoo niet

naar keuze, dan toch naar ancienniteit. Daartoe had hij slechts

geduld noodig, zonder dat de vastheid van zijn geloof ook maar in

het minst geschokt werd. Maar als arm berustend man, die het een

beetje moe werd telkens uitgesteld te worden, liet hij zich dikwijls

afleiden. Hij had weten te bewerken, dat zijn vrouw bij hem bleef;

zij zat nu op een vouwstoeltje naast hem; hij vond het prettig met

haar te praten en haar deelgenoote te maken van zijn overpeinzingen.

"Licht mij een weinig in de hoogte... Ik glijd naar beneden en zit

niet goed."

Hij zat in zijn broek en in een grof wollen jas op een matras en

leunde met zijn rug tegen een omgevallen stoel.

"Is het nu beter?" vroeg madame Sabathier.

"Ja, ja!"

Dan werd zijn aandacht getrokken door broeder Isidore, dien men ten

slotte toch naar de Grot gebracht had en die nu op een matras naast

hem lag; de deken had hij tot zijn kin opgetrokken; alleen zijn handen

lagen gevouwen op het laken.

"De arme kerel!... Het is heel onvoorzichtig, maar de Heilige Maagd

is zoo machtig, wanneer zij wil."

Hij wilde weer aan zijn rozenkrans beginnen, toen hij madame Maze zag,

die zoo mager en zoo stil binnen de gereserveerde ruimte geslopen

was, dat zij zeker onopgemerkt onder het touw door gekropen was. Zij

zat op het einde der bank; maar nam niet meer plaats in dan een zoet,

zich niet bewegend meisje. Haar lang gezicht met de vermoeide trekken,

haar twee-en-dertig jaar van verlepte, voor haar tijd verwelkte vrouw,

drukten een grenzenlooze droefheid, een eindelooze troosteloosheid uit.

"Die dame bidt voor de bekeering van haar man," begon mijnheer

Sabathier weer fluisterend, terwijl hij met een beweging van zijn

kin op haar wees. "Je hebt haar vanochtend in een winkel ontmoet."

"Ja, ja," antwoordde madame Sabathier. "En toen heb ik met een andere

dame gesproken, die haar kent... Haar man is handelsreiziger. Hij is

nu al in geen zes maanden thuis geweest en gaat met allerlei vrouwen

uit. O, een heel vroolijke en aardige jongen moet het zijn, die het

haar niet aan geld laat ontbreken. Maar zij is dol op hem en kan zich

er niet in schikken, dat zij zoo door hem verlaten wordt; en nu komt

zij de Heilige Maagd vragen hem aan haar terug te geven... Op dit

oogenblik moet hij met twee dames te Luchon zijn, de zusters..."

Met een gebaar viel mijnheer Sabathier haar in de rede. Hij keek

naar de Grot en werd weer de intellectueel, de oude professor, dien

kunstquaesties vroeger hartstochtelijk geïnteresseerd hadden.

"Kijk," zeide hij, "ze hebben de Grot bedorven door haar te mooi te

willen maken. Ik ben er vast van overtuigd, dat zij in haar vroegeren

woesten staat veel mooier was. Zij heeft haar karakter verloren... En

wat een leelijken winkel hebben ze daar links neergeplakt."

Maar hij kreeg berouw over zijn verstrooidheid. Zou misschien in

dien tijd de Heilige Maagd niet een ander, die vuriger bad en zich

beter gedroeg dan hij, uitverkiezen? Ongerust keerde hij weer tot

zijn bescheidenheid en geduld terug en wachtte gedachteloos en met

wezenlooze oogen op wat de hemel over hem beschikken zou.

Trouwens de luide roep van een nieuwe stem bracht hem ook terug in

dien toestand van verootmoediging, waarin de geleerde denker, die hij

vroeger geweest was, in hem stierf. Een andere geestelijke stond nu

op den preekstoel, een capucijner ditmaal, wiens zwaar keelgeluid de

menigte huiveren deed.

"Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!"

"Heilige Maagd der Maagden, zij gezegend!"

"Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!"

"Heilige Maagd der Maagden, wend uw aangezicht niet van ons af!"

"Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden

zullen opdrogen."

"Heilige Maagd der Maagden, adem op onze wonden, en onze wonden

zullen opdrogen."

