Pierre liep voort; hij had behoefte aan frissche lucht, zijn hoofd was
zoo zwaar, dat hij zijn hoed afgezet had, om zijn brandend voorhoofd
af te koelen. Ondanks zijn moeheid van dezen verschrikkelijken,
in waken doorgebrachten nacht, dacht hij aan geen slaap; hij werd
staande gehouden door het verzet en den opstand van zijn geheele
wezen, dat niet tot kalmte kwam. Het sloeg acht uur en hij liep op
goed geluk af in de heerlijk stralende ochtendzon, die schitterde in
een wolkenloozen hemel, welken het onweer van het stof van den Zondag
schoon gewasschen scheen te hebben.
Maar plotseling keek hij op, om te zien, waar hij was, en tot zijn
verbazing merkte hij, dat hij een heel eind geloopen had en zich
beneden het station dicht bij het gemeenteziekenhuis bevond. Bij een
tweesprong aarzelde hij welken weg hij in zou slaan, toen een hand
vriendschappelijk op zijn schouder gelegd werd.
"Waar moet jij op dit uur naar toe?"
Het was dr. Chassaigne, geheel in het zwart gekleed en zijn gestalte
hoog oprichtend.
"Ben je verdwaald? Wil ik je den weg wijzen?"
"Neen, dank u!" antwoordde Pierre eenigszins verward. "Ik heb met de
jonge zieke, die mij zoo na aan het hart ligt, den nacht in de Grot
doorgebracht, en ik voel mij nu innerlijk zoo opgewonden en van streek,
dat ik wat ben gaan wandelen om weer wat kalmer te worden voor ik in
mijn hotel nog wat slapen ga."
De dokter bleef hem aankijken en las heel duidelijk in hem zijn
verschrikkelijken strijd, zijn wanhoop, niet te kunnen gelooven,
al het smartelijke lijden om zijn nuttelooze poging.
"Arme jongen!" prevelde hij.
En dan op vaderlijken toon:
"Nu je toch aan het wandelen bent, vindt je het zeker wel goed,
dat we samen een wandeling maken! Ik kwam juist van dezen kant,
langs den Gave. Ga mee, dan zal je op den terugweg eens zien, hoe
mooi de horizont is."
Iederen ochtend wandelde hij, steeds alleen, twee uur, om zijn verdriet
wat te verzetten. Eerst ging hij onmiddellijk nadat hij opgestaan
was, op het kerkhof neerknielen op het graf van zijn vrouw en van
zijn dochter, dat hij in alle jaargetijden met bloemen versierde. Dan
liep hij de wegen af, nam zijn tranen mede en ging niet naar huis om
te dejeuneeren voor hij zoo moe was, dat hij niet meer loopen kon.
Pierre had met een gebaar toegestemd. Naast elkaar liepen zij nu,
zonder een woord te zeggen, den hellenden weg af. Dien ochtend scheen
de dokter meer terneergeslagen dan gewoonlijk, alsof het gesprek met
zijn lieve dooden zijn hart nog meer had doen bloeden. Het was of de
adelaarsneus in zijn bleek, door witte haren omraamd gelaat gezakt was,
terwijl tranen zijne oogen vochtig maakten. En het was zoo heerlijk,
zoo zacht in de volle zon op dien prachtigen ochtend! Nu volgde de
weg den loop van den Gave op den rechteroever aan de overzijde van
de nieuwe stad. Ze zagen de tuinen, de hellingen, de Basilica. Dan
vertoonde zich tegenover hen de Grot met haar eeuwigen gloed van
kaarsen, die door het volle daglicht verbleekt werd.
Dr. Chassaigne had opgekeken en maakte het teeken des kruises. Eerst
begreep Pierre het niet. Maar toen hij op zijn beurt de Grot gezien
had, keek hij verbaasd zijn ouden vriend aan en kwam dezelfde
verwondering weer in hem op over dezen man van wetenschap, dezen
godloochenaar en materialist, dien de smart verpletterd had en die
nu geloofde en in de vreugdevolle verwachting leefde in een ander
leven zijn lieve, zoo beweende dooden terug te zien. Het hart had
het verstand overwonnen; de oude, alleen gebleven man leefde nog
slechts van de illusie om te herleven in het paradijs, waar men elkaar
terugvindt. En de gedruktheid van den jongen priester werd er des te
grooter door. Moest hij dan wachten tot hij oud geworden was en een
dergelijke smart ondervonden had, voor hij eindelijk een toevlucht
in het geloof zou vinden.
Zij bleven doorloopen en verwijderden zich langs den Gave steeds verder
van de stad. Zij werden door die heldere, tusschen met boomen beplante
oevers over kiezelsteentjes voortkabbelende golfjes als het ware
gewiegd. Steeds nog zwegen zij, ieder verzonken in zijn eigen leed.
Dan vroeg Pierre plotseling:
"En Bernadette, hebt u Bernadette gekend?"
De dokter keek op.
"Bernadette... Ja, ik heb haar eens gezien, in later tijd."
Een oogenblik viel hij in zijn zwijgen terug, dan begon hij:
"Begrijp me nu eens goed, jongen. In 1858, in den tijd der
verschijningen, was ik als jong dokter van dertig jaar een vijand
van al het bovennatuurlijke en dacht er nauwlijks aan naar mijn
bergen terug te keeren, om naar een vrouw, die visioenen had, te gaan
kijken ... Maar vijf of zes jaar later, omstreeks 1864, was ik hier
in de buurt en heb toen uit nieuwsgierigheid een bezoek gebracht aan
Bernadette, die toen nog bij de Blauwe Zusters was."
Pierre herinnerde zich, dat zijn wensch om zijn enquête over Lourdes
te voltooien, een der redenen van zijn reis naar Lourdes was. En wie
wist of de genade hem niet ten deel zou vallen door dat nederige en
aanbiddelijke meisje, zoodra hij overtuigd zou zijn van de zending
van goddelijke vergiffenis, die zij op aarde vervuld had. Misschien
zou het voldoende zijn haar beter te leeren kennen, om de zekerheid
te erlangen, dat zij inderdaad de heilige en de uitverkorene was.
