Zoodra de avond gevallen was, werd Marie in het Hôpital de Notre-Dame
des Douleurs ongeduldig, want zij wist van madame de Jonquière,
dat baron Suire van pater Fourcade verlof voor haar gekregen had,
om den nacht voor de Grot door te brengen. Iedere minuut vroeg zij
zuster Hyacinthe:
"Zuster, is het nog geen negen uur?"
"Wel neen, kindlief, het is net half negen!... Hier heb je een dikke
wollen omslagdoek, die je met het aanbreken van den dag om moet doen,
want de Gave is vlak bij en de ochtenden zijn in dit bergland frisch."
De geheele zaal benijdde haar. Een heelen nacht voor de Grot te mogen
bidden was de onuitsprekelijke vreugde, de opperste zaligheid. Men
zeide, dat de uitverkorenen in den grooten vrede van de duisternis
zeker de Heilige Maagd zagen. Maar men moest veel protectie hebben, om
een dergelijke gunst te verkrijgen. De paters stonden haar niet graag
toe, omdat er zieken gestorven waren, als in haar extase ingeslapen.
"Je zult morgenochtend, voor je hier terugkomt, in de Grot het
Avondmaal vieren, is het niet, kindlief?" vroeg zuster Hyacinthe.
Het sloeg negen uur. Zou Pierre, die altijd zoo juist op tijd was,
haar vergeten? Men vertelde haar nu van de fakkelprocessie, die zij van
het begin tot het einde zou zien, als zij dadelijk wegging. Iederen
avond werden de plechtigheden met een dergelijke processie besloten;
maar die op Zondag was altijd de mooiste, en er werd verteld, dat
de processie van dien avond zoo buitengewoon schitterend zou zijn,
als men er maar zelden een zag. Meer dan dertigduizend pelgrims,
ieder met een kaars in de hand, zouden eraan deelnemen. De wonderen
van den nachtelijken hemel zouden zich openen, de sterren op aarde
nederdalen. De zieken jammerden, dat het zoo vreeselijk was aan je
bed gekluisterd te zijn en niets van die wonderdingen te kunnen zien.
"Kindlief," kwam madame de Jonquière zeggen, "daar zijn je vader en
mijnheer de abbé!"
Marie straalde van vreugde en had het lange wachten al vergeten.
"O Pierre, laten we toch gauw gaan, laten we toch gauw gaan," drong
zij aan.
Zij droegen haar naar beneden en de priester duwde het kleine wagentje
voort, dat zacht voortrolde onder den met sterren bezaaiden hemel,
terwijl mijnheer de Guersaint naast haar liep. Het was een wondermooie
nacht zonder maan, een donkerblauw fluweel met diamanten bestikt;
de zachte lucht was heerlijk, een lauwwarm bad van zuivere lucht,
doorbalsemd met den geur der bergen. Veel pelgrims verdrongen zich
in de straat in de richting der Grot; doch de menigte was stil en in
zichzelf gekeerd, zonder de rumoerige kermisdrukte van den dag. Bij
het plateau de la Merlasse breidde de duisternis zich uit, kwam men
onder den onmetelijken hemel in het schaduwmeer der grasperken en
groote boomen, waaruit men links alleen de slanke, witte spits der
Basilica zag oprijzen.
Pierre werd bij het zien van de menschenmassa, die, naarmate zij de
Grot naderden, compacter werd, eenigszins ongerust. Op de place du
Rosaire kon men nog slechts met moeite loopen.
"Er is geen denken aan, om bij de Grot te komen," zeide hij en bleef
stilstaan. "Het beste zou zijn een allée achter den "Abri des pèlerins"
in te slaan en daar te wachten."
Maar Marie wilde met alle geweld het vertrek der processie zien.
"Laten we probeeren bij den Gave te komen, Pierre. Ik kan het dan
uit de verte zien, ik behoef er niet zoo dicht bij te zijn."
Mijnheer de Guersaint, die even graag wilde kijken als zij, drong
ook aan.
"Maak je maar niet ongerust, ik zal achter haar gaan staan en zorgen,
dat niemand haar stooten kan."
Pierre moest nu het wagentje trekken. Hij had een kwartier noodig om
onder een der bogen van de rechtsche helling te komen, zoo verdrong
zich daar de menigte. Dan sloeg hij eenigszins schuins af en was
eindelijk op de kade aan den oever van den Gave, waar alle kijkers
op het trottoir stonden; hij kon nog een vijftig meter verder komen
en liet dan het wagentje stilstaan tegen de borstwering zelf, bijna
vlak tegenover de Grot.
"Is het hier goed?"
"Ja, ja, dank je wel! Maar ik moet zitten, dan kan ik nog beter zien."
Mijnheer de Guersaint richtte haar op en klom dan zelf op de
steenen bank, die langs de geheele kade loopt. Een groote menigte
nieuwsgierigen stond daar dicht opeengehoopt als op avonden, dat er
vuurwerk afgestoken werd. Allen gingen op hun teenen staan en rekten
hun hals uit. Ook Pierre was vol belangstelling, ofschoon je nog niet
veel bijzonders zag.