De familie Vigneron was erin geslaagd zich een plaatsje te veroveren

op een punt van de eerste bank aan den kant van de hoofdallée, die

vol menschen was. Zij waren er allen: de kleine Gustave zat met zijn

kruk tusschen zijn beenen; aan den eenen kant zat zijn moeder naast

hem, die de gebeden volgde, aan den anderen kant madame Chaise,

die het in de drukte vreeselijk benauwd had, en mijnheer Vigneron,

die zwijgend naar zijn schoonzuster keek.

"Wat heb je toch?" vroeg hij haar. "Voel je je niet lekker?"

Zij haalde moeilijk adem.

"Ik weet niet wat het is... Ik voel mijn beenen niet meer en ik heb

het zoo benauwd."

Oogenblikkelijk was de gedachte bij hem opgekomen, dat de koortsachtige

opwinding en de drukte, die aan een bedevaart verbonden zijn, alles

behalve goed moesten zijn voor een hartkwaal. Zeker, hij wenschte

niemand dood, hij had nooit iets dergelijks aan de Heilige Maagd

gevraagd. Dat zij zijn wensch naar promotie door den plotselingen

dood van zijn chef, verhoord had, moest een gevolg zijn van het

feit, dat deze volgens de raadsbesluiten des hemels gedoemd was te

sterven. En zoo zou hij, wanneer madame Chaise het eerst stierf en

haar vermogen aan Gustave naliet, zich eveneens hebben te buigen

voor den wil van God, die gewoonlijk oude menschen eerder sterven

laat dan jongere. Zijn hoop was desniettemin, zij het ook onbewust,

zoo levendig, dat hij niet nalaten kon een blik te wisselen met zijn

vrouw, in wie dezelfde gedachte onwillekeurig opgekomen was.

"Gustave, schuif een beetje op zij," riep hij uit. "Je hindert

je tante."

En toen Raymonde voorbijkwam, vroeg hij:

"Zoudt u misschien niet een glas water hebben, mademoiselle. Mijn

schoonzuster dreigt flauw te vallen."

Maar madame Chaise weigerde met een gebaar. Zij werd al beter, kon

weer adem halen.

"Neen, niets, dank u... Ik ben al weer beter... Maar ik dacht heusch,

dat ik stikken zou."

Zij rilde nog van vrees, haar oogen stonden verwilderd in haar bleek

gezicht. Zij vouwde opnieuw haar handen en smeekte de Heilige Maagd

haar voor andere aanvallen te sparen en haar te genezen, terwijl het

echtpaar Vigneron weer het oude gebed prevelde, waarvoor zij naar

Lourdes gekomen waren: een gelukkige ouderdom, dien zij na een eervol

leven van twintig jaar wel verdiend hadden, en een voldoende vermogen,

om den avond van hun leven te kunnen genieten op het land. De kleine

Gustave, die met zijn scherpe oogen alles gezien en met zijn helder

verstand alles begrepen had, bad niet, maar glimlachte met zijn

onbestemd, raadselachtig glimlachje in het ijle niet. Waartoe diende

het te bidden? Hij wist, dat de Heilige Maagd hem niet zou genezen

en dat hij sterven zou.

Maar mijnheer Vigneron kon het nooit lang uithouden zonder zich met

zijn buurlieden te bemoeien. In het midden van de stampvolle allée had

men madame Dieulafay, die te laat gekomen was, neergezet. Hij verbaasde

zich over dien luxe, over die soort met witte zijde gecapitonneerde

doodkist, waarin de jonge vrouw, gekleed in een rose met kant

afgezetten peignoir, lag. Haar man, in gekleede jas, en haar zuster

in een zwart, eenvoudig, maar zeer elegant toilet stonden naast haar,

terwijl abbé Judaine, naast de zieke geknield, een vurig gebed opzond.

Toen de priester weer opstond, maakte mijnheer Vigneron een plaatsje

voor hem op de bank en veroorloofde zich de vrijheid te vragen:

"En voelt de arme jonge vrouw zich al wat beter?"

Abbé Judaine maakte een gebaar van troostelooze droefheid.

"Helaas, neen... Ik was zoo vol hoop! Ik heb de familie overgehaald

hierheen te gaan. De Heilige Maagd heeft mij twee jaar geleden een zoo

buitengewone genade bewezen door mijn arme verloren oogen te genezen,

dat ik vertrouwde nog een gunst van haar te krijgen... Enfin, ik wil

nog niet wanhopen. Wij hebben nog tijd tot morgen."

Mijnheer Vigneron keek aandachtig naar dat vrouwengezicht, waarin men

het zuivere ovaal en de prachtige oogen zag, doch dat nu wezenloos

en als een doodenmasker in de kant lag.