"Vertel mij alles wat u van haar weet," verzocht hij dringend.
Een flauw glimlachje speelde om de lippen van den dokter. Hij begreep,
wilde deze door twijfel getroffen priesterziel zoo gaarne tot kalmte
brengen.
"Graag, arme jongen! Ik zou het zoo heerlijk vinden als ik er wat toe
bijdragen kon, om het licht in je te doen worden... Je hebt gelijk,
dat je Bernadette lief hebt, dat kan je redden; want ik heb sedert die
gebeurtenissen, die nu reeds zoo ver achter ons schijnen te liggen,
nagedacht en ik moet je eerlijk zeggen, dat ik nooit een zoo goed en
zoo bekoorlijk wezen ontmoet heb."
Op den langzamen rhythmus van hun pas, op den mooien, bezonden weg
en in den heerlijken ochtend vertelde de dokter hem van zijn bezoek
aan Bernadette in 1864. Zij was toen juist twintig jaar, zes jaar
vroeger was de Heilige Maagd aan haar verschenen. Zij verbaasde hem
door haar eenvoudige manieren, door haar groote bescheidenheid. De
zusters van Nevers, die haar hadden leeren lezen, hielden haar bij
zich in het ziekenhuis, om haar tegen de publieke nieuwsgierigheid
te beschermen. Zij had daar haar bezigheden en hielp de zusters
in minderwaardige werkjes, maar zij was zóó dikwijls ziek, dat zij
weken achtereen het bed moest houden. Vooral was de dokter getroffen
door haar prachtige, onschuldige, vrijmoedige, kinderlijk-reine
oogen. Het verder gedeelte van haar gezicht was reeds oud, haar
tint vaal, haar trekken grof; als men haar zag, leek zij precies
een eenvoudig dienstmeisje, klein, mager en slap. Haar vroomheid
was groot gebleven, maar zij had niet dat extatische, dat dwepende,
dat men bij haar vermoed zou hebben; integendeel, zij had een meer
positieven geest zonder vluchten in het onzienlijke; bijna altijd was
zij met het een of ander brei- of borduurwerkje bezig. In één woord
het was een doodgewoon schepseltje en geleek in geen enkel opzicht
op de groote, hartstochtelijke aanbidsters van Christus. Nooit had
zij meer een visioen gehad en nooit sprak zij uit zichzelf over de
achttien verschijningen, die over haar leven beslist hadden. Men moest
er haar naar vragen. Dan antwoordde zij kort en trachtte weer zoo
gauw mogelijk het gesprek af te breken, daar zij niet graag over die
dingen sprak. Wanneer men verder aandrong en haar naar den aard van
de drie geheimen vroeg, die haar door God toevertrouwd waren, zweeg
zij en wendde haar oogen af. Het was onmogelijk haar met zichzelf in
tegenspraak te brengen, steeds bleven de bijzonderheden, die zij gaf,
gelijk aan haar eerste lezing, ja zij scheen dezelfde woorden met
dezelfde stembuigingen precies te herhalen.
"Ik heb haar een geheelen middag onder handen genomen," ging de dokter
voort, "maar nooit is zij ook maar een lettergreep afgeweken. Het was
verbijsterend, om uit je vel te springen... Ik zweer je, dat zij niet
loog, dat zij nooit gelogen heeft, omdat zij niet liegen kon."
Pierre waagde het de opmerking te maken:
"Maar gelooft u niet aan een wilsziekte, dokter? Staat het niet vast,
dat sommige gedegenereerden en speciaal jonge meisjes, die een droom,
een hallucinatie of het een of ander iets, dat op haar phantasie
werkt, gehad hebben, zich daarvan niet kunnen losmaken, vooral wanneer
zij in het milieu, waarin de verschijnselen zich voorgedaan hebben,
blijven? De in een klooster opgesloten, de alleen in haar idée fixe
levende Bernadette, bleef er natuurlijk hardnekkig aan vasthouden."
Weer speelde het flauwe glimlachje om de lippen van den dokter,
en met een groot, onbestemd gebaar zeide hij:
"Nou vraag je me te veel, jongen! Je weet, dat ik maar een arme oude
kerel ben, die heel weinig trotsch is op zijn wetenschap en geen
pretentie meer heeft om iets te verklaren... O zeker, ik ken dat
beroemde voorbeeld van een jong meisje, dat zich bij haar ouders zou
hebben laten verhongeren, daar zij zich verbeeldde een maagziekte te
hebben, maar dat, zoodra men haar in een andere omgeving gebracht had,
begon te eten. Maar wat zal ik je zeggen? Dat is maar één feit en er
zijn er zoo vele, die ermede in tegenspraak zijn!"
Een oogenblik zwegen zij. Op den weg hoorde men niets dan den
regelmatigen rhythmus van hun stappen. Dan ging de dokter voort:
"Overigens is het volkomen waar, dat Bernadette de wereld meed, dat
zij zich slechts gelukkig gevoelde in een klein eenzaam hoekje. Nooit
heeft zij, voor zoover men weet, een vertrouwde vriendin of iemand,
voor wie zij een bijzondere toegenegenheid koesterde, gehad. Zij
was jegens allen even zacht en vriendelijk, alleen voelde zij zich
bijzonder aangetrokken tot kinderen... En daar ondanks alles de dokter
in mij niet heelemaal gestorven is, wil ik je heel graag bekennen,
dat ik mij dikwijls met eenige ongerustheid heb afgevraagd, of zij
ook geestelijk een maagd gebleven is, zooals zij zeker lichamelijk
een maagd geweest is. Het is zeer goed mogelijk, want bedenk, dat zij
steeds hartstochtloos en zwak geweest is, dikwijls weken achtereen te
bed lag, zonder nog te spreken van de onschuldige omgeving, waarin
zij eerst te Bartrès en later in het klooster opgegroeid is. Toch
is er een twijfel in mij opgekomen, toen ik hoorde hoeveel belang
zij stelde in het door de zusters van Nevers op den weg, dien we nu
loopen, gebouwde Weeshuis. Men neemt daarin de arme kleine meisjes op,
om ze te beschermen tegen het kwaad, dat zij op straat leeren. Maar
dat zij er op stond, dat het zoo groot mogelijk werd, zoodat het alle
schapen, die in gevaar waren, kon bevatten, zou dat niet het gevolg
kunnen zijn van het feit, dat zij zich herinnerde zelf blootvoets
rondgezworven te hebben en nog rilde bij de gedachte wat er van haar
had kunnen worden zonder de hulp der Heilige Maagd?"