Er moesten daar dertigduizend personen zijn, en nog steeds stroomde
het menschen. Allen droegen in hun hand een kaars, gewikkeld in
een soort peperhuis van wit papier, waarop in blauw een afbeelding
van de Notre-Dame de Lourdes gedrukt was. Maar die kaarsen waren
nog niet aangestoken. Boven de deinende zee van hoofden zag men
slechts de helder blinkende Grot, die den hellen gloed als van een
ijzergieterij uitstraalde. Een dof gezoem steeg op, men hoorde zuchten,
die alleen reeds den indruk maakten, dat daar duizenden opeengedrongen
stonden in de diepte der duisternis, hun adem inhoudend, op en neer
bewegend als een levend, steeds grooter wordend laken. Er waren er
onder de boomen aan den anderen kant van de Grot, in de diepten van
de donkerte, die men zelfs niet vermoedde. Eindelijk begon het met
enkele kaarsen, die hier en daar opvlamden; plotselinge vonken, die
op goed geluk af de duisternis doorboorden. Het aantal nam snel toe:
eilandjes van sterren vormden zich, terwijl op andere punten strepen,
melkwegen te midden van de sterrenbeelden vloeiden. Dat waren de
dertigduizend kaarsen, die allengs een voor een aangestoken werden,
den fellen gloed der Grot uitdoofden en van het eene einde van den
boulevard naar het andere de kleine gele vlammen van een reusachtig
bekken met gloeiende kolen voortwentelden.
"O, Pierre, hoe mooi!" fluisterde Marie. "Precies de herrijzenis
der nederigen, der kleine arme zielen, die weer wakker worden en
schitteren."
"Prachtig, prachtig!" viel mijnheer de Guersaint haar in een opwelling
van zijn kunstenaarsgeestdrift bij. "Kijk eens naar die twee lijnen,
die elkaar snijden en een kruis vormen."
Pierre was zeer getroffen door wat Marie gezegd had. Zoo was het;
die zwakke vlammetjes, nauwlijks lichtende puntjes, bescheiden als
een deemoedig volk, en wier groot aantal een glans uitmaakte en een
zonneschittering vormde. Telkens weer kwamen er nieuwe te voorschijn,
verder weg en als verdwaald.
"O," prevelde hij, "dat daar heelemaal alleen, in de verte en zoo
dansend... Zie je, Marie, hoe het aan komt drijven en zich langzaam
in het groote vuurmeer verliezen gaat."
Men zag nu weer duidelijk als op klaarlichten dag. De van onder af
belichte boomen lieten hun intens groen loof zien als geschilderde
boomen op coulissen. Boven het golvende kolenbekken bleven de banieren,
sprekend-duidelijk met haar geborduurde heiligen en zijden snoeren,
onbeweeglijk. En de fel-helle weerkaatsing steeg langs de rots naar de
Basilica op, welker spits nu scherp-wit afstak tegen den donker-zwarten
hemel, terwijl aan de overzijde van den Gave de heuvels ook òp-lichtten
met de witte gevels van hun kloosters tusschen het somber-groene loof.
Er was nog een oogenblik onzekerheid. Het vlammenmeer, waarin ieder
brandend pitje een golfje was, deinde zijn sterrengeflonker voort,
scheen op het punt te breken, om samen te vloeien tot een rivier. Dan
fladderden hoogop de banieren, begon er beweging te komen.
"Wat," riep mijnheer de Guersaint uit, "komen ze nu niet hier langs?"
Toen legde Pierre, die op de hoogte was, uit, dat de processie
eerst den met groote kosten langs den beboschten heuvel aangelegden
zigzagweg volgde. Dan draaide zij om de Basilica heen, alvorens langs
de rechtsche helling weer naar beneden te gaan en door de tuinen haar
weg te vervolgen.
"Kijk, je ziet de eerste kaarsen reeds door het groen naar boven gaan."
Het was als uit een Duizend-en-een-Nacht-sprookje. Kleine bevende
lichtjes maakten zich los uit den grooten, vurigen haard en verhieven
zich in een zachte vlucht langzaam in de hoogte, zonder dat men iets
kon onderscheiden, dat ze aan de aarde vasthield. Het bewoog zich
als gouden zonnestofjes in de duisternis. Weldra was het overgegaan
in een schuin vallende straal, die zich dan plotseling scherp om
een hoek terugboog, en er ontstond een nieuwe straal, die zich op
zijn beurt ook weer kromde. Eindelijk was de geheele heuvel door
één vlammenzigzag doorgroefd, die denken deed aan bliksemstralen,
zooals men die op plaatjes uit den zwarten hemel schieten ziet. Maar
het lichtende spoor ging niet uit, steeds gleden de kleine vlammetjes
met dezelfde zachte, langzame beweging voort. Soms echter ontstond
plotseling een verduistering, wanneer de processie achter een boomgroep
voorbijtrok. Maar even verder brandden de kaarsen dan weer, zetten
haar tocht langs ingewikkelde, telkens weer onderbroken en opnieuw
herstelde zigzaglijnen naar den hemel voort. Dan kwam een oogenblik,
dat zij, boven op den heuvel gekomen, niet langer stegen en bij de
laatste kromming van den weg verdwenen.
In de menigte klonk het:
"Nu draaien ze om de Basilica heen."
"O, het duurt nog wel een twintig minuten, voor ze naar beneden komen."
"Ja, mevrouw, ze zijn met hun dertigduizenden; er gaat nog wel een
uur mee heen, voor de laatsten van de Grot vertrekken."
Zoodra de processie zich in beweging gezet had, had zich uit het doffe
gegons een kerklied losgemaakt. Het was de litanie van Bernadette, de
zesmaal tien coupletten, waarin het "wees gegroet" als een obsessie
telkens weer terugkeerde. Waren de zestig strophen uitgezongen, dan
begon men opnieuw. Aldoor klonk onophoudelijk en wiegend het "Ave,
ave, ave Maria!", dat den geest verdoofde, de ledematen radbraakte,
langzamerhand die duizenden wezens in een wakenden droomslaap bracht,
waarin zij het paradijs als een visioen voor zich zagen. 's Nachts, als
zij sliepen, had het bed de schommelende beweging, zongen zij ze nog.
