BESLUIT.

»Bloemduin, 22 Mei.

»Ik ben thuis, Gustaaf! Ik zit tusschen papa en mama, je weet wel, op

het oude plekje; papa houdt zich of hij de courant leest, maar telkens

als ik opkijk knikt hij me toe, en ik kijk maar telkens op, om hem

pleizier te doen; mama heet kousen te mazen, maar ik wil wedden dat ze

niet één paar afkrijgt van middag, want ze doet niets dan me bedienen

en mijn handen streelen en mijn haar glad strijken.

»O, Gustaaf, die dierbare oude gezichten zoo te zien stralen, die

liefkoozingen, die je opeens weer kind maken, te voelen, is alleen de

moeite van de reis waard!

»Ze zouden me liefst geen oogenblik verlaten; gisteren toen ik naar

mijn kamer ging—mijn eigen lief meisjeskamertje—liep pa mee tot aan de

deur, moest ma me helpen uitkleeden en toedekken; het was een gekus en

een goeden nacht zeggen alsof ze bang waren dat ik weer zou wegvliegen;

van morgen toen ik wakker werd stonden ze hand aan hand voor mijn

bed... wie heeft ons toch gezegd dat het weerzien, als men uit Indië

komt, een teleurstelling is? Het moet iemand geweest zijn die geen

ouders meer vond.

»Ze brachten me je telegram met dat hartelijk: »Welkom thuis!« Hoe lief

van je! Begreep je dat dit het eenige was, wat aan mijn geluk ontbrak,

een groet uit Buitenzorg? Wat denk je tegenwoordig veel aan me, man!

»Gister waren we niet zóó gelukkig als vandaag, we waren geloof ik, te

zenuwachtig om te genieten. We konden niets zeggen; we lachten maar

eens tegen elkaar, en dan kregen we de tranen in de oogen en moesten

ons weer omdraaien. Maar vandaag! vandaag is het verrukkelijk! We zijn

op al de oude lieve plekjes geweest, James ook. We moesten natuurlijk

om hem wat langzamer loopen; maar ik vond het prettig dat het zoo

langzaam ging; ik had aan zooveel te denken, zooveel lief en goeds en

vriendelijks... O, wat is ’t toch een voorrecht een gelukkige jeugd

gehad te hebben; ’t is als de kruik met koelen drank die men den

reiziger meegeeft; telkens wanneer hij zich vermoeid gevoelt, put hij

uit haar nieuwe kracht.

»Toen ik papa in Genua zag—want hij was in Genua, zooals ik

verwachtte—vond ik hem oud geworden, maar sinds is het alsof hij elken

dag bijkomt; mama zegt, dat hij veel geleden heeft onder mijn

afwezigheid, maar hij beweert dat de vreugd van het wederzien de smart

der scheiding te niet heeft gedaan.—Vin je dat niet lief van de tantes?

Het rijtuig was aan den trein om ons af te halen; ze hadden prachtige

bloemen gestuurd, maar ze waren zelve niet gekomen. »We gunnen ze je,«

riepen ze maar, toen pa haar noodigde, »we gunnen ze je! Drie dagen mag

je ze geheel alleen hebben; dán beginnen we te deelen!«—Van morgen

zonden ze aardbeien: ’t waren er maar negen, de allereerste; vijf voor,

mij en vier voor James. Er was een briefje bij; ze schreven dat ze haar

belofte houden wilden en niet komen vóór de drie dagen om waren, maar

dat, als pa er misschien iets tegen vond, ze gaarne haar meening aan de

zijne zouden opofferen... We zijn er dadelijk heengegaan. Och liefste,

wat is het goed dat we in Indië niet weten, hoezeer we betreurd worden

in Holland! Ze konden niet genoeg van je hooren! Ze hielden elk een

hand van me vast; ik moest maar praten, en als een ander iets zei, dan

riep tante Dorothée dadelijk: »Laat háár nu vertellen!« Tante Mina werd

erg ongeduldig, omdat ze niet alles verstaan kon, en tante Bettemie,

die arme blinde ziel, zette mijn hoed af en streek mijn krullen

glad—dat doet iedereen, Gustaaf; maar niemand kan het zooals jij—en

vroeg maar telkens weer, hoe ik er uitzag. En dan riepen vier stemmen

te gelijk: »O, heerlijk! Om te stelen! Liever dan ooit! Nog liever dan

vroeger.« Maar daar werd tante boos om. »Nog liever dan vroeger?... dat

is onmogelijk! dat zeg jullie maar om mij te plagen!«... O, je kunt er

geen voorstelling van maken hoe zalig dat is, zoo’n thuiskomst. Wàt zou

het geweest zijn als we samen gekomen waren!