Hij vertelde verder van de menigten, die samenstroomden om
Bernadette te zien en te vereeren. Dat was voor haar altijd een
vreeselijk inspannend iets. Geen dag ging er voorbij, zonder dat er
een groote menigte bezoekers kwam. Uit alle streken van Frankrijk,
uit het buitenland zelfs stroomden zij samen, zoodat men ten slotte
de nieuwsgierigen van haar verwijderd moest houden en alleen de ware
geloovigen, de geestelijken, de voornamen, die men niet aan de deur
afschepen kon, bij haar toeliet. Steeds was er een non aanwezig,
om haar van al te groote indiscreties te vrijwaren, want het regende
vragen en men putte haar kracht uit door haar steeds weer haar verhaal
te laten opzeggen. Dames uit de hoogste kringen wierpen zich aan haar
voeten, kusten haar kleed, zouden een stuk ervan als een reliquie
hebben willen medenemen. Zij moest haar rozenkrans verdedigen,
die allen, in haar extase, haar smeekten te verkoopen, voor zeer
hoogen prijs. Een markiezin trachtte haar over te halen door haar
een anderen te geven, dien zij medegebracht had, een met een gouden
kruis en waarvan de kralen uit fijne paarlen bestonden. Velen hoopten,
dat zij in haar tegenwoordigheid een wonder zou doen; men bracht haar
kinderen om ze aan te raken, men vroeg haar raad omtrent ziekten,
men trachtte haar invloed, dien zij ongetwijfeld op de Heilige Maagd
hebben moest, te koopen. Groote sommen werden haar aangeboden; men
zou haar, op het geringste teeken van haar, dat zij een koningin wilde
zijn, opgesmukt met edelgesteenten en met een gouden kroon gekroond,
met koninklijke geschenken overladen hebben. De kleine luiden bleven
geknield op den drempel liggen, de grooten der aarde verdrongen
zich om haar heen en zouden er een eer in gesteld hebben haar als
eere-geleide te mogen dienen. Zelfs werd er verteld, dat een van hen,
een mooi en rijke vorst, haar op een mooien, zonnigen Aprildag ten
huwelijk was komen vragen.
"Maar," viel Pierre hem in de rede, "wat mij altijd bevreemd en
onaangenaam aangedaan heeft, is, dat zij op haar twee-en-twintigste
jaar uit Lourdes is vertrokken, die plotselinge verdwijning, dat
zich opsluiten in het klooster van den Heiligen Gildard te Nevers,
waar zij nooit meer uitgekomen is... Gaf dat geen voedsel aan de
valsche geruchten, dat zij krankzinnig was? Geeft men daardoor geen
vat aan het vermoeden, dat men haar deed verdwijnen uit vrees voor een
indiscretie harerzijds, van een onbedachtzaam woord, dat het geheim
van een lang bedrog zou verraden hebben? En om het ruwe woord maar
te gebruiken, ik wil u eerlijk bekennen, dat ook ik geloof, dat men
haar geëscamoteerd [14] heeft."
De dokter schudde zijn hoofd.
"Neen, neen, beste jongen, in deze heele aangelegenheid is geen
sprake van een van te voren in de duisternis voorbereid melodrama,
dat daarna door min of meer ingewijde acteurs gespeeld zou zijn. De
dingen hebben zich uit zichzelf door de kracht der feiten ontwikkeld;
wel zijn ze altijd zeer verward en moeilijk te ontleden geweest... Zoo
is het bijvoorbeeld zeker, dat Bernadette zelf het eerst den wensch
uitgesproken heeft Lourdes te verlaten. De voortdurende bezoeken
vermoeiden haar; zij voelde zich niet op haar gemak te midden van die
lawaaierige vereeringen. Zij verlangde slechts een eenzaam hoekje,
waarin zij in vrede kon leven, en in haar onbaatzuchtigheid dreef
zij haar menschenschuwheid dikwijls zoover, dat zij het geld, dat
men haar voor het een of ander vroom doel, een mis te laten lezen of
een kaars te laten branden, gaf, wegwierp. Nooit nam zij iets voor
zichzelf aan, noch voor haar familie, die altijd even arm gebleven
is. Bij zoo'n fierheid en bij zulk een natuurlijken eenvoud is het heel
goed te begrijpen, dat zij verlangde de wereld te verlaten, zich af te
zonderen, om zich op een goeden dood voor te bereiden... Haar werk was
afgeloopen: zij had die wonderlijke beweging aan den gang gebracht,
zonder zelf eigenlijk te weten waarom en hoe. Zij was nu niet noodig
meer, anderen leidden de zaken en verzekerden den triomf der Grot."
"Laten we aannemen, dat zij uit eigen beweging gegaan is," zeide
Pierre. "Maar wat een verlichting voor degenen, over wie u het zooeven
hadt, voor hen, die van dat oogenblik, over den regen van millioenen,
die uit de geheele wereld begon te vallen, heer en meester geweest
zijn."