"Blijven we hier?" vroeg mijnheer de Guersaint, die gauw genoeg van
iets had. "Het is nu verder precies hetzelfde."
En ook Marie, die de gesprekken in de menigte gehoord had, zeide:
"Je hebt gelijk, Pierre. Het zou beter zijn als wij onder de boomen
gingen staan. Ik zou zoo graag alles willen zien."
"Zeker," antwoordde Pierre; "wij zullen een plaatsje zoeken, waar
je alles zien kunt. Het zal alleen een heele toer zijn, om nu hier
vandaan te komen."
Inderdaad had de dichte menigte nieuwsgierigen hen als het ware
ingemetseld. Pierre moest zich langzaam en voorzichtig een weg banen,
terwijl hij een klein plaatsje voor een zieke vroeg. Marie keerde
zich telkens om en trachtte nog eenmaal voor de Grot den vlammenden
waterspiegel te zien, het meer met zijn kleine flikker-fonkelende
golfjes, waaruit tot in het oneindige de processie wegstroomde, zonder
dat het leeg scheen te worden. Mijnheer de Guersaint liep achter het
wagentje, om het tegen het dringen der menigte te beschermen.
Eindelijk waren zij buiten het gedrang en stonden nu op een verlaten
plekje dicht bij een der booggewelven, waar zij even ruimer konden
ademhalen. Men hoorde daar niets dan de uit de verte klinkende litanie
met haar hardnekkig refrein; zag de weerkaatsing der kaarsen slechts
als een soort lichtende wolk, die van den kant der Basilica langzaam
aangedreven kwam.
"De beste plaats zouden we hebben, als we den Calvariënberg
opgingen. Een kamermeisje heeft het me vanochtend nog gezegd. Het
moet van uit de hoogte een feeëriek gezicht zijn."
Doch daar viel niet aan te denken, daar waren te veel bezwaren aan
verbonden.
"Hoe zouden we met het wagentje de hoogte op kunnen komen?" vroeg
Pierre. "En bovendien zou in het pikdonker en in het gedrang het naar
beneden komen veel te gevaarlijk zijn."
Marie zelf wilde liever in de tuinen onder de boomen, waar het zoo
heerlijk was, blijven. Dus gingen zij weer verder en kwamen tegenover
de groote gekroonde Heilige Maagd op de Esplanade uit. Het beeld
was met gekleurde glazen verlicht, die het met een stralenkrans van
blauwe en gele lampions tot een kermis-aureool maakten. Ondanks zijn
vroomheid vond mijnheer de Guersaint dit afschuwlijk smakeloos.
"Kijk!" zeide Marie, "bij dat boschje daar zouden we een uitstekend
plaatsje hebben!"
Zij wees naar een dicht boschje struiken naast den "Abri des
pèlerins". Het was inderdaad een uitstekend plekje, want vandaar
af zou men de processie langs de linkerhelling naar beneden kunnen
zien komen en haar door de grasperken in haar dubbele evenwijdige
beweging van gaan en komen tot de nieuwe brug kunnen volgen. Bovendien
gaf de nabijheid van den Gave aan het bladerengewelf een heerlijke
koelte. Niemand bevond zich daar nog; in de dichte schaduw van de
groote platanen langs de allée genoten zij van een oneindigen vrede.
Mijnheer de Guersaint ging op zijn teenen staan, ongeduldig als hij
was, om de eerste kaarsen van achter de Basilica te voorschijn te
zien komen.
"Er is nog niets te zien," mompelde hij. "Enfin, dan ga ik maar even
op het gras zitten. Ik ben doodop."
Dan maakte hij zich ongerust over zijn dochter.
"Wil ik je wat omslaan? Het is heel frisch hier!"
"Neen, vader, dank u wel, ik heb het heelemaal niet koud. Ik ben zoo
gelukkig. In geen tijd heb ik zoo heerlijk adem kunnen halen!... Er
moeten hier rozen zijn, ruikt u dien heerlijken geur niet?"
En zich tot Pierre wendend:
"Waar staan die rozen toch, lieve vriend? Zie je ze niet?"
Toen mijnheer de Guersaint naast het wagentje zat, ging Pierre kijken,
of er in de nabijheid geen bed met rozen was. Maar vergeefs zocht hij
in de donkere grasperken; hij vond niets dan een dichten, groenen
plantengroei. Toen hij, teruggaande, langs den "Abri des pèlerins"
kwam, ging hij uit nieuwsgierigheid naar binnen.
Het was een groot vertrek met een hooge zoldering, waarin aan beide
kanten het licht door breede ramen naar binnen viel. Met zijn steenen
vloer en zijn kale muren had het geen andere meubelen dan banken,
die her en der verspreid stonden. Geen tafel, geen plank, zoodat de
daklooze pelgrims, die genoodzaakt waren daar hun toevlucht te zoeken,
hun manden, hun pakjes en hun valiezen opgehoopt hadden in de aldus in
bagagekasten herschapen vensternissen. Het vertrek was leeg: alle arme
pelgrims waren blijkbaar naar de processie. Hoewel de deur wijd open
stond, heerschte er een ondraaglijke stank; de muren waren doordrenkt
met ellende, de vloertegels vuil, vochtig ondanks den mooien zonnedag,
nat van fluimen, vet en gemorsten wijn. Men deed er alles, men sliep
er, at er in een opeenhooping van vuile lichamen en lompen.
Pierre zeide tot zichzelf, dat de heerlijke rozengeur moeilijk van daar
komen kon. Toch liep hij het vertrek, dat door vier walmende lantaarns
verlicht werd, rond in de meening dat het geheel verlaten was, toen
hij tot zijn verbazing tegen den linkermuur een vage gestalte zag,
een in het zwart gekleede vrouw, die een wit pakje op haar schoot
hield. Zij was geheel alleen in deze eenzaamheid en zat onbeweeglijk
met starre oogen voor zich uit te staren.