»Het houdt niet op met brieven en briefkaarten van de broers en

zusters. Het plan is, dat ze, zoo mogelijk, allen Zondag hier zullen

zijn. James verheugt er zich zeer op en ik ook, ik verlang hen allen

terug te zien. Maar toch had ik liever gewild, dat we nog wat met pa en

ma alleen gebleven waren; ze zijn zoo gelukkig!«

»Bloemduin 25 Mei.

»Het is Zondag. Wat is dat toch iets eigenaardigs, zoo’n hollandsche

Zondag: dat feestelijk gevoel waarmee men wakker wordt, die deftige

stilte in de straten, dat nette van de menschen in hun beste pak, dat

plechtig gelui van de klokken: ik heb dat gemist in Indië: ik voel het

nu.

»De broers en zusters zijn allen hier—zelfs Rudolf is uit Groningen

overgekomen, ofschoon hij voor zijn candidaats zit. Pa wou hem eerst

beknorren, maar opeens viel hij zichzelf in de rede en zei: »’t Is goed

jongen, ’t is best: voor háár is niets te veel!« O, die pa! Ik wist

niet dat hij me zóó liefhad! Ze noemen me allen nog bij de oude

naampjes en ze willen me allen bedienen. Als ik zeg dat mijn krullen

vandaag twintigmaal zijn opgedraaid, op twintig verschillende vingers,

dan jok ik niet. ’t Is dwaas, maar ik heb weer dienzelfden indruk, dien

ik als kind had, alsof de zon ’s Zondags anders schijnt dan in de week,

en alsof nergens op de geheele wereld die dag zoo innig genoegelijk

gevierd kan worden als in het oude huis van den burgemeester van

Bloemduin.

»Wij zijn van morgen naar de kerk geweest. Och, wat spijt het me, dat

je dit hebt moeten missen. Je hadt er bij moeten zijn, lieve, het was

zoo eenig, zoo om nooit te vergeten, zoo om je opeens te verzoenen met

het leven op een dorp. De zon scheen dan, zooals zij alleen ’s Zondags

doet; ma ging met James vooruit en dan volgde ik met pa: daarachter de

broers en zusters. Overal zagen we gordijntjes optillen, nieuwsgierige

gezichten over horretjes kijken; de menschen stonden stil aan den kant

van den weg, om ons te laten voorbijgaan—dan was het telkens dezelfde

vertooning! Eerst heel eerbiedig de pet af. »Goeje morge, burgemeester,

goeje morge, mevrouw!« En dan, als ik stilstond en de hand uitstak en

ze bij den naam noemde—ik kende ze allen nog—opeens een heel andere

toon: »Dag juffer Nietje! Dag lief kind! Hoe heb je ’t gehad in den

Oos?« Maar als ik verder ging, dan barsten ze eigenlijk pas los. »Och

Heere, ’t is nog krek dezelfde. Niks niet grootsch! En ze willen toch

wel zeggen, dat ie ’n ergen heugen is daarginder!«

»Maar de held van den dag was James! Hij droeg zijn uniform met kruis

op de borst. Ze hebben van hem gelezen in de couranten; ze weten

precies waar en wanneer hij gewond is geworden, waar hij zijn

Willemsorde verdiend heeft... en—je zult het niet gelooven van die

stijve boeren, maar ze drongen om hem heen en moesten hem zien, een

hand van hem hebben... Op eens stoof Jan Mulder, je weet wel, die

oud-soldaat, op hem af en wees op zijn borst, en riep, hoera! en toen

barstten ze los en gooiden met de petten en tilden hem in de hoogte op

hun schouders... ’t was of ze nooit meer tot bedaren zouden komen... me

dunkt, zijn pijn en lijden zijn hem vergoed.

»Door al dat oponthoud kwamen we laat in de kerk. Maar ook dáár hadden

ze op ons gewacht; toen we binnentraden begon het orgel te spelen en

zong de gemeente het eerste vers van Psalm 103. Je kent het wel?

