INLEIDING

De heer J. M. Meulenhoff verzoekt mij een kort woord ter inleiding te

schrijven voor Zola's bekende serie: Lourdes, Rome, Parijs. Ik kan in

deze beknopte inleiding over de literaire en dramatisch-psychologische

waarde van zijn drie romans, als nawerk op de "Rougeon-Macquart"-serie,

niet uitwijden. De simpele bedoeling is vooral er op te wijzen dat

hier in ons land, naar mijn weten voor het éérst een volledige en

onverminkte vertaling verschijnt van deze drie groote Zola-boeken. Dát

feit verkondig ik met vreugde; nogmaals gansch en al afgescheiden

van de scheppende waarde welke ik zelf deze latere producten in de

rij van Zola's overige werken, toeken. Tegenover dezen "realist"

is men in Holland, vooral in den jongsten tijd, op een waarlijk

schandelijke en weerzinwekkende wijze opgetreden. Men heeft in vele

gevallen zijn arbeid voor het allergrootste deel als pornographische

prikkel-literatuur met kabaal en handelsreclame onder de massa

geworpen. Men heeft het vuile, smerige, zwoele, alleen-sensueele en

dierlijk-menschelijke opgezocht, aangedikt en vaak geheel los van alle

psychologisch karakter-verband naar voren gebracht. Men heeft met

schunnige bijbedoelingen de groote scheppingen van Zola onbekommerd

verknoeid, ze geheel naar willekeur en grof handelsbelang besnoeid,

verminkt, saâmgelapt en beduimeld. Men heeft ermee omgesprongen als

met een verachtelijke waar, slechts geschikt voor de bevrediging der

gemeenste zinnedriften. Nu eindelijk verschijnen de "Drie steden" in

een verzorgde vertaling, met piëteit volbracht tegenover een groot

schrijver; een vertaling waarin geen regel van het oorspronkelijke

wierd weggelaten.

Het is misschien goed er aan te herinneren, dat dit boek in Frankrijk,

in de orthodox-katholieke kringen, een krijtende woede heeft uitgelokt,

maar dat men later is gaan inzien hoezeer Zola van zijn standpunt het

"wonder" van geloofsgenezingen verklaarde gelijk de geheele school

van Nancy en Parijs dit met het probleem der suggestie en hypnose

reeds lang deed op physiologische en psychologische gronden. Ook

nu weer zal "Lourdes" in de rechtzinnige kringen verzet wekken en

tegenspraak ontmoeten. Doch nu is het psychiatrisch materiaal veel

rijker aanwezig. Opmerkelijk mag het heeten, dat Emile Zola in den

tegenwoordigen tijd door de allerjongste jongeren en snobs weer met

even groote minachting, met even fellen afschuw en huivering besproken

wordt als bij zijn intrede in de Fransche letterkunde. Léon Bloy vooral

in zijn hysterisch-felle, uitbrakende scheldrazernij en verachting

voor den "slechten" schrijver en "gebrekkigen" woordkunstenaar

Zola, gaf den toon aan. Na dezen genialen woesteling en overdadigen

dwepeling zijn er tallooze Léon Blaffertjes gekomen die den Franschen

Meester hebben gehoond en gesmaad op de meest walgelijke en tartende

wijze. Het waren inzonderheid de sensationeele persmuskieten, de

ellendige futlooze prutsers en schaamtelooze lawaai-journalistjes die

in partij-haat en valsche dweepzucht den grooten romanticus naamloos

krenkten en beleedigden. Ik behoef gelukkig slechts tegenover den

geniaal-scheldenden, doch uiterst-beperkten Léon Bloy te plaatsen

de dikwijls uitgesproken bewondering van den veel grooteren Gustave

Flaubert. Telkens kunt gij in Flaubert's "Correspondance" iets lezen

van vurigen lof op Zola... "Ik voleindig zoo even juist uw boek. Ik

duizel er nog van. Het is zeer machtig." "Je viens de finir votre

atroce et beau livre! J'en suis encore étourdi. C'est fort! Très

fort!" (Correspondance van Gustave Flaubert, dl. IV, pag. 164). Ook

noemt Flaubert elders Zola's werk zeer sterk, vurig en gezond. Wel

van een hartstochtelijke wildheid en bewogenheid, doch meestal van

groote waarneming en groote diepte. Zeer bewondert Flaubert Martha in

de "Conquête des Plassans". Het slot noemt hij "een wonder". "Quant à

elle (Marthe), je ne saurais vous dire combien elle me semble réussie,

et l'art que je trouve au développement de son caractère, ou plutôt

de sa maladie. J'ai surtout remarqué les pages 194, 215 et 217, 261,

264, 267. Son état hystérique, son aveu final (p. 350 et 19) est une

merveille." (Correspondance, dl. IV, pag. 213). En over "Mes haines"