Hij ging naar haar toe en herkende toen madame Vincent, die hem met
een gebroken stem toefluisterde:
"Ja, Rose heeft vandaag zoo geleden! Van den vroegen morgen af heeft
zij aan één stuk door gekreund... En nu zij een paar uur geleden in
slaap gevallen is, durf ik mij niet te verroeren, omdat ik bang ben,
dat zij anders wakker wordt en weer pijn krijgt."
Zij bleef onbeweeglijk zitten, een martelares van een moeder, die
reeds maanden lang haar kind zoo hield in de hardnekkige hoop het te
genezen. Zij had het op haar armen naar Lourdes gebracht, droeg het
daar rond, suste het in slaap op haar armen, daar zij geen kamer,
zelfs geen ziekenhuisbed had.
"Gaat het dan niet beter met de kleine?" vroeg Pierre, wiens hart
bloedde.
"Neen, mijnheer de abbé, ik geloof het niet."
"Maar," zeide hij, "u zit toch heel ongemakkelijk op die bank. Men
had moeite moeten doen om u niet zoo op straat te laten blijven. Men
zou uw kind ongetwijfeld ergens opgenomen hebben."
"Och, waar zou dat goed voor zijn, mijnheer de abbé? Zij ligt heel
goed op mijn schoot. En bovendien zou men haar toch niet altijd zoo
bij me gelaten hebben... Neen, ik heb haar maar liever bij me, dat
zal haar ten slotte nog redden, geloof ik."
Twee dikke tranen vielen over haar onbeweeglijk gezicht. Dan ging
zij voort:
"Ik ben niet zonder geld. Ik had dertig sous, toen ik van Parijs
wegging, en ik heb er nu nog tien over... Ik heb aan brood voldoende
en die arme stumperd hier kan zelfs geen melk verdragen... Ik kom nog
wel toe tot we weer weggaan, en als zij beter wordt, o, dan zullen
wij rijk zijn, rijk, rijk!"
Zij boog zich voorover en keek in het flikkerende licht naar het
bleeke gezichtje van Rose, wier lippen door haar zwakke ademhaling
half geopend werden.
"Kijk u eens, hoe zij slaapt!... De Heilige Maagd zal medelijden
met haar hebben en haar beter maken, niet waar, mijnheer de abbé? We
hebben nog wel maar één dag, maar ik wil niet wanhopen; ik zal den
heelen nacht hier blijven bidden... Morgen zal het geschieden, ze
moet nog tot morgen blijven leven."
Een oneindig medelijden maakte zich meester van Pierre, die, uit vrees,
dat ook hij anders in tranen zou uitbarsten, wegging.
"Ja, ja, arme vrouw, blijf hopen."
En hij liet haar alleen achter in de groote, ledige, stinkende zaal,
tusschen de door elkaar gegooide banken, zóó onbeweeglijk in haar
smartelijke moederliefde, dat zij haar adem inhield, uit vrees, dat
het piepen van haar borst de kleine zieke wakker zou maken. Geradbraakt
bad zij, met gesloten mond, vurig.
Toen Pierre weer bij Marie terug was, vroeg zij hem dadelijk:
"En zijn er rozen in den omtrek?"
Hij wilde haar blijde stemming niet bederven door haar te vertellen,
wat hij gezien had.
"Neen, ik heb in alle perken rondgekeken, maar er zijn geen rozen."
"Vreemd," zeide zij peinzend. "De geur is zoo zacht en tegelijk zoo
doordringend... Je ruikt het toch zeker ook wel? Nou net is hij weer
zoo buitengewoon sterk, alsof alle rozen van het paradijs om ons in
den nacht ontbloeien."
Doch een uitroep van haar vader viel haar in de rede. Mijnheer de
Guersaint was weer gaan staan, toen hij boven aan de hellingen,
links van de Basilica, lichtende punten verschijnen zag.
"Daar heb je ze eindelijk!"
Inderdaad werd het hoofd der processie zichtbaar. Onmiddellijk
vermenigvuldigden overal de lichtende punten zich en verlengden zich
tot een dubbele, golvende lijn. De duisternis overstroomde alles;
het was als geschiedde dit alles heel hoog, als kwam het uit de
zwarte diepten van het onbekende. En terzelfdertijd begon het gezang,
de litanie, die als een obsessie was, weer; maar zij bleef zoo ver,
zoo licht, dat het scheen, alsof zij niet meer was dan het zachte
suizen, dat in de boomen den naderenden stormwind aankondigt.
"Ik heb het wel gezegd," prevelde mijnheer de Guersaint, "je moet op
den Calvariënberg staan, om alles te zien."
Halsstarrig en stijfhoofdig als een kind kwam hij weer op zijn
eerste denkbeeld terug, en jammerde, dat ze juist de slechtste plaats
uitgekozen hadden.
"Maar waarom gaat u dan den Calvariënberg niet op, vader? Het is nog
tijd genoeg... Pierre zal bij mij blijven."
En met een droef glimlachje voegde zij eraan toe:
"Trouwens, niemand zal me schaken."
Eerst weigerde hij, dan gaf hij echter, niet in staat aan den drang
van zijn verlangen weerstand te bieden, toe. Hij moest zich haasten,
vlug de grasperken overloopen.
"Blijf hier onder de boomen op mij wachten. Ik zal je wel vertellen,
wat ik boven gezien heb."