"O, ik beweer volstrekt niet, dat men haar tegengehouden heeft,"
riep de dokter uit. "Eerlijk gezegd, geloof ik, dat men er haar wel
toe aangespoord zal hebben. Zij begon ten slotte lastig te worden;
niet, dat men bang was voor vertrouwelijke mededeelingen harerzijds,
maar zij was geen decoratieve figuur, schuw tot in het overdrevene
en heel dikwijls bedlegerig. En bovendien, hoe weinig plaats zij
ook te Lourdes innam, hoe meegaande zij ook altijd was, zij was
en bleef een macht; zij trok de menigte en was daardoor in zekeren
zin een concurrente van de Grot. Voor den roem van de Grot was het
gewenscht, dat Bernadette op den achtergrond kwam en niet veel meer
dan een legende werd... Dat waren ongetwijfeld de redenen, die den
bisschop van Tarbes, Mgr. Laurence, er toe brachten het vertrek te
verhaasten. Men beging daarbij echter de fout te beweren, dat het
de bedoeling was haar aan wereldsche verleidingen te onttrekken,
alsof men bang had moeten zijn, dat zij de zonde van hoogmoed had
kunnen begaan door zich over te geven aan de ijdelheid en behagen te
scheppen in den roep van heiligheid, waarvan de geheele Christenheid
weerklonk. Daarmede deed men haar een groot onrecht aan, want zij was
niet tot hoogmoed in staat, evenmin als tot een leugen: nooit heeft
er een eenvoudiger, meer bescheiden kind geleefd."
Hij wond zich op en geraakte in geestdrift. Doch dan werd hij
plotseling weer kalm en speelde het flauwe glimlachje weer om zijn
lippen.
"Het is zoo, ik houd van haar; hoe meer ik aan haar dacht, des te meer
ben ik van haar gaan houden... Maar nu moet je niet denken, Pierre,
dat het geloof mij heelemaal ongevoelig gemaakt heeft. Al twijfel ik
tegenwoordig niet meer aan een hiernamaals, al voel ik de behoefte en
den drang in mij om aan een ander, beter en rechtvaardiger leven te
gelooven, toch weet ik heel goed, dat hier op aarde de menschen er
ook nog zijn; en of zij nu een pij of een soutane dragen, hun leven
is dikwijls afschuwlijk moeilijk."
Weer volgde er een stilte. Dan ging hij voort:
"Ik wil je iets vertellen, dat mij maar niet los wil laten... Neem
aan, dat Bernadette niet dat eenvoudige, menschenschuwe kind was,
dat zij een intrigante en heerschzuchtig was, maak van haar een
veroveraarster en een leidster van volkeren; en tracht je dan voor te
stellen wat er in dat geval gebeurd zou zijn... Ongetwijfeld zouden de
Grot en de Basilica dan aan haar toebehooren. Wij zouden haar bij de
ceremoniën met een gouden mijter onder een baldakijn zien tronen. Zij
zou de wonderen uitdeelen, haar kleine hand met een gebaar als van
een souvereine de scharen naar den hemel leiden. Zij zou stralen als
de Heilige, als de uitverkorene, als de eenige, die de godheid van
aangezicht tot aangezicht gezien heeft. En per slot van rekening zou
dat niet meer dan billijk zijn; zij zou dan het succes kennen, na de
moeite doorstaan te hebben, en genieten van haar werk... Terwijl zij
nu om den tuin geleid en beroofd van alles is. De wonderbare oogsten,
die zij gezaaid heeft, werden door anderen binnengehaald. Gedurende
de twaalf jaar, die zij, neergeknield in het duister, in het klooster
van den H. Gildard geleefd heeft, waren er hier triompheerende, in
gouden gewaden gekleede priesters, die dankgebeden zongen en kerken
en gedenkteekenen, gebouwd met millioenen, zegenden. Zij alleen heeft
ontbroken bij den triomf van het nieuwe geloof, welks stichtster zij
was... Je zult zeggen, dat zij slechts gedroomd heeft. Maar wat een
mooie droom dan toch, die een heele wereld in rep en roer gebracht
heeft, maar waaruit zij, het lieve kind, nooit ontwaakt is!"
Zij bleven staan en gingen, alsvorens naar de stad terug te keeren,
een oogenblik op een rots zitten. Voor hen stuwde de op dit punt
vrij diepe Gave zijn blauwe, donker gevlamde golfjes voort, terwijl
hij verder op breed over een bed van groote kiezelsteenen stroomde
en niet veel meer was dan wit schuim, licht als sneeuw. Een frissche
lucht streek in den gouden regen der zon van de bergen.
Het hooren van dit verhaal van Bernadette's exploitatie en vernedering
had een nieuw verzet in Pierre wakker geroepen; naar den grond starend
dacht hij na over de onrechtvaardige natuur, over de wet, die wil,
dat de sterke den zwakke verscheurt.
Dan keek hij weer op.
"Abbé Peyramale hebt u zeker ook wel gekend?"
Er kwam een glans in de oogen van den dokter. Opgewekt klonk zijn
antwoord:
"Waarachtig, een rechtschapen en eerlijke kerel, een heilige, een
apostel! Met Bernadette is hij de groote man van Notre-Dame de Lourdes
geweest. Evenals zij heeft hij er vreeselijk door geleden; evenals zij
is hij eraan gestorven. Men weet niets en begrijpt niets van het drama,
dat zich hier afgespeeld heeft, als men die geschiedenis niet kent."
Uitvoerig vertelde hij haar nu. Ten tijde der verschijningen was abbé
Peyramale pastoor te Lourdes. Het was een groote, breedgeschouderde
man met een breeden leeuwenkop, een echte zoon van het land met
een helder verstand, eerlijk en oprecht, maar soms wat opvliegend
en heerschzuchtig. Hij scheen als geschapen om te strijden, was een
vijand van alle overdreven kwezelarij en vervulde zijn ambt met een
breeden blik. In den beginne stond hij dan ook eenigszins wantrouwend
tegenover de verhalen van Bernadette, weigerde hij ze te gelooven,
ondervroeg haar, eischte bewijzen. Eerst later, toen de wind des
geloofs onweerstaanbaar werd, de meest weerspannigen tegen den
grond wierp en de menigten met zich meesleepte, boog ook hij zich;
voornamelijk toch was het zijn liefde voor de armen en verdrukten,
die in opstand kwam, toen hij zag, dat men dreigde Bernadette
gevangen te zetten: de burgerlijke autoriteiten vervolgden een van
zijn schapen, zijn herderlijk hart ontwaakte, met al zijn vurigen
hartstocht van rechtvaardigheid en gerechtigheid begon hij haar te
verdedigen. Bovendien had ook de bekoring van het kind haar uitwerking
op hem niet gemist, hij voelde, dat zij zoo oprecht en waarheidlievend
was, dat hij blindelings in haar begon te gelooven, haar lief te
hebben, zooals iedereen haar liefhad. Waarom het wonder, dat toch
overal in de Heilige Boeken voorkomt, hier niet aan te nemen? Hoe
verstandig en voorzichtig hij ook mocht zijn, het stond niet aan een
dienaar van den godsdienst den vrijgeest uit te hangen, terwijl geheele
volkeren zich op hun knieën wierpen en de Kerk aan den vooravond
van een nieuwen en grooten triomf scheen te staan. Ongerekend nog,
dat de menschenleider, die in hem was, de man van groote plannen en de
bouwer eindelijk zijn weg gevonden had, het groote veld, waarop hij zou
kunnen handelen, de groote taak, waaraan hij zich met zijn onstuimigen
geestdrift en zijn behoefte om te overwinnen geheel geven kon.