"Het is werkelijk heel treurig," mompelde hij.

"En als u haar verleden zomer gezien hadt!" begon de priester

weer. "Zij hebben hun kasteel te Saligny, mijn parochie, en ik dineerde

dikwijls bij hen... Ik kan haar andere zuster, madame Jousseur, de

dame in het zwart, die daar staat, niet aanzien, zonder tranen in mijn

oogen te krijgen, want zij lijkt veel op haar, maar de zieke was nog

mooier, een der schoonheden van Parijs. Vergelijk die schittering, die

verheven gratie eens bij dat arme, beklagenswaardige schepsel... Daar

krimpt je hart bij ineen. En wat een vreeselijke les!"

Hij zweeg een oogenblik. De vrome man, die hij van nature was,

zonder eenigen hartstocht en zonder scherp verstand, dat hem zijn

geloof moeilijk maakte, had een naïeve bewondering voor schoonheid,

rijkdom en macht, die hij echter nooit benijd had. Toch durfde hij

uiting geven aan een twijfel, aan iets, dat hem hinderde en hem zijn

gewone kalmte ontnam.

"Ik voor mij had liever gezien, dat zij eenvoudiger hier gekomen was,

zonder al dat vertoon van luxe, want de Heilige Maagd ziet met meer

welgevallen op de nederigen neer... Maar ik begrijp heel goed, dat

de maatschappelijke verhoudingen zoo iets noodzakelijk maken. En

dan hoeveel houden haar man en haar zuster van haar! Bedenk eens,

dat hij er zijn zaken en zij er haar mondaine genoegens voor in den

steek gelaten hebben; de gedachte dat zij haar kunnen verliezen,

maakt hen zoo van streek, dat zij altijd die vochtige oogen en die

troostelooze uitdrukking hebben, die u nu ziet. We moeten het hun dan

ook niet al te zeer verwijten, dat zij haar de vreugde geven mooi te

zijn tot haar laatste uur."

Mijnheer Vigneron knikte goedkeurend. De rijke lui hadden niet het

meeste geluk in de Grot. Dienstboden, boerinnen, arme vrouwen genazen,

terwijl dames met haar ziekten en zonder verlichting van hun lijden

teruggingen, ondanks haar giften en de dikke kaarsen, die zij lieten

branden. En ondanks zichzelf keek hij naar madame Chaise, die weer

geheel bekomen was van haar aanval en nu met een gelukzalig gelaat

zat uit te rusten.

Maar op dat oogenblik ging een beweging door de menigte en abbé

Judaine zeide nog:

"Pater Massias gaat den kansel op. Dat is een heilige, luister

naar hem!"

Men kende hem; hij kon zich niet vertoonen, zonder dat alle zieken

door een plotselinge hoop bezield werden, want men zeide, dat zijn

groote geloofsijver en zijn vroomheid de wonderen bevorderden. Hij

ging door voor een man met een teedere en toch krachtvolle stem,

die de Heilige Maagd lief had.

Alle hoofden hadden zich opgericht, en de ontroering werd nog grooter,

toen men pater Fourcade zag, die tot onder aan den kansel medegekomen

was, steunend op den schouder van zijn veel geliefden, onder allen

uitverkoren broeder; hij bleef staan om hem te hooren. Zijn jichtige

voet deed hem sinds dien ochtend veel pijn, zoodat hij veel moed

noodig had om zoo rustig te blijven staan. De toenemende geestdrift

der menigte maakte hem gelukkig, hij voorzag wonderen, opzienbarende

genezingen, tot roem van Maria en Jezus.

Pater Massias sprak niet dadelijk, toen hij op den kansel was. Hij

leek heel groot, mager en bleek met zijn ascetengelaat, dat door de

verkleurde baard nog langer scheen. Zijn oogen fonkelden, zijn groote,

welsprekende mond zette zich hartstochtelijk uit.

"Heer, red ons; wij vergaan."

En medegesleept herhaalde de menigte in een koortsachtige beweging,

die van minuut tot minuut steeg:

"Heer, red ons; wij vergaan."

Hij opende zijn armen en slingerde zijn vlammend woord, alsof hij

het uit zijn laaiend hart gerukt had, naar de menigte:

"Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!"

"Heer, als gij wilt, kunt gij mij genezen!"

"Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek

slechts één woord, en ik zal genezen worden!"