»Loof, loof den Heer mijn ziel met alle krachten,

Verhef zijn naam, zoo groot, zoo heilig t’ achten,

Och, of nu al wat in mij is Hem prees!«

»Ik hield me goed; bij al mijn geluk en dankbaarheid kon ik toch niet

vergeten, hoe geheel anders nog het zou geweest zijn als je bij me was;

maar James snikte als een kind... hij is ook nog zoo zwak. Ik weet niet

wat de dominé heeft gepreekt. Ik keek maar naar de bekende gezichten,

die zich zoo trouwhartig naar me toekeerden, naar den preekstoel, die

ons, kinderen, zoo menig uurtje hielp doorkomen en die jij zoo

afschuwelijk vondt met die dieren uit het paradijs er op; ik telde de

aapjes en de kraaien en de ijsberen, en ik vond het prettig, dat er nog

precies evenveel waren als vroeger; toen keek ik naar den voorzanger en

lachte met Corrie om de gekke gezichten, die hij nog altijd trekt; toen

merkte ik op, dat de vrouwtjes van het gasthuis een nieuw model van

neepjesmuts hadden gekregen... toch was ik onbegrijpelijk gesticht.

Maar onder het gebed keek ik naar het lieve, oude, grijze hoofd, dat

zich zoo diep boog over de gevouwen handen.

»De tantes hadden ten strengste verboden, dat iemand ons zou bezoeken

vóór een week na aankomst, maar nu was er niets meer aan te doen: ze

stonden op rijen geschaard aan de kerkdeur, ze stroomden letterlijk ons

huis binnen, en ik geloof dat de zusters meer dan honderd kopjes koffie

geschonken hebben: ik kon niet helpen, ik kon niets doen dan handen

geven en op James passen, die zich veel te veel vermoeide en van avond

volstrekt naar de »Gezelligheid« wil om de jongens te trakteeren.«

»Bloemduin, 1 Juni.

»Wat ik je nu te vertellen heb is zoo verrukkend, zoo onbeschrijfelijk

heerlijk, dat ik haast niet weet, hoe ik ’t je zeggen zal. Gustaaf,

onze liefste wensch wordt vervuld! Eindelijk is al mijn twijfel

veranderd in een zalige overtuiging: mama weet ’t zeker, de dokter weet

’t zeker, en ik begrijp nu, dat ik het zelve reeds lang zeker geweten

heb—maar dat ik ’t alleen niet durfde gelooven. Als je dezen ontvangt,

behoeft het nog maar enkele maandjes te duren en je kleine Nita is een

gelukkig moedertje. O, als ik een kindje heb, dan kom ik gauw weer bij

je terug, dan geloof ik dat ik ’t je niet meer lastig zal maken, dan

zal ik niet meer eischen dat je om mij je werk verzuimt... Als ik een

kindje heb! Lieveling, ik weet wel dat je niet gelooft zooals ik, maar,

niet waar, als je dit hoort, dan zul je toch ook danken? toch ook

bidden?

»Het is wel treurig dat we in dezen tijd niet bij elkaar zijn—bij een

groote vreugde verlangt men zoo naar den liefste;—maar mama zegt, dat

een vrouw in mijne omstandigheid beter bij haar moeder is dan bij haar

man. Ik spreek het maar niet tegen: Ik heb je toch bij me. Weet je nog,

het was in dezen zelfden tijd van het jaar... de kersenboomgaarden

stonden in bloei en de dennen kregen die lichtgroene pluimen en er

dreven ook witte wolkjes aan de lucht, en we hadden ook een groote

zaligheid in het hart... ik zoek onze lievelingsplekjes op en de stille

eenzame paadjes; soms is het me of ik je arm weer voel om mijn midden,

of ik weer naar je moet opzien en een kus krijgen... Ik weet niet wie

me laatst vroeg, of ik je portret meenam op die eenzame wandelingen...

Alsof dat noodig was!