Van dat oogenblik af had abbé Peyramale nog slechts één gedachte: de
bevelen, die de Heilige Maagd Bernadette opgedragen had aan hem over
te brengen, uit te voeren. Hij hield het toezicht op de inrichting
der Grot; een hek werd geplaatst, het water der bron gekanaliseerd,
aardwerken uitgevoerd om de toegangen vrij te maken. Maar voor alles
had de Heilige Maagd geëischt, dat er een kapel gebouwd zou worden;
en hij wilde een kerk, een triomphantelijke basilica. Hij zag ver
in de toekomst, liet de architecten niet met rust, eischte van hen
paleizen, die de Koningin des hemels waardig waren; en dat alles deed
hij in een oprecht vertrouwen op de geestdriftige hulp van de geheele
Christenheid. Trouwens de giften stroomden toe, het regende goud uit
de verst verwijderde parochiën, een gouden regen, die steeds dichter
vallen zou en nooit ophouden. Dat waren zijn gelukkige jaren: steeds
kon men hem vinden onder de werklieden, die hij met een vriendelijk
lachje tot spoed aanzette, altijd bereid om zelf het houweel en den
troffel ter hand te nemen in zijn haast om zijn droom verwezenlijkt
te zien. Maar weldra kwam de tijd der beproeving: hij werd ziek, en
toen den 4den April 1864 de eerste processie uit zijn parochiekerk
zich naar de Grot begaf, een processie van zestigduizend pelgrims,
die zich tusschen een ontzaglijke menigte voortbewoog, verkeerde hij
in doodsgevaar.
Den dag, dat abbé Peyramale, voor de eerste maal van den dood gered,
weer van zijn ziekbed opstond, was hij afgezet. Reeds had de bisschop,
Mgr. Laurence, hem, om zijn zware taak wat te verlichten, een hulp
gegeven, een van zijn vroegere secretarissen, pater Sempé, dien hij
tot rector van de missionarissen van Garaison, een door hem gestichte
inrichting, benoemd had. Pater Sempé was een klein, mager mannetje,
oogenschijnlijk onbaatzuchtig en buitengewoon nederig, maar innerlijk
vol eerzucht. In den beginne had hij zich bij zijn taak gehouden,
den pastoor van Lourdes als een trouw ondergeschikte geholpen, zich
bemoeid met alles, waarin hij hem helpen kon, zich op de hoogte
gesteld van alles, met de heimelijke bedoeling zich onmisbaar te
maken. Onmiddellijk had hij begrepen, welk een prachtige belegging de
Grot zou worden, welke rijke inkomsten men er met eenige handigheid uit
zou kunnen trekken. Hij verliet het bisschoppelijk paleis niet meer,
had den bisschop, een zeer materialistisch, practisch man, die veel
geld noodig had, voor zich gewonnen. Op die wijze slaagde hij erin,
toen abbé Peyramale ziek werd, het geheele domein der Grot, met het
bestuur waarvan hij belast werd, aan het hoofd van enkele paters der
Onbevlekte Ontvangenis, tot wier overste de bisschop hem benoemde,
voor goed af te scheiden van de parochie te Lourdes.
Weldra begon de strijd, een van die verbitterde gevechten op leven
en dood, zooals zij onder de geestelijke discipline zoo dikwijls
voorkomen. Een reden tot een breuk bestond, een slagveld, waarop
men spoedig met millioenen strijden zou: de bouw van een nieuwe
parochiekerk, grooter en waardiger dan de bestaande oude kerk, die
sedert het toestroomen der geloovigen te klein gebleken was. Het
was trouwens een oud lievelingsdenkbeeld van abbé Peyramale, die de
bevelen der Heilige Maagd stipt uitvoeren wilde. Van de Grot sprekende,
had zij gezegd: "Men moet in processie daarheen trekken". En hij had
altijd de pelgrims uit de stad zien trekken, waarheen zij, zooals dat
in den beginne altijd gebeurd was, 's avonds moesten terugkeeren. Men
had dus een centrum, een verzamelplaats noodig, en hij had zich
als zoodanig een prachtige kerk, een kathedraal van reusachtige
afmetingen, die een geheel volk bevatten kon, gedroomd. Met zijn
bouwlustig temperament en als hartstochtelijk arbeider des hemels zag
hij haar al uit den grond oprijzen, haar klokketoren, dreunend van
gelui, in het felle zonlicht omhoog steken. Het was ook zijn huis,
dat hij wilde bouwen, zijn daad van geloof en aanbidding, de tempel,
waarin hij de opperpriester zijn zou, waarin hij, tegenover het werk,
waaruit men hem ontzet had, zou triompheeren met de zoete herinnering
aan Bernadette. Natuurlijk was bij de groote bitterheid, die hij over
zijn afzetting voelde, deze nieuwe parochiekerk een soort revanche,
zijn deel aan den roem, een manier om zijn strijdlust bot te kunnen
vieren, een teeken van de koorts, die hem verteerde, sedert hij zelfs
opgehouden had naar de Grot te gaan.