"Heer, ik ben niet waard, dat gij ingaat in mijn huis, maar spreek

slechts één woord, en ik zal genezen worden!"

Marthe, de zuster van broeder Isidore, was zachtjes begonnen te praten

met madame Sabathier, naast wie zij eindelijk was gaan zitten. Ze

hadden kennis gemaakt in het Hôpital en in de verbroedering van zooveel

lijden vertelde de dienstbode vertrouwlijk tegen de "mevrouw", hoe

ongerust zij zich over haar broer maakte, want zij zag heel goed,

dat hij op het uiterste lag. De Heilige Maagd moest zich haasten,

wanneer zij hem nog genezen wilde. Het was al een wonder, dat men

hem nog levend in de Grot gebracht had.

In haar berusting van arm, eenvoudig schepseltje weende zij niet. Maar

haar hart was zoo vol, dat de weinige woorden, die zij sprak, haar

bijna deden stikken. Dan kwam de herinnering aan het verleden als een

bruisende golf boven en met haar door het lange zwijgen schorrige stem,

stortte zij haar hart uit:

"Wij waren in Saint-Jacut, dicht bij Vannes, met ons veertienen

thuis... Hij is, zoo groot als hij was, altijd ziekelijk geweest en

daarom is hij ook bij heer pastoor gebleven, die hem eindelijk in

de Christelijke scholen heeft laten opnemen... De oudsten hebben de

boerderij genomen, maar ik wou liever gaan dienen. Ja, een dame heeft

me nou vijf jaar geleden meegenomen naar Parijs... O, hoe moeilijk

is toch het leven. Ieder heeft zoo zijn eigen kruis!"

"Zeg dat wel," antwoordde madame Sabathier, terwijl zij naar haar

man keek, die met devotie iederen zin van pater Massias herhaalde.

"En toen," vertelde Marthe verder, "hoorde ik verleden maand,

dat Isidore uit de warme landen, waar hij zendeling geweest was,

teruggekomen was en een leelijke ziekte meegebracht had... Toen ben ik

dadelijk naar hem toe gegaan, en toen zeide hij, dat hij sterven zou,

wanneer hij niet naar Lourdes ging, maar dat hij onmogelijk die reis

kon maken, omdat hij niemand had, om met hem mee te gaan... Nou, ik

had tachtig francs opgespaard en toen heb ik mijn dienst opgezegd en

zijn we samen gegaan... En dat ik zooveel van hem houd, madame, dat

komt, omdat hij, toen ik nog klein was, aalbessen voor me meebracht

uit de pastorie, terwijl mijn andere broers mij sloegen."

Zij viel weer terug in haar zwijgen. Haar gezicht was opgezwollen van

verdriet, zonder dat tranen wilden komen uit haar droeve, door het

lange waken ontstoken en brandende oogen. Zij stamelde nog slechts

onsamenhangende woorden.

"Kijk toch eens naar hem, madame... Het is om medelijden mee te

krijgen... Ach, lieve God, die arme wangen, die arme kin, dat arme

gezicht!"

Het was inderdaad een verschrikkelijke aanblik. Het hart van madame

Sabathier kromp ineen, toen zij broeder Isidore daar zoo geel, zoo

aardkleurig, zoo bedekt met het koude doodszweet zag liggen. Hij

liet alleen maar zijn gevouwen handen en zijn door enkele haren

omgeven gezicht zien; maar al schenen zijn waskleurige handen dood,

al bewoog zich op zijn lang, door pijn vertrokken gelaat geen spier

meer, de oogen leefden nog, de oogen met hun onuitbluschbare liefde,

welker vlam voldoende was om zijn stervend gelaat als van een Christus

aan het kruis te verhelderen. Nooit was het contrast van het lage

voorhoofd en de bekrompen, dierlijke uitdrukking van den boer eener-

en den hemelschen glans van dat arme, verwoeste, door het lijden

geheiligde, in den hartstochtelijken gloed van het geloof in zijn

laatste oogenblikken verheerlijkte doodenmasker anderzijds duidelijker

uitgekomen. Het lichaam was als het ware weggesmolten, hij was zelfs

geen ademtochtje meer; hij was nog slechts een blik, een licht.