Pierre en Marie bleven alleen in dit donkere, eenzame hoekje,
doorbalsemd met rozengeur, zonder dat er één enkele roos in de
nabijheid was. Zij spraken niet, keken naar de processie, die zacht
en ononderbroken naar beneden gleed.
Het was als een dubbele rij levende sterren, die, aan den linkerhoek
van de Basilica opkomend, nu de monumentale helling volgde, welker
ronding zij duidelijk afteekende. Op dezen afstand kon men nog steeds
de pelgrims, die de kaarsen droegen, niet zien; het waren slechts
wandelende, gedisciplineerde lichtjes, die in de donkerte rechte
lijnen trokken. De bouwwerken zelf bleven onder den donkerblauwen
nachthemel vaag, werden nauwlijks door een verdichting van de
duisternis aangegeven. Maar langzamerhand lichtten, naarmate het
aantal kaarsen grooter werd, de architectonische lijnen òp, de slanke
spitsbogen der Basilica, de cyclopische gewelven der hellingen, de
zware, samengedrukte gevel der Rozenkranskerk. Met den ononderbroken
stroom van helle vonken, die rustig voortkabbelde op de hardnekkige
manier van een buiten haar oever getreden rivier, die door niets meer
tegengehouden wordt, kwam als het ware een morgenrood, een lichtende
wolk, die steeds grooter werd en eindelijk den geheelen horizont in
haar glans laadde.
"Kijk toch eens Pierre, kijk toch eens!" riep Marie in haar kinderlijke
blijdschap. "Dat houdt maar niet op, steeds komen er meer."
Inderdaad duurde daar omhoog het plotselinge verschijnen van
kleine lichtjes met een mechanische regelmatigheid voort, alsof een
onuitputtelijk hemelsche bron dat zonnestof uitgestort had. Het hoofd
der processie had ter hoogte van de gekroonde Heilige Maagd de tuinen
bereikt, zoodat de dubbele vlammenlijn nog slechts den omtrek van
het dak der Rozenkranskerk en van de groote trap afteekende. Doch
de nadering der menigte maakte zich voelbaar door een onrust in de
lucht, een levenden, van verre komenden ademtocht; vooral de stemmen
klonken sterker, de litanie van Bernadette zwol aan tot het gebruis
van een opkomenden vloed, die het refrein: "Ave, ave, ave Maria!" in
een rhythmisch gewieg steeds hooger en hooger stijgen deed.
"O, dat refrein!" prevelde Pierre, "het dringt je tot in je huid
door. Straks gaat mijn heele lichaam het nog zingen."
Weer liet Marie haar zacht kinderlachje hooren.
"Ja, dat is zoo, het volgt mij ook overal; vannacht heb ik het in
mijn slaap ook gehoord. En vanavond ook weer, het is als wiegt het
mij boven de aarde."
Dan viel zij zichzelf in de rede:
"Daar zijn ze aan den onderkant van het perk, vlak tegenover ons."
Nu volgde de processie de lange rechtsche allée en kwam, na om het
Croix des Bretons heen gekropen te hebben, langs de andere rechtsche
laan terug. Ze hadden meer dan een kwartier noodig, om deze beweging
uit te voeren. Nu vormde de dubbele lijn twee lange strepen evenwijdige
lichtjes, waarboven een triomphantelijke zonnefiguur uitstak. Maar
het blijvende-mooie was het ononderbroken kronkelen van die vuurslang,
wier gouden ringen zoo zacht over den zwarten grond kropen en zich in
het oneindige verlengden, zonder dat het reusachtige zich ontrollende
lichaam ooit scheen te eindigen. Verschillende malen had er blijkbaar
ergens een opstopping plaats; de lijnen bogen zich dan als zouden
zij breken, maar de orde was spoedig weer hersteld, waarna het naar
beneden glijden met langzame regelmatigheid opnieuw begon. Een melkweg
met zijn beving van werelden was van uit den hooge neergevallen en
zette op aarde zijn sterrenreidans voort. Een blauw licht sijpelde
naar beneden, er bestond niets meer dan de hemel, de gebouwen en
de boomen namen in den geheimzinnigen glans der duizenden kaarsen,
wier aantal steeds grooter werd, droomvormen aan.
Marie stiet een zucht van ademlooze bewondering uit; zij kon er geen
woorden voor vinden, herhaalde maar steeds:
"Wat is het mooi, lieve God, wat is het mooi!... Kijk toch eens,
Pierre, hoe mooi het is!"
Maar sedert de processie op enkele passen van hen verwijderd voorbij
hen trok, was het niet meer een rhythmische loop van sterren, die door
geen hand gedragen werden. In de lichtwolk onderscheidden zij thans
de lichamen, herkenden zij in het voorbijgaan nu en dan de pelgrims,
die de kaarsen vasthielden. Eerst kwam la Grivotte, die ondanks het
late uur aan de processie had willen deelnemen; zij overdreef haar
genezing, beweerde steeds weer, dat zij zich nooit beter gevoeld
had en behield in den frisschen avond, die haar rillen deed, haar
overspannen, dansende manier van loopen. Dan kwamen de Vignerons,
de vader voorop, met zijn kaars hoog in de lucht, gevolgd door madame
Vigneron en madame Chaise, die haar uitgeputte beenen voortsleepten,
terwijl de kleine Gustave, wiens rechterhand met kaarsvet overdekt
was, met zijn kruk het zand stampte. Alle zieken, die loopen konden,
waren er: ook Elise Rouquet, die met haar ontbloot rood gezicht als
een verdoemde mede liep. Velen lachten; de het vorige jaar door het
wonder genezen kleine Sophie Couteau speelde met haar kaars als met
een stok. Hoofden volgden steeds weer op hoofden; voornamelijk waren
het vrouwen, de meesten akelig alledaagsch, enkelen met een trotsche
houding, die je een seconde even vluchtig zag en welke dan weer in de
phantastische verlichting onderdoken. Eindigen wilde het niet: steeds
kwamen er weer anderen, onder wie zij nog een heel bescheiden schim
opmerkten, madame Maze, die zij zeker niet herkend zouden hebben, als
zij niet even haar bleek, door tranen overstroomd gelaat opgeheven had.