In den beginne was het een nieuwe oplaaiïng van geestdrift. De oude
stad, die zich achtergesteld voelde, maakte gemeene zaak met haar
pastoor, nu al het geld, al het leven dreigde te stroomen naar
de nieuwe stad, die om de Basilica uit den grond opschoot. De
gemeenteraad voteerde een som van honderd duizend francs, die
ongelukkigerwijze echter pas gestort zou worden, wanneer de kerk
onder de kap zou staan. Reeds had abbé Peyramale de plannen van
den architect, een, zooals hij gewild had, zeer grandioos ontwerp,
aanvaard en onderhandeld met een aannemer te Chartres, die zich verbond
de kerk in drie of vier jaar te bouwen, indien de beloofde stortingen
regelmatig geschiedden. Overtuigd, dat de giften ongetwijfeld van alle
kanten zouden blijven toestroomen, waagde hij de zaak zonder eenige
ongerustheid; hij was moedig tot op het vermetele af, rekende er vast
op, dat de hemel hem niet in den steek laten zou. Hij meende zelfs
zeker te zijn van den steun van den nieuwen bisschop, Mgr. Jourdan,
die, na den eersten steen gezegend te hebben, een toespraak hield,
waarin hij de noodzakelijkheid en het verdienstelijke van het
werk erkende. Het scheen, dat pater Sempé zich er met zijn gewone
nederigheid bij neergelegd en de rampzalige concurrentie, die hem
tot deelen dwong, aanvaard had, want hij deed alsof hij zich geheel
wijdde aan de administratie van de Grot en had zelfs in de Basilica
een offerblok voor de nieuwe, in aanbouw zijnde kerk laten plaatsen.
Daarna begon de heimelijke, verbitterde strijd opnieuw. Abbé Peyramale,
die een zeer slecht administrateur was, juichte en jubelde, toen hij
zijn kerk zoo snel groot zag worden. Het werk werd met bekwamen spoed
uitgevoerd en hij wilde niets liever, overtuigd als hij was, dat de
Heilige Maagd betalen zou. Hij was dan ook met stomheid geslagen, toen
hij eindelijk bemerkte, dat de giften niet zoo meer toestroomden, dat
het geld der geloovigen niet meer tot hem kwam, alsof in het verborgen
iemand de bron afgeleid had. De dag kwam, waarop hij de beloofde
betalingen niet storten kon. Er had een handige worging plaats gehad,
die hij later pas volkomen begreep. Blijkbaar had pater Sempé ook den
nieuwen bisschop geheel voor de Grot weten te winnen. Men vertelde
zelfs, dat er in de verschillende diocesen vertrouwelijke circulaires
verspreid waren met de aanmaning, om geen geld meer voor de parochie te
verzenden. De vraatzuchtige Grot, de onverzadelijke Grot wilde alles,
verslond alles; ja het kwam zoo ver, dat biljetten van vijfhonderd
francs, die in het offerblok geworpen waren, achtergehouden werden:
men plunderde het offerblok, bestal de parochie. Maar de pastoor hield
in zijn hartstocht voor de grooter wordende kerk, die als het ware
zijn dochter was, heldhaftig stand, zou er zijn bloed voor gegeven
hebben. Hij had eerst het contract gesloten op naam van het parochiaal
vermogen; daarna, toen hij niet wist, hoe hij betalen moest, op zijn
eigen naam. Hij leefde nog slechts voor zijn kerk en putte zich uit in
heroïsche inspanning. Van de vierhonderd duizend francs, die beloofd
waren, had hij er slechts tweehonderd duizend kunnen betalen, terwijl
de gemeente hardnekkig weigerde de gevoteerde honderd duizend francs
te storten, zoolang de kerk niet onder de kap stond. Dit ging zeer
duidelijk tegen de belangen der stad in. Naar men beweerde, werkte
pater Sempé in het geheim alles tegen. Plotseling triompheerde hij:
het werk werd gestaakt.
Van dat oogenblik af trad de doodsstrijd in. Pastoor Peyramale, die
breedgeschouderde bergreus met zijn leeuwenkop, wankelde, in zijn
hart getroffen, en sloeg neer als een door den bliksem verpletterde
eik. Hij moest het bed houden en stond niet meer op. Allerlei verhalen
deden de rondte, men vertelde dat pater Sempé getracht had onder
het een of andere vrome voorwendsel in de pastorie binnen te komen,
om te zien, of zijn gevreesde tegenstander wel degelijk doodelijk
gewond was; en men vertelde erbij, dat men hem uit de ziekenkamer,
waar zijn aanwezigheid een ergernis was, had moeten wegjagen. En toen
de pastoor, overwonnen en overstelpt door bitterheid, gestorven was,
kon men pater Sempé zien triompheeren bij de begrafenis, waarvan men
hem niet verwijderd had durven houden. Men beweerde, dat hij daarbij
een afzichtelijke vreugde aan den dag gelegd had en dat zijn gezicht
straalde van zijn triomf.
Eindelijk was hij dan bevrijd van den eenigen man, die hem hinderpalen
in den weg kon leggen, voor wiens wettelijke autoriteit hij bang
was. Hij zou niet langer meer gedwongen kunnen worden om met iemand
te deelen, nu de twee groote arbeiders van Notre-Dame de Lourdes uit
den weg geruimd waren: Bernadette in het klooster, abbé Peyramale
onder den grond. De Grot was nu maar alleen van hem, de giften
kwamen alleen naar hem; naar zijn goeddunken zou hij het budget
van achthonderd duizend francs, waarover hij jaarlijks beschikte,
kunnen gebruiken. Nu zou hij de reusachtige werken voltooien, die
van de Basilica een wereld op zichzelf zou maken; zou hij medewerken
aan de opbloei van de nieuwe stad, om de oude nog meer te isoleeren,
haar te verbannen achter haar rots als een onbeteekenende parochie,
die wegzonk in de schittering van haar almachtige buurvrouw. Dat was
het definitieve koningschap, al het geld en alle heerschappij.