»Je kunt je van de opgewondenheid der tantes geen denkbeeld maken:

tante Mina is er wel een beetje indiscreet mee: ze schreeuwt het

iedereen toe, met die vreeselijk harde stem van doove menschen! Tante

Bettemie haalt me aan en kust me en vermaant me voorzichtig te

zijn—alsof ik dat niet was—en verheugt zich dat ze nog het kind van

háár kind—ze heeft langzamerhand je mama geheel weggedacht—zal mogen

omhelzen vóór haar dood. Maar tante Dorothée heeft haar blijdschap op

nog eene heel andere wijze getoond; tante Dorothée heeft iets gedaan,

dat papa de verstandigste streek van haar geheele leven noemt, iets

waarvan je zeker evenals ik, niet weinig verheugd zult ophooren, ze

heeft onzen jongen—want een jongen zal het zijn, daarover zijn de drie

oude dames het eens—ze heeft onzen jongen tot universeel erfgenaam

gemaakt! Je weet, ze hadden, opgewonden door de freules Van Haastert,

twee derden van haar fortuin vermaakt aan instellingen tot

dierenbescherming. Welnu, zij heeft van haar invloed als oudste en

verstandigste gebruik gemaakt om ook de beide andere tantes te

bewerken. Gister was de notaris bijna drie uur hier: het testament is

veranderd en het geheele fortuin voor ons. Nu, wat zeg je daarvan? De

tantes verwachten van me dat ik, nu ik eenmaal op den goeden weg ben,

me door niets zal laten weerhouden om de wereld met minstens een half

dozijn jonge Verschuere’s te begiftigen; is het geen heerlijk

vooruitzicht dat we nu rijk genoeg zullen zijn om ons die weelde te

veroorloven? Is het niet een gelukkig leventje, dat ons wacht, later,

als je gepensionneerd zijt, op dit mooie landgoed, te midden van dit

goedige volk, dat hun nieuwen heer op de handen dragen zal?«

»4 Juni.

»Met de Fransche, met de Hollandsche en met de Engelsche mail kreeg ik

in den tijd van één week drie brieven van je; heerlijke, lange, innig

lieve, die ik meeneem op de wandeling en neerleg onder mijn hoofdkussen

om, als ik de hand er naar uitsteek, ze te hooren kraken en me te

zeggen dat mijn droom is vervuld, dat je naar me verlangt, dat je me

mist, dat je me terugroept... en dat ik ze allen zou kunnen achterlaten

om tot je terug te keeren. Maar toen je zoo schreef, en toen ik zoo

droomde, toen wist ik nog niet van het kindje. En nu zeggen alle wijze

menschen, dat het binnen het jaar die groote reis niet maken mag. Hoe

kan ik nu tot je komen? O, Gustaaf, hoe moet dat gaan? We zijn nu pas

zoo kort gescheiden en beiden schijnt het ons reeds zoo lang... je zegt

dat je niet zonder me leven kunt... ik heb het al wel honderdmaal

gelezen en herlezen, maar als je niet zonder me leven kunt en als ik

zoo dwaas verlangen kan, dat ik al het goede en lieve wat me hier

omringt vergeet, wat moet er dan van het arme kleine kindje worden? De

oudelui nemen ’t me gelukkig niet kwalijk, dat ik van die oogenblikken

heb, ze vinden het niet meer dan natuurlijk; soms verbeeld ik me dat ze

er zich zelfs over verheugen. Er is één ding dat me hier hindert,

Gustaaf. De menschen denken zoo vreemd over een scheiding van man en

vrouw. Bij ons in Indië dwingen de omstandigheden dikwerf de

gelukkigste paren, om, hetzij voor gezondheidsredenen, hetzij voor de

opvoeding der kinderen, elkaar voor korter of langer tijd te verlaten.

Van zulke toestanden kan men zich hier geen denkbeeld vormen; hier

wordt het onveranderlijk beschouwd als een bewijs dat men ongelukkig is

te zamen. Die nare boerinnen—ze kunnen me zoo meelijdend aankijken! Ja,

onze goede moeder zelfs! Er is in haar teederheid voor mij iets anders

dan in die voor de zusters; ’t is of ze gelooft dat ik het dubbel

behoef. Ik kan je niet zeggen hoe me dat hindert, langzamerhand begin

ik te begrijpen dat in den grond van hun hart de oudelui en de tantes,

niettegenstaande ons duidelijk schrijven, moeilijk hebben kunnen

gelooven aan het feit dat ik alleen zou terug keeren; nu verklaar ik me

ook papa’s vraag, toen hij aan boord kwam: »En—Verschuere?« Die lieve

vader heeft me met geen enkel woord verraden dat het zoo’n groote

teleurstelling voor hem was, maar Corrie heeft het me gister verteld.