"Kijk," zeide Pierre tegen Marie, "daar zijn de eerste lichtjes der
processie op de place du Rosaire, en ik ben er zeker van, dat de
helft der pelgrims nog voor de Grot staat."
Marie keek op en inderdaad zag zij in de hoogte bij den linkerhoek
der Basilica regelmatig en zonder ophouden nieuwe lichtjes opduiken
met een soort mechanische beweging, die nooit scheen op te houden.
"Ach," zeide zij, "wat een belaste en beladen zielen. Ieder van die
kleine vlammetjes is immers een ziel, die lijdt en zich bevrijdt?"
Pierre moest zich over haar heen buigen om haar te kunnen verstaan,
want de litanie van Bernadette verdoofde hen, nu de stroom zoo vlak
langs hen vloeide. De stemmen klonken in een steeds grooter wordende
zinsverbijstering, de strophen werden langzamerhand door elkaar
gezongen, ieder deel der processie hief het zijne aan met stemmen
als van bezetenen, die zichzelf niet meer verstonden. Het was een
eindeloos, verward geschreeuw, het razende geschreeuw van een menigte,
die door haar geloofsijver geheel bedwelmd wordt. En steeds weer kwam
het refrein, het Ave, ave, ave Maria! terug en klonk met zijn rhythme,
dat was als een krankzinnig makende obsessie, boven alles uit.
Tot hun verbazing zagen Pierre en Marie opeens mijnheer de Guersaint
voor zich staan.
"Ach, kinderen, ik wilde me daarboven niet verlaten, en ben tweemaal
door de processie heengeloopen om hier te komen... Maar wat een
gezicht! Het is werkelijk het eerste moois, dat ik zie, sedert ik
hier ben!"
En hij begon hun de processie te beschrijven, zooals hij die van af
den Calvariënberg gezien had.
"Stel je een tweeden hemel hier beneden voor, welke den glans van
dien hierboven weerkaatst, maar een hemel, die heelemaal door één
enkel, reusachtig sterrenbeeld ingenomen wordt. En dat sterrengewemel
schijnt zich heel ver in donkere diepten te verliezen. De vuurstroom
is precies een monstrans, ja, een echte monstrans, waarvan de voet
gevormd wordt door de hellingen, de schacht door de twee evenwijdige
alleeën en de hostie door het ronde grasperk, dat ze bekroont. Het
is een monstrans van brandend goud, die diep in de duisternis met
een voortdurend fonkelen van wandelende sterren opvlamt. Je ziet
niets dan dien reusachtigen en grootschen monstrans... Waarachtig,
ik heb nog nooit zoo iets buitengewoons gezien!"
Hij zwaaide zijn armen heen en weer, was buiten zichzelf van artistieke
ontroering.
"Vadertje," zeide Marie liefdevol, "nu u toch hier bent, moest u maar
naar het hotel teruggaan, om nog wat te slapen. Het is nu bijna elf
en morgenochtend om drie uur moet u weer weg."
En om hem over te halen, voegde zij er aan toe:
"Ik vind het zoo prettig, dat u dat uitstapje gaat maken... Maar
zorg, dat u morgenavond vroegtijdig terug bent, want u zult zien,
u zult zien..."
Zij durfde haar vaste overtuiging, dat zij genezen zou, niet
uitspreken.
"Je hebt gelijk, ik ga nu maar naar bed," zeide mijnheer de Guersaint
gekalmeerd. "Nu Pierre bij je is, ben ik niet ongerust."
"Maar," riep zij uit, "ik wil niet, dat Pierre vannacht bij mij
blijft. Wanneer hij mij straks naar de Grot gebracht heeft, komt hij
weer bij u... Ik heb niemand noodig, de eerste de beste brancarddrager
zal mij morgenochtend wel naar het Hôpital brengen."
Pierre zweeg eerst even. Dan, eenvoudig:
"Neen, neen, Marie, ik blijf... Ik zal, evenals jij, den nacht in de
Grot doorbrengen."
Zij wilde aandringen, boos worden. Maar hij had het zoo zacht gezegd,
zij had in zijn woorden een zoo smartelijk verlangen naar geluk
gevoeld, dat zij, tot in het diepst van haar ziel geroerd, haar
woorden terugdrong.
"Enfin, kinderen," begon haar vader weer, "dat moeten jullie samen
maar uitvechten, jullie bent verstandig genoeg. En nu goeden nacht,
maakt je over mij maar geen zorg."
Hij gaf zijn dochter een paar hartelijke kussen, drukte de beide
handen van den priester; ging dan weg en verdween in de dichte rijen
der processie, waar hij opnieuw doorheen moest.