Toch was de nieuwe parochiekerk, hoewel het werk gestaakt was en zij in
haar omheining van planken sliep, voor meer dan de helft afgebouwd, tot
aan de gewelven der benedenvleugels. Zij stond daar nog altijd als een
bedreiging, voor het geval de stad haar op den een of anderen dag zou
willen voltooien. Hij moest haar volkomen dooden, er een onherstelbare
ruïne van maken. Het heimelijke werk werd dus voortgezet, een wonder
van wreedheid en langzame vernietiging. In de eerste plaats werd de
nieuwe pastoor, een zwakkeling, zoozeer door pater Sempé ingepalmd,
dat hij zelfs niet eens meer de aan de parochie gerichte geldzendingen
openmaakte: alle aangeteekende brieven werden direct naar de paters
gebracht. Vervolgens werd de voor de nieuwe kerk uitgekozen plaats
aan een strenge kritiek onderworpen en liet men door den architect
van het diocees een rapport opmaken, waarin verklaard werd, dat
de oude kerk nog solide en voor de behoeften van den eeredienst
volkomen toereikend was. Maar vooral wendde men zijn invloed op
den bisschop aan, wees men hem op het onaangename van de geldelijke
moeilijkheden met den aannemer. Peyramale werd nu als een onbesuisde
stijfkop voorgesteld, een soort krankzinnige, wiens ongekende ijver
den godsdienst bijna gecompromitteerd had. En vergetende, dat hij
den eersten steen gezegend had, vaardigde de bisschop een herderlijk
schrijven uit om de kerk van de deelneming aan de sacramenten uit te
sluiten met verbod daarin een religieuzen dienst te celebreeren.
Dit was de genadeslag. Eindelooze processen waren er het gevolg van:
de aannemer, die van de vijfhonderd duizend francs uitgevoerde werken
er slechts tweehonderd duizend ontvangen had, sprak den erfgenaam van
den pastoor, het parochiaal vermogen en de stad aan, daar deze laatste
steeds bleef weigeren de door haar gevoteerde honderd duizend francs
te betalen. Eerst verklaarde de prefectuurraad zich onbevoegd van de
zaak kennis te nemen, dan veroordeelde hij, nadat de Raad van State
de zaak naar hem teruggewezen had, de stad de honderdduizend francs te
betalen en den erfgenaam de kerk te voltooien, terwijl hij verklaarde,
dat het parochiaal vermogen buiten het geding stond. Maar er werd
appèl aangeteekend bij den Raad van State, die het arrest vernietigde,
en, nu zelf uitspraak doende, het parochiaal vermogen of bij gebreke
daarvan den erfgenaam veroordeelde tot betaling van den aannemer. Doch
daar geen van beide tot betalen in staat was, bleef de zaak daarbij.
Deze processen hadden vijftien jaar geduurd. Daar de stad er eindelijk
in toegestemd had hem honderd duizend francs te geven, was men aan
den aannemer nog slechts tweehonderd duizend francs schuldig. Doch
allerlei kosten en de interest op interest hadden deze som zoo
opgevoerd, dat zij bijna zeshonderd duizend francs bedroeg; en daar
men aan den anderen kant het voor de voltooiïng van de kerk noodige
bedrag op vierhonderd duizend francs schatte, was er dus een millioen
noodig om de jonge ruïne van een zekere vernietiging te redden. Van
dien dag af konden de paters rustig slapen; zij hadden haar vermoord,
de kerk was nu eveneens dood.
De klokken van de Basilica luiden een jubellied, pater Sempé
heerschte. Als overwinnaar was hij uit den reuzenstrijd te voorschijn
gekomen, uit dezen strijd met het mes, waarin men steenen gedood had,
na in de schaduw der sacristieën een man vermoord te hebben. En het
koppige, bekrompen Lourdes moest er leelijk voor bloeden, dat het
zijn pastoor, die uit liefde voor zijn parochie gestorven was, niet
beter gesteund had, want van af dat oogenblik bloeide en groeide de
nieuwe stad ten koste van de oude. Al het geld ging naar de eerste,
de paters der Grot sloegen uit alles geld, werden vennooten in hotels
en kaarsenwinkels, verkochten het bronwater, hoewel het hun volgens een
uitdrukkelijke bepaling in het contract met de gemeente ten strengste
verboden was waarin ook handel te drijven. Het geheele land ging
zedelijk ten gronde, de triomf der Grot had een zoo groote winzucht,
zoo'n brandende koorts om te bezitten en te genieten met zich gebracht,
dat onder den plasregen der millioenen een buitengewoon zedenbederf
zich van dag tot dag uitbreidde en het Bethlehem van Bernadette in
Sodom en Gomorrha veranderde. Pater Sempé voleindigde den triomf
van God te midden van de menschelijke ontaarding en de verwoesting
der zielen. Reusachtige bouwwerken rezen uit den grond op, vijf of
zes millioen reeds waren uitgegeven, alles had men geofferd aan dien
absoluten wil om de parochie op zijde te schuiven, teneinde de geheele
prooi voor zich te houden.
De machtige, zoo kostbare hellingen waren slechts aangelegd om den
wensch van de Heilige Maagd, die gevraagd had, dat men in processie
naar de Grot zou gaan, op slinksche wijze te ontduiken. Van de Basilica
langs de linkerhelling naar beneden en langs de rechterhelling er weer
naar toe gaan, was geen processie, maar een eenvoudige rondgang. Maar
de paters waren erin geslaagd, dat men van hen uitging, om bij
hen terug te keeren; op die wijze waren zij de eenige eigenaars,
de rijke bezitters, die den geheelen oogst binnenhaalden. Pastoor
Peyramale lag in de crypt van zijn onvoltooid gebleven kerkruïne
begraven. Bernadette had haar doodsstrijd ver weg in een klooster
gestreden en sliep nu ook onder den grafsteen van een kapel.
Een diepe stilte heerschte, toen dr. Chassaigne zijn lang verhaal
geëindigd had. Dan stond hij moeilijk op.
"Kom jongen, het zal dadelijk tien uur slaan en ik wil, dat je wat
gaat rusten... Laten we teruggaan."