Sedert men hem daar neergelegd had, had hij zijn oogen niet meer

afgewend van het beeld der Heilige Maagd. Niets anders bestond meer

voor hem. Hij zag de groote menigte niet, hoorde zelfs niet het razende

schreeuwen der priesters, de onafgebroken kreten, welke deze huiverende

menigte deden schokken. Zijn oogen alleen had hij nog, zijn oogen,

waarin een eindelooze liefde brandde en die zich vastgehecht hadden

aan de Heilige Maagd, om zich nooit meer van haar af te wenden. Zij

dronken haar in tot in den dood, in een laatste oplaaiïng van zijn wil,

om in haar op te gaan, in haar te sterven. Even ging zijn mond open;

een uitdrukking van hemelsche zaligheid ontspande zijn gelaat. Dan

bewoog zich niets meer, zijn oogen bleven wijd open staan, strak

starend naar het witte beeld.

Enkele seconden verliepen. Marthe had een killen ademtocht gevoeld,

die haar tot in haar haarwortels koud worden deed.

"Kijk eens, madame!"

Angstig deed madame Sabathier, alsof zij haar niet begreep.

"Wat, beste meid?"

"Mijn broer, kijk dan toch... Hij beweegt zich niet meer. Hij heeft

zijn mond geopend en daarna heeft hij zich niet meer bewogen."

Toen huiverden beiden in de zekerheid, dat hij gestorven was. Zonder

een rochelen, zonder een ademtochtje was hij verscheiden, alsof het

leven hem in zijn blik door zijn groote oogen vol liefde en verterenden

hartstocht ontvloden was. Hij had den laatsten adem uitgeblazen met

een blik op de Heilige Maagd, en met zijn gestorven oogen bleef hij

haar aankijken in onuitsprekelijke zaligheid.

"Probeer zijn oogen te sluiten," fluisterde madame Sabathier. "Dan

weten we het zeker."

Marthe was opgestaan; zij boog zich over hem heen, om niet gezien

te worden, en trachtte zijn oogen met een vinger, die beefde, toe te

drukken. Maar telkens weer gingen de oogen open en keken hardnekkig

de Heilige Maagd aan. Hij was dood en zij moest de in een oneindige

extase verzonken oogen wijd open laten staan.

"Het is uit, het is uit!" stamelde zij.

Twee tranen kropen uit haar zware oogleden en rolden over haar wangen,

terwijl madame Sabathier haar hand greep, om haar te doen zwijgen.

Want reeds ging een gefluister rond, verspreidde zich een onrustige

beweging. Maar wat moest men doen? Men kon te midden van zoo'n gedrang

en gedurende de gebeden het lijk niet wegdragen zonder gevaar voor

een fatale uitwerking. Het beste was maar om hem daar, in afwachting

van een gunstig oogenblik, te laten liggen. Het kon niemand ergernis

geven, hij scheen niet meer dood te zijn dan tien minuten geleden,

en iedereen kon gelooven, dat zijn vlammende oogen nog steeds leefden

in hun vurigen aanroep van de goddelijke liefde der Heilige Maagd.

Alleen enkele personen in den naasten omtrek wisten het. Angstig

had mijnheer Sabathier zijn vrouw een onmerkbaar teeken gegeven,

om haar te vragen; en door een zwijgenden, langen blik van haar

op de hoogte gebracht, was hij weer zonder opstand gaan bidden,

terwijl hij verbleekte voor die geheimzinnige almacht, welke den

dood zond, wanneer men het leven vroeg. De Vignerons waren één en

al belangstelling, zij bogen zich naar elkaar toe en fluisterden met

elkaar als na het een of andere ongeluk op straat, een van die kleine

voorvallen, waarmede de vader van zijn bureau thuis kwam en waarover

dan den geheelen avond gesproken werd.

Madame Jousseur had zich omgedraaid en mijnheer Dieulafay een paar

woorden ingefluisterd; dan keken zij weer naar hun dierbare zieke,

terwijl abbé Judaine, door mijnheer Vigneron op de hoogte gebracht,

neerknielde en fluisterend de gebeden der stervenden prevelde. Was

hij geen heilige, deze zendeling, die met zijn doodelijke wonde in

zijn zijde uit de moordende tropen teruggekeerd was, om hier onder

den glimlachenden blik der Heilige Maagd te sterven? Voor madame Maze

had de dood zijn verschrikking verloren, en zij smeekte den hemel

haar ook zoo zachtjes weg te nemen, wanneer hij haar niet verhoorde

en haar haar echtgenoot niet teruggaf.

Maar de kreet van pater Massias klonk weer òp, uitte zich met de

kracht van een verschrikkelijke vertwijfeling en onder hartverscheurend

gesnik.

"Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!"