Nu waren zij alleen in hun donker en eenzaam hoekje onder de groote
boomen; zij nog altijd achter in haar wagentje zittend, hij geknield
in het gras en met zijn elleboog leunend op een der wielen. Het
was aanbiddelijk mooi: het voorbijtrekken der kaarsen duurde voort,
terwijl zij zich door het groot aantal bochten, dat zij maakten, tot
één groote massa ophoopten. Wat hem vooral aangenaam trof was dat er
van het kermisgedoe van overdag niets meer over Lourdes was blijven
hangen. Het was, alsof van de bergen een zuiverende wind neergestreken
was, die den sterken etensgeur, de vraatzuchtige Zondagsvreugde, al dat
gloeiend en vergiftigd kermisstof, die om de stad hingen, weggevaagd
had. Nu breidde zich nog slechts een eindelooze hemel met reine sterren
over hen uit; de koelte van den Gave verkwikte hen, de zuchtende
briesjes droegen geuren van wilde bloemen aan. De oneindigheid van het
mysterie ging op in den onbeperkten vrede van den nacht, en van de
zware stoffelijke wereld bleef niets over dan die kleine vlammetjes
der kaarsen, welke Marie zooeven vergeleken had met lijdende zielen,
welke op het punt staan zich te bevrijden. Een weldadige rust, die hem
met een oneindige hoop vervulde, kwam over hem. Sedert hij daar was,
verdwenen langzamerhand de kwetsende herinneringen van den namiddag,
de gulzige vraatzucht, het onbeschaamde schacheren in wat heilig zijn
moest, de moreel achteruitgegane en tot prostitutie vervallen oude
stad uit zijn geest, om hem geheel te doen opgaan in die goddelijke
verkwikking, in dien zoo wondermooien nacht, waarin zijn geheele ziel
zich onderdompelde als in een bad der herrijzenis.
Marie, zelf ook door een oneindige teederheid vervuld, prevelde:
"Wat zou Blanche gelukkig zijn, als zij al die heerlijkheden zien kon!"
Zij dacht aan haar zuster, die te Parijs achtergebleven was en zich
daar aftobde met het geven van lessen. Maar dit eenvoudige woord,
het noemen van den naam van haar zuster, over wie zij sedert haar
komst te Lourdes niet gesproken had en die nu plotseling voor haar
herinnering oprees, was voldoende om het geheele verleden voor hun
geest op te roepen.
Zonder te spreken, doorleefden Marie en Pierre nog eenmaal hun
kindertijd, hun spelen van vroeger in de twee aan elkaar grenzende,
slechts door een levende haag gescheiden tuintjes. Dan kwam de
scheiding, toen hij naar het seminarie ging en zij hem, heete tranen
schreiend, op de wangen kuste met de belofte hem nooit te zullen
vergeten. Jaren verstreken, en zij vonden elkaar terug, voor eeuwig
gescheiden: hij priester, zij aan het ziekbed gekluisterd zonder
eenige hoop ooit vrouw te worden. Dat was hun heele geschiedenis,
een vurige, zichzelf lang onbewust gebleven liefde, dan een breuk,
alsof zij gestorven waren, hoewel zij naast elkander leefden. Nu zagen
zij de armzalige woning terug, die de oudste zuster door haar lessen
wat behaaglijk trachtte te maken, die armzalige woning, waaruit zij
naar Lourdes vertrokken waren na veel strijd en veel beraad: zijn
twijfel en haar hartstochtelijk geloof, dat ten slotte overwonnen
had. Het was werkelijk heerlijk elkaar zoo alleen weer te vinden
in dit donkere hoekje, in dezen wondermooien nacht, waarin op aarde
evenveel sterren waren als in den hemel.
Marie had tot nog toe haar kleine kinderzieltje bewaard, een
sneeuwwitte ziel, zooals haar vader zeide, een goede, reine ziel. Op
haar dertiende jaar door haar ziekte aangetast, was zij niet ouder
geworden. Nu, op haar drie-entwintigste, was zij nog altijd dertien,
een kinderlijk, in zichzelf gekeerd zieltje gebleven. Men zag het aan
haar hartstochtlooze oogen, aan haar verstrooide gelaatsuitdrukking,
aan haar onrustig zoekenden blik, aan haar onvermogen om iets anders te
willen. Geen vrouweziel was onschuldiger dan de hare, die, achterlijk
gebleven als zij was, de ziel van een groot, zedig meisje was, bij
wie de ontwakende hartstocht zich met een innigen kus op de wangen
tevreden stelt. Zij had geen anderen roman gehad dan het afscheid,
dat zij weenend van haar vriend genomen had, en dat was gedurende
tien jaar voldoende om haar hart geheel te vullen.
In de eindelooze dagen, die zij op haar ziekbed doorgebracht had, was
zij nooit verder in dien droom gegaan, dan dat hij, als zij gezond
gebleven was, ongetwijfeld nooit priester geworden zou zijn, om met
haar te kunnen leven. Nooit las zij een roman. De vrome boeken, die zij
hebben mocht, hielden in haar de geestdrift voor een bovennatuurlijke
liefde wakker. Zelfs de geluiden van buiten stierven weg aan de
deur van de kamer, waar zij als in een klooster leefde; vroeger,
toen men haar van het eene einde van Frankrijk naar het andere, van
de eene boeteplaats naar de andere bracht, ging zij door de menigte
als een slaapwandelaarster, die niets hoort en niets ziet, doch
geheel beheerscht wordt door de idée fixe, dat zij reddeloos verloren
was. Vandaar die onschuld en kinderlijkheid, dat aanbiddelijke meisje
des lijdens, dat, opgegroeid met haar armzalig lichaam, in haar hart
niets bewaarde dan de onbewuste liefde van haar dertien jaar.