Zwijgend volgde Pierre hem. In een vlugger tempo gingen zij naar de
stad terug.
"Ja," begon de dokter weer, "er hebben daar schandelijke
ongerechtigheden plaats gegrepen. Maar wat zal ik je zeggen? De
mensch bederft de mooiste dingen... En je kunt je niet voorstellen hoe
verschrikkelijk treurig al die dingen zijn, die ik je daarnet verteld
heb. Dat moet je zien en met je vinger aanraken. Wil je vanavond eens
met me naar de kamer van Bernadette en de onvoltooide kerk van abbé
Peyramale gaan?"
"Zeker, heel graag!"
"Nu, kom dan na de processie van vier uur bij de Basilica, dan zal
ik zorgen daar te zijn."
Ieder in zijn eigen overpeinzingen verdiept, spraken zij niet meer.
Rechts van hen stroomde nu de Gave in een diepe kloof, een soort
inkerving, waarin hij zich stortte en als tusschen het struikgewas
verdween. Soms echter zag men weer een stuk van zijn matzilveren
waterspiegel. Verderop maakte hij een plotselinge kromming en stroomde
hij breed over een vlakte. Blijkbaar veranderde hij daar dikwijls
van bedding, want de uit zand en kiezel bestaande grond was in alle
richtingen uitgehold. De zon begon reeds te branden hoog aan den hemel,
waarin het lichte blauw van het eene einde van den onmetelijken circus
der bergen naar het andere donkerder werd.
Bij de kromming van den weg rees Lourdes, hoewel nog in de verte, weer
voor de oogen van Pierre en dr. Chassaigne op. Onder den schitterenden
ochtendhemel teekende de stad, onder den sluier van opdwarrelend
gouden en purperen stof, met haar huizen en haar monumenten, die bij
iederen stap duidelijker werden, zich wit tegen den horizont af. Zonder
een woord te zeggen wees de dokter met een breed en droevig gebaar
naar die zich zoo uitbreidende stad, als wilde hij haar als getuige
oproepen voor wat hij zooeven gezegd had.
Reeds zag men den op dit uur nog zwakken gloed van de Grot tusschen
het groene loof. Vervolgens strekten de reusachtige bouwwerken zich
voor hen uit, de kade van gehouwen steen langs de geheele lengte
van den Gave, waaraan men een andere bedding had moeten geven; de
nieuwe brug, die de pas aangelegde tuinen met den onlangs in gebruik
genomen boulevard verbond; de reusachtige hellingen, de massieve
Rozenkranskerk, de slanke Basilica, die met een fiere gratie boven
alles uitstak. Op dezen afstand zag men van de nieuwe stad slechts
een gewemel van witte gevels, een geflikker van nieuwe dakpannen,
de groote kloosters, de groote hotels, de rijke stad, die als door
een wonder uit den ouden, armen grond opgeschoten was, terwijl achter
de rotsmassa, waarop zich de instortende muren van het Kasteel en
profil afteekenden, hier en daar de nederige daken der oude stad
zich vertoonden, een warreling van door den tijd aangevreten, bang
zich tegen elkaar aandrukkende daakjes. En als achtergrond tegen deze
bezwering van het leven van heden en van gisteren rezen onder de glorie
der eeuwige zon de Kleine Gers en de Groote Gers op en versperden den
horizont met hun kale hellingen, die de schuin vallende zonnestralen
geel en rose streepten.
Dr. Chassaigne bracht Pierre tot aan het Hôtel des Apparitions;
daar eerst nam hij afscheid van hem, na hem nog eerst even herinnerd
te hebben aan hun afspraak voor dien avond. Het was nog geen elf
uur. Hoewel hij plotseling door moeheid overweldigd werd, dwong hij
zich, alvorens naar bed te gaan, nog eerst te eten, want hij voelde,
dat de behoefte daaraan een van de voornaamste redenen van zijn
zwakheid was. Gelukkig vond hij aan de table-d'hôte nog een plaats
vrij; met open oogen slapend, at hij zonder dat hij wist, wat hem
voorgezet werd, dan ging hij naar boven en wierp zich op zijn bed,
na eerst het kamermeisje gezegd te hebben hem om drie uur te wekken.
Maar zoodra hij lag, belette de koortsachtige opwinding, waarin hij
verkeerde, hem zijn oogen dicht te doen. Een paar handschoenen,
die hij in de kamer ernaast had zien liggen, deed hem plotseling
denken aan mijnheer de Guersaint, die voor het aanbreken van den dag
naar Gavarnie gegaan was en eerst 's avonds terug zou komen. Welk
een heerlijke gave toch die onbezorgdheid! Hij met zijn door
moeheid gebroken ledematen en zijn bekommerden geest voelde zich
diep-treurig. Alles scheen samen te spannen tegen zijn wil om het
geloof van zijn jeugd terug te krijgen. De tragische geschiedenis van
pastoor Peyramale had het verzet, dat de levensloop van Bernadette,
uitverkorene en martelares, in hem gewekt had, nog aangewakkerd. Zou
de waarheid, die hij te Lourdes was komen zoeken, in plaats van hem
zijn geloof terug te geven, hem ertoe brengen de onwetendheid en de
lichtgeloovigheid nog meer te haten, hem de bittere zekerheid geven,
dat de mensch met zijn verstand alleen staat op deze wereld?
Eindelijk viel hij in een sluimering. Maar droombeelden fladderden
voortdurend door zijn onrustigen slaap. Hij zag Lourdes, bedorven
door het geld, als een plaats van ontaarding en zedenbederf, als een
uitgestrekte bazar, waarin alles te koop was, missen en zielen. Hij
zag pastoor Peyramale begraven te midden van de ruïnen van zijn kerk
tusschen de brandnetels, die de ondankbaarheid gezaaid had. En hij
kwam eerst tot rust, genoot eerst de zaligheid van het niet-meer-zijn,
toen een laatste, bleek en jammervol visioen verdwenen was, dat van
Bernadette te Nevers, neergeknield in een donker hoekje en droomend
van haar werk daar in de verte, dat zij nooit aanschouwen zou.