Je moet weten, Pa wordt oud en zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer is

hem in den laatsten tijd niet meer, zooals vroeger, een genoegen maar

een bezwaar; vooral die reizen heen en terug naar den Haag vervelen

hem. Nu hadden de oude lui en de tantes samen bedisseld dat, als je

meekwaamt, pa bedanken moest en zij met hun vereenden invloed zouden

bewerken dat je gekozen werd in zijn plaats. Je zoudt dan wel voorgoed

in Holland blijven, meenden ze. Zóó hadden ze zich met dat denkbeeld

vertrouwd gemaakt, dat tante Mina het nog maar altijd niet op wil geven

en, als we eens aandringen op verbetering van een of ander dat vervalt

of verwaarloosd wordt, ze met de grootste kalmte antwoordt: »Dat moet

maar wachten tot Gus komt!«

»Ik wou werkelijk dat je eens even kondt overvliegen om de kraamkamer

te zien: hij wordt ontvangen als een koningskind, je jongen! Iedereen

is reeds voor hem bezig; je moet er niet om lachen, liefste, maar tante

Bettemie heeft al negen-en-dertig paar sokjes voor hem gebreid.

Gisteren kwam tante Dorothée hier met een pak echte kant om het wiegje

te garneeren. Ze was niet zooals anders, vond ik. De lieve oude vrouw,

wat kuste ze me! Neen, ze was heel anders dan gewoonlijk... ze vroeg me

tot driemaal toe om je te groeten.«

»22 Juli.

»Tante Dorothée is heengegaan. Ik begrijp dat het je, evenals ons,

smarten zal. ’t Is waar, men kan verwachten dat eene vrouw van

zes-en-zeventig jaar wordt weggeroepen, maar als ze nog zulk een engel

is op aarde, dan valt het zwaar ze af te staan aan den hemel: er moeten

er dáár zooveel zijn en we hebben er hier zoo weinig! Gelukkig heeft ze

niets geleden; ze heeft alleen voorgevoeld dat haar uurtje daar was, en

is gaan slapen met een glimlach om de lippen.

»Het is een groot verlies voor de familie. Met de doove Mien en de

blinde Bettemie is weinig aan te vangen; ze zijn wel niet kindsch, maar

toch sufferig en daarbij willen zij zich niet laten raden.

»Pa, de dominé, de dokter, de notaris, ieder heeft beurtelings zijn

best gedaan om haar over te halen tot het nemen van een rentmeester,

maar denk niet dat ze het gedaan kregen!

»En toch zou het volstrekt noodig zijn. Tante Dorothée was de eenige

die nog een weinig toezicht hield, al was het lang niet genoeg. Sedert

je, tijdens je verlof, orde op de zaken stelde is alles

achteruitgegaan, zegt papa; het prachtige bosch wordt geplunderd, de

bouwgrond brengt niet half op, wat hij zou kunnen opbrengen; de

veestapel vermindert; de boeren maken zich met mooie praatjes van de

pacht af. Ik zou me er wel wat mee willen bemoeien, maar het staat zoo

hebzuchtig, zoo alsof we onzen tijd niet kunnen afwachten: ook is er

een mannenhand noodig. Daar komt bij, dat ik me in den laatsten tijd

moe begin te gevoelen bij de kleinste inspanning. Niet dat ik zwak ben

of ziek! Integendeel, ik ben heel flink en volstrekt niet bang,

ofschoon soms bitter bedroefd. De tijd valt lang als men gescheiden is

van wien men liefheeft.«

»1 Augustus.

»Wat verdringt, in zoo’n groot gezin als het onze, het een het ander!

’t Is waar, tante Dorothée’s dood was eigenlijk geen gebeurtenis in

ónze familie, maar ik geloof niet, dat ze door de Verschuere’s meer

betreurd is geworden dan door de Van Suylichem’s. James en Corrie

brengen nog dagelijks bloemen naar haar graf—mij is het verboden, ik

denk toch reeds te veel aan den dood—en nu is het alweer feestvieren en

vreugde in huis. Rudolf kwam eergister met glans door zijn candidaats.