schrijft Flaubert: "La préface de vos "Haines" m'a ravi, mon cher

Zola. Voilà tout ce que j'ai à vous dire. Je ne la connaissais pas et

j'en suis féru! Bravo! Voilà comme il faut parler." (Correspondance,

dl. IV, pag. 383). Over den fielterig- en gemeen-uitgescholden roman

"Nana" zegt de geweldige Gustave Flaubert: "Ik heb gisteren heel

den dag tot middernacht met het lezen van uw "Nana" doorgebracht. Ik

sliep er niet van... Ik sta verstomd... De karakters zijn wonderen van

waarheid..." "à la fin, la mort de Nana est Michelangelesque!" Un livre

énorme...! Page 415. Plein de de grandeur, épique, sublime!... Page

483. Très grand, très grand!... Pages 489-90. Comme c'est vrai

et intense!... Page 504. Rien de plus haut. Page XIV. Au-dessus

de tout!--Oui! ... n... de De...! sans pareil." (Correspondance,

dl. IV, pag. 408-409). Verder spreekt Flaubert van... "Mignon! avec ses

fils! ineffable de beauté!... Tout ce qui regarde Fontan parfait... La

paternité de tous ces messieurs, adorable... Nana tourne au mythe,

sans cesser d'être réelle." (Correspondance, dl. IV, pag. 408-409).

Ik zou ook nog kunnen spreken over de afgodische vereering hier in

ons land, die eens Van Deyssel voor Zola uitsprak; over de groote

bewondering van Johan De Meester, Frans Coenen, mr. Erens, Henriëtte

Roland-Holst en vele anderen. Want bijna altijd is Zola het meest

gehavend geworden door de klein-krenkende, onbeduidende, anonieme

dagblad-criticasters, die in hun vinnige jaloerschheid den reus te

lijf gingen als een gonzende zwerm angellooze horzeltjes. Ook de

titanische Balzac wierd schromelijk toegetakeld door de journalisten

van het allermiddelmatigste slag. Balzac zelf verachtte en bespotte

hen. Toch waren er zeer sluwe rakkers onder die hem sarden en

beleedigden. Ik behoef slechts te wijzen op Eugène Poitou, die als

een echte schelm Balzac's grootheid heeft aangerand en eindelijk zoo

verrukkelijk-hooghartig is afgestraft door Barbey d'Aurévilly. Ik

behoef slechts te wijzen op de artikelen-reeks van Henri Duvernois

die indertijd heeft aangetoond op welk een grove en duldelooze wijze

Balzac's werk in dommen haat en boosaardigheid is neergehaald. Zola

was nu even reusachtig van episch gebaar als Balzac, al klonk de

Pantagruellische lach van den "Comédie humaine"-schepper soms guller

en soms satanischer. Le Lucifer de la literature, zooals Anatole France

Balzac noemde, had zich door Gosselin een wandelstok laten snijden, "la

ridicule canne", de monsterlijk-zware tambour-majoor-rotting, poenig

opgepronkt met allerlei steenen, waarmee hij van zich afranselde,

op pedante collega's en afgunstige vijanden. Reeds vroeger schreef

ik hoezeer Balzac het mikpunt is gebleven van laffen, oneerlijken

spot, van karikatuur en giftigen hoon. Gozlan en Mme Hanska doen

ons gevoelen hoe driest Balzac wierd afgemaakt en neergehaald door

de nietigste journalisten-keffertjes, drollige snaakjes; door bijna

alle dagbladen van zijn tijd en hoe allerlei blufferige dwergjes met

catapult's tegen den reus uittrokken. Balzac zelf had een afschuw

van deze soort journalisten. Zie o. a. "Un grand homme de Province à

Paris" en beluister Balzac's spot-woord naar Lireux: "Encore une fois,

pardon, monsieur Lireux, mais j'en ai fini depuis longtemps et fini

pour toujours avec les journalistes; c'est entre nous une guerre de

sauvages: ils veulent me scalper à la manière des Mohicans, et moi

je veux boire dans leur crâne à la manière des Muscoculges".

Ook Zola stond in dezelfde houding tegenover zijn vernietigende

critici die hij nog veelvuldiger vond in Frankrijk dan Balzac, omdat

deze althans was en bleef "bon catholique" en Zola aarts-atheïst

en anarchist wierd gescholden. Ook in Lourdes is Zola, in zijn

romantiek en in zijn ten deele evangelisch, mystiek profetisme,

allicht dieper religieuze natuur dan vele zoogenaamde rechtzinnigen

in de leer die hem verdoemen en de hel invloeken, om zijn aanranding

van het godsbegrip. Nogmaals, ik onthoud mij van iedere literaire

carakteristiek dezer "Drie steden"-serie. Slechts wijs ik op hare

groote belangrijkheid als sociale uiting en wellicht is in geen

zijner werken zoo sterk Zola's eigen maatschappijen levensbeschouwing

uitgesproken als in deze romans.

Dat onder de groote modernen in Zola's eigen land ook nog vurige

bewonderaars leven van zijn genie, bleek mij onlangs opnieuw, uit

een gesprek met den buitengewonen Franschen schilder Le Fauconnier,

die met groote geestdrift en warmte Zola huldigde en ook gretige

bewondering te kennen gaf voor zijn kunst-critischen arbeid.

Het is voor mij nu reeds een zekerheid, dat ná de beschimpings-periode

van onfrissche modernelingen, snobs en kwasi-vergeestelijkten, er een

tijd zal komen dat ook Zola weer, bij al zijn fouten en gebreken, in

volle grootheid zal worden genoemd, hoe gansch anders men in wezen ook

mag staan tegenover zijn kunst-opvattingen, zijn maatschappij-critiek

en zijn moraal.

Is. Querido.

De drie steden: Lourdes · 第 9 / 41 题