En de menigte snikte na:

"Jezus, zoon van David, ik ga ten gronde; red mij!"

"Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!"

"Jezus, zoon van David, erbarm u over onze zieke kinderen!"

"Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!"

"Jezus, zoon van David, kom en genees ze, opdat zij leven!"

Het steeg tot waanzin. Pater Fourcade, aan den voet van den kansel

medegesleept door den buitengewonen hartstocht, die uit de harten

stroomde, had zijn armen ten hemel geheven en schreeuwde ook met zijn

donderende stem, als om den hemel met geweld te dwingen. De razernij

nam toe onder dien storm van smeekgebeden, welke de menigte allengs

boog, de slechts uit nieuwsgierigheid gekomen jonge dames, die op de

borstwering van den Gave zaten en onder haar parasols verbleekten,

niet uitgezonderd. De ongelukkige menschheid smeekte van uit den

diepen afgrond van haar lijden; het geschreeuw streek rillend over

al die gebogen nekken; het was niet meer dan een in doodsangst

krimpend volk, dat weigerde te sterven en God dwingen wilde in

zijn raadsbesluit het eeuwige leven op te nemen. O, het leven,

het leven! Al deze ongelukkigen, al deze van verre, ondanks alle

hinderpalen saamgestroomde stervenden wilden niets dan dat, smeekten

slechts daarom in een woesten drang om het nog eens te leven, om het

altijd te leven! O Heer, genees ons, hoe groot ook ons lijden, hoe

verschrikkelijk onze martelingen ook zijn, laat ons opnieuw beginnen

te leven, om nogmaals te lijden, wat wij reeds geleden hebben. Hoe

rampzalig wij ook zijn, wij willen leven. Niet den hemel vragen

wij u, maar de aarde, die wij zoo laat mogelijk, ja, mocht uw macht

zich verwaardigen zoo ver te gaan, nooit zouden willen verlaten! En

zelfs wanneer wij u niet om een lichamelijke genezing vragen, maar om

een geestelijke genade, dan is het toch ook weer geluk, waarom wij

smeeken, het geluk, waarnaar wij zoo snakken en smachten. O Heer,

laat ons gezond en gelukkig worden, laat ons leven, laat ons leven!

Deze waanzinnige kreet, de kreet van een vurige levensbegeerte,

die door pater Massias uitgestooten werd, steeg in tranen uit alle

harten op.

"O Heer, zoon van David, genees onze zieken!"

"O Heer, zoon van David, genees onze zieken!"

Tweemaal had Berthaud te hulp moeten schieten, om te verhinderen,

dat onder den onbewusten drang der menigte de touwen braken. In

den menschenvloed ondergedompeld, maakte baron Suire wanhopige

gebaren, smeekte, dat men hem te hulp zou komen: de pelgrims waren

met geweld de Grot binnengedrongen; het défilé was niet meer dan een

rondtrappelende kudde, die ging waarheen zij wilde. Vergeefs verliet

Gérard Raymonde weer en ging zelf bij de ingangsdeur van het hek staan,

om het consigne: tien aan tien te handhaven. Hij werd weggedrongen,

ter zijde geschoven. Het geheele opgewonden, tot razernij opgezweepte

volk bruiste als een bergstroom in den gloed der kaarsen, wierp

bloemen en brieven aan de voeten der Heilige Maagd, kuste de rots,

die millioenen heete monden gepolijst had. Het geloof was ontketend,

de groote kracht, die door niets tegen te houden was.

Tegen het hek gedrukt, hoorde Gérard, hoe twee boerinnen, die door den

stroom meegesleurd waren, elkaar haar indrukken mededeelden over de

zieken, die zij liggen zagen. Een werd getroffen door het zoo bleeke

gelaat van broeder Isidore met zijn groote, akelig wijd geopende

en naar het beeld der Heilige Maagd starende oogen. Zij maakte het

teeken des kruises en prevelde, met vrome bewondering vervuld:

"Kijk dezen eens, hoe hij bidt met zijn heele hart en hoe hij

Notre-Dame de Lourdes aanstaart!"

De andere boerin antwoordde:

"Zij zal hem zeker beter maken, hij is zoo mooi."

Zoo ontroerde met zijn gebed van liefde en geloof, dat hij in zijn

niet-meer-zijn voortbad, de doode met het eindelooze staren van zijn

blik alle harten en stichtte het volk, dat voorbijtrekken bleef.

De drie steden: Lourdes · 第 30 / 41 题