Marie's hand zocht in de duisternis die van Pierre, en toen zij deze,
die de hare tegemoet kwam, vond, hield zij die lang en innig vast. Welk
een vreugde! Nooit hadden zij een zoo reine en zoo volmaakte vreugde
gesmaakt, als nu zij hier samen ver van de wereld in die onbeperkte
bekoring van de duisternis en het mysterie waren. Om hen heen was
slechts de rondedans der sterren. Het in slaap wiegende gezang zelf
was als de duizeling, die hen op vleugelen medevoerde. Marie wist,
dat zij den volgenden dag genezen zou worden, wanneer zij een nacht
van godsdienstige extase in de Grot doorgebracht had: het was voor
haar een absolute zekerheid, dat de Heilige Maagd haar zou verhooren,
dat zij haar vermurwen zou, wanneer zij zich van aangezicht tot
aangezicht met haar bevond, om haar te smeeken. En zij begreep heel
goed wat Pierre ermede bedoelde, toen hij den wensch uitgesproken had
ook den nacht voor de Grot door te brengen. Was hij niet besloten een
allerlaatste poging te wagen om zijn geloof terug te krijgen, neer te
knielen als een klein kind, om de Heilige Maagd te smeeken hem zijn
geloof terug te geven. Nu nog, zonder dat zij behoefden te spreken,
herhaalden hun in elkaar liggende handen die dingen. Zij beloofden
elkaar voor elkander te bidden; zij vergaten zichzelf zoozeer dat
de een in de ander geheel opging met een zoo vurigen wensch voor hun
genezing, voor hun wederzijdsch geluk, dat zij op dat oogenblik even
den grond aanraakten der liefde, die zich geeft en zich opoffert. Het
was een hemelsche genieting.
"O," prevelde Pierre, "die blauwe nacht, die eindelooze duisternis,
welke al het leelijke van menschen en dingen wegvaagt, die wijde
weldadige vrede, waarin ik mijn twijfel zou willen in slaap wiegen..."
Zijn stem begaf hem. En op haar beurt zeide Marie heel zacht:
"En de rozen, die heerlijke rozengeur... Ruik jij ze niet, Pierre? Waar
zijn ze toch, dat jij ze niet gezien hebt?"
"Ja, ja, ik ruik ze, maar er zijn geen rozen. Ik zou ze zeker gevonden
hebben, want ik heb goed gezocht."
"Hoe kan je zeggen, dat er geen rozen zijn, waar zij de lucht om ons
heen doorbalsemen en wij als het ware baden in haar geur? Op sommige
oogenblikken is hij zoo sterk, dat ik mij bijna bezwijmen voel van
de vreugde hem te mogen inademen!"
"Neen, neen, ik zweer het je, ik heb overal gekeken, er zijn geen
rozen. Of wel zij moeten onzichtbaar zijn of het gras zelf, dat wij
met onze voeten vertrappen, die groote boomen, die ons omringen,
of haar geur stijgt op uit de aarde, uit de rivier hier vlak bij,
uit de bosschen en uit de bergen."
Zij zwegen een oogenblik. Dan begonnen zij weer op denzelfden
fluisterenden toon:
"Wat ruiken zij heerlijk, Pierre! Het lijkt wel, of onze in elkaar
liggende handen ook een rozenruiker zijn."
"Ja, zij rieken heerlijk lekker. En nu is het, alsof die geur uit
jou opstijgt, Marie, alsof de rozen opbloeien uit jouw haren."
Zij spraken niet meer. De processie trok nog steeds voorbij, steeds
nog kwamen helle vonken van achter de Basilica, die als uit een
onuitputtelijke bron uit de duisternis opborrelden. De eindelooze
stroom der kleine, wandelende vlammen groefde in zijn dubbelen
kringloop de duisternis met een vurig lint. Maar het mooiste schouwspel
zag men op de place du Rosaire, waar het hoofd der processie, zijn
langzame zwenking volhoudend, zich in een steeds nauwer wordenden
kring draaide, die de van moeheid half geradbraakte pelgrims ten
slotte duizelig maakte en hun gezang tot iets als verbittering deed
stijgen. Weldra was deze kring niet meer dan een brandende kern,
de kern van een nevelvlek, waaromheen het vurige lint, dat geen einde
scheen te nemen, zich langzaam oprolde; en steeds breidde die kern zich
uit, werd een vijver, dan een meer. De heele wijde place du Rosaire
veranderde in een brandende zee, die haar kleine fonkel-golfjes
voortrolde in den wervelstroom van dezen nooit stilstaanden
draaikolk. Een dageraad-weerschijn deed de Basilica òplichten. Ter
zijde zag men slechts enkele verdwaalde kaarsen alleen wandelen als
glimwormen, die met behulp van hun klein lantaarntje hun weg zochten.
Een deel der processie was blijkbaar op den Calvariënberg
verdwaald, want ook daar in de hoogte bewogen zich in de open lucht
sterren. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat de laatste kaarsen
verschenen, de grasperken omtrokken en uitstroomden in de vlammenzee,
waarin zij verdronken. Dertigduizend kaarsen brandden daar, steeds nog
in kringen ronddraaiend en hun gloed aanwakkerend onder den wijden
rustigen hemel, waarin de sterren verbleekten. Een lichtdamp steeg
op met het gezang, waarvan de obsessie was blijven voortduren. En
het dreunen der stemmen, de Ave, ave, ave Maria! waren als het
geknetter zelf der vlammende harten, die zich uitputten in gebeden,
om de lichamen te genezen en de zielen te redden.
Een voor een waren de kaarsen uitgegaan; de nacht viel weer als
onbeperkt heerscher donker en mild neer, toen Pierre en Marie merkten,
dat zij daar nog hand in hand onder het mysterie der boomen verborgen
waren. In de verte, in het donkere Lourdes, vroegen nog slechts enkele
verdwaalde pelgrims den weg, om hun bed terug te vinden. Ritselingen
streken door de donkerte, alles wat rondsluipt en den slaap zoekt
op het einde van feestdagen. Maar zij vergaten tijd en omgeving,
bewogen zich nog steeds niet, onuitsprekelijk gelukkig, in den geur
der onzichtbare rozen.