Hij is thuis en zooals het bij ons gaat met zulke gelegenheden, de

broers en zusters komen van alle kanten aansporen, het geheele dorp

neemt deel in zijne overwinning, alsof ieder die overwinning

persoonlijk had behaald. Pa en ma zijn trotsch op den jongsten, maar

niet den minsten hunner zonen. Ik geloof dat er spoedig weer een

feestje te vieren zal zijn. Je herinnert je Kitty van der Elst, dat

aardige blonde kind, het jongste dochtertje van den notaris, met wie ik

James weleens plaagde? Nu, ’t blijkt dat de reden waarom ze een goede

partij afsloeg en van geen uitgaan of trouwen hooren wilde, dat de

reden daarvan onze neef was. Ze is flauw gevallen toen ze in de courant

las van zijn eerste heldenfeit en heeft het tot driemaal toe op de

zenuwen gehad bij zijn terugkomst; James is haar erg dankbaar voor die

attenties; en, daar ze heel lief zingt en er beeldig uitziet, twijfel

ik niet of hij zal spoedig waar maken, wat men reeds als een feit

vertelt in Bloemduin, en haar zijn goed, trouw hart aanbieden.

»O, Gustaaf, ik vind mezelve zoo vreemd: ’t is of sinds kort al die

dingen me veel minder interesseeren dan vroeger, ik deel maar half in

hun lief en leed. Ik ben onder hen en toch zoo ver, zoo ver!

»Lieve, zou het waar zijn wat soms wordt beweerd, dat het kind gelijkt

op dengeen aan wien de moeder altijd heeft gedacht...? Lieve, misschien

zal ik er niet wezen om het je te zeggen, maar laat dan zijn gezichtje

je de boodschap brengen, dat je mijn alles geweest bent, mijn alles!«

»9 Augustus.

»Gustaaf, ik ben het met de boerinnen eens: man en vrouw moeten bij

elkaar zijn! Ik ben het met haar eens, als ze me voorbijgaan en

medelijdend het hoofd schudden.

»O, liefste, dat ik ten minste nog maar de overtuiging had, dat mijn

heengaan je van eenig nut is geweest. Maar je schrijft zoo treurig, zoo

wanhopig soms... je werk verveelt je, je huis is je zonder mij een

gruwel, het drijven en jagen van de Indische wereld walgt je, en,

Gustaaf, ik weet dat door Annet Paerel, je ziet er slecht en afgemat

uit. Ziek! en ik niet bij je!

»Nu strijden we onzen strijd ieder voor zich; is hij daarom lichter? O,

ik kan ’t niet langer verzwijgen, ik moet het zeggen.. mijn strijd

wordt me te zwaar. Ik ben wèl, dat is zoo, en ze overladen me met

goedheid en liefde en ik moest gelukkig zijn om de groote vreugd die

mij wacht; maar lieveling, ik verlang zoo naar je! Ik verlang zoo

vreeselijk! Elken dag meer. Nacht en dag. Neen, ik wil het niet langer

verzwijgen, ik sterf van verlangen! Naar je dierbaar gezicht, naar dien

blik van je oogen, waarmee je me aanzag zooals niemand anders me

aanziet en waarmee je me deedt trillen en gloeien en beven van

zaligheid; naar den druk van je handen, naar de aanraking van je baard

op mijn gezicht, naar dat woord van je lippen: »Nita, kind, engel!«...

O, als ik je nog maar eens mocht zien, nog maar eens je stem hooren,

nog maar eens je vasthouden in mijn armen! Dan zou ik weer moedig zijn!

Nu ben ik bang! Bang om te lijden, zonder dat je bij me bent, bang om

te sterven vóór ik je heb weergezien. Gustaaf, ik heb zoo verlangd om

je dit te zeggen, ik wist, dat ik het niet doen mocht... ik wist dat

je, als ik het zei, om mijnentwille nog meer verdriet zoudt hebben...

maar—wanneer deze je bereikt, dan heb je het bericht reeds. Dan is

alles reeds geheel anders, of alles voorbij!«

Telegram. Verzonden door den heer Van Suylichem te Bloemduin op 15

Sept. 188..

»Buitenzorg—Verschuere.

»Heerlijke jongen. Nita wèl.«

Telegram. Verzonden door den heer Verschuere te Buitenzorg op 15 Sept.

188..

»Van Suylichem—Bloemduin.

»Ik kom en blijf.«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 84 / 85 题