»Bloemduin, 22 Mei.
»Ik ben thuis, Gustaaf! Ik zit tusschen papa en mama, je weet wel, op
het oude plekje; papa houdt zich of hij de courant leest, maar telkens
als ik opkijk knikt hij me toe, en ik kijk maar telkens op, om hem
pleizier te doen; mama heet kousen te mazen, maar ik wil wedden dat ze
niet één paar afkrijgt van middag, want ze doet niets dan me bedienen
en mijn handen streelen en mijn haar glad strijken.
»O, Gustaaf, die dierbare oude gezichten zoo te zien stralen, die
liefkoozingen, die je opeens weer kind maken, te voelen, is alleen de
moeite van de reis waard!
»Ze zouden me liefst geen oogenblik verlaten; gisteren toen ik naar
mijn kamer ging—mijn eigen lief meisjeskamertje—liep pa mee tot aan de
deur, moest ma me helpen uitkleeden en toedekken; het was een gekus en
een goeden nacht zeggen alsof ze bang waren dat ik weer zou wegvliegen;
van morgen toen ik wakker werd stonden ze hand aan hand voor mijn
bed... wie heeft ons toch gezegd dat het weerzien, als men uit Indië
komt, een teleurstelling is? Het moet iemand geweest zijn die geen
ouders meer vond.
»Ze brachten me je telegram met dat hartelijk: »Welkom thuis!« Hoe lief
van je! Begreep je dat dit het eenige was, wat aan mijn geluk ontbrak,
een groet uit Buitenzorg? Wat denk je tegenwoordig veel aan me, man!
»Gister waren we niet zóó gelukkig als vandaag, we waren geloof ik, te
zenuwachtig om te genieten. We konden niets zeggen; we lachten maar
eens tegen elkaar, en dan kregen we de tranen in de oogen en moesten
ons weer omdraaien. Maar vandaag! vandaag is het verrukkelijk! We zijn
op al de oude lieve plekjes geweest, James ook. We moesten natuurlijk
om hem wat langzamer loopen; maar ik vond het prettig dat het zoo
langzaam ging; ik had aan zooveel te denken, zooveel lief en goeds en
vriendelijks... O, wat is ’t toch een voorrecht een gelukkige jeugd
gehad te hebben; ’t is als de kruik met koelen drank die men den
reiziger meegeeft; telkens wanneer hij zich vermoeid gevoelt, put hij
uit haar nieuwe kracht.
»Toen ik papa in Genua zag—want hij was in Genua, zooals ik
verwachtte—vond ik hem oud geworden, maar sinds is het alsof hij elken
dag bijkomt; mama zegt, dat hij veel geleden heeft onder mijn
afwezigheid, maar hij beweert dat de vreugd van het wederzien de smart
der scheiding te niet heeft gedaan.—Vin je dat niet lief van de tantes?
Het rijtuig was aan den trein om ons af te halen; ze hadden prachtige
bloemen gestuurd, maar ze waren zelve niet gekomen. »We gunnen ze je,«
riepen ze maar, toen pa haar noodigde, »we gunnen ze je! Drie dagen mag
je ze geheel alleen hebben; dán beginnen we te deelen!«—Van morgen
zonden ze aardbeien: ’t waren er maar negen, de allereerste; vijf voor,
mij en vier voor James. Er was een briefje bij; ze schreven dat ze haar
belofte houden wilden en niet komen vóór de drie dagen om waren, maar
dat, als pa er misschien iets tegen vond, ze gaarne haar meening aan de
zijne zouden opofferen... We zijn er dadelijk heengegaan. Och liefste,
wat is het goed dat we in Indië niet weten, hoezeer we betreurd worden
in Holland! Ze konden niet genoeg van je hooren! Ze hielden elk een
hand van me vast; ik moest maar praten, en als een ander iets zei, dan
riep tante Dorothée dadelijk: »Laat háár nu vertellen!« Tante Mina werd
erg ongeduldig, omdat ze niet alles verstaan kon, en tante Bettemie,
die arme blinde ziel, zette mijn hoed af en streek mijn krullen
glad—dat doet iedereen, Gustaaf; maar niemand kan het zooals jij—en
vroeg maar telkens weer, hoe ik er uitzag. En dan riepen vier stemmen
te gelijk: »O, heerlijk! Om te stelen! Liever dan ooit! Nog liever dan
vroeger.« Maar daar werd tante boos om. »Nog liever dan vroeger?... dat
is onmogelijk! dat zeg jullie maar om mij te plagen!«... O, je kunt er
geen voorstelling van maken hoe zalig dat is, zoo’n thuiskomst. Wàt zou
het geweest zijn als we samen gekomen waren!
»Het houdt niet op met brieven en briefkaarten van de broers en
zusters. Het plan is, dat ze, zoo mogelijk, allen Zondag hier zullen
zijn. James verheugt er zich zeer op en ik ook, ik verlang hen allen
terug te zien. Maar toch had ik liever gewild, dat we nog wat met pa en
ma alleen gebleven waren; ze zijn zoo gelukkig!«
»Bloemduin 25 Mei.
»Het is Zondag. Wat is dat toch iets eigenaardigs, zoo’n hollandsche
Zondag: dat feestelijk gevoel waarmee men wakker wordt, die deftige
stilte in de straten, dat nette van de menschen in hun beste pak, dat
plechtig gelui van de klokken: ik heb dat gemist in Indië: ik voel het
nu.
»De broers en zusters zijn allen hier—zelfs Rudolf is uit Groningen
overgekomen, ofschoon hij voor zijn candidaats zit. Pa wou hem eerst
beknorren, maar opeens viel hij zichzelf in de rede en zei: »’t Is goed
jongen, ’t is best: voor háár is niets te veel!« O, die pa! Ik wist
niet dat hij me zóó liefhad! Ze noemen me allen nog bij de oude
naampjes en ze willen me allen bedienen. Als ik zeg dat mijn krullen
vandaag twintigmaal zijn opgedraaid, op twintig verschillende vingers,
dan jok ik niet. ’t Is dwaas, maar ik heb weer dienzelfden indruk, dien
ik als kind had, alsof de zon ’s Zondags anders schijnt dan in de week,
en alsof nergens op de geheele wereld die dag zoo innig genoegelijk
gevierd kan worden als in het oude huis van den burgemeester van
Bloemduin.
»Wij zijn van morgen naar de kerk geweest. Och, wat spijt het me, dat
je dit hebt moeten missen. Je hadt er bij moeten zijn, lieve, het was
zoo eenig, zoo om nooit te vergeten, zoo om je opeens te verzoenen met
het leven op een dorp. De zon scheen dan, zooals zij alleen ’s Zondags
doet; ma ging met James vooruit en dan volgde ik met pa: daarachter de
broers en zusters. Overal zagen we gordijntjes optillen, nieuwsgierige
gezichten over horretjes kijken; de menschen stonden stil aan den kant
van den weg, om ons te laten voorbijgaan—dan was het telkens dezelfde
vertooning! Eerst heel eerbiedig de pet af. »Goeje morge, burgemeester,
goeje morge, mevrouw!« En dan, als ik stilstond en de hand uitstak en
ze bij den naam noemde—ik kende ze allen nog—opeens een heel andere
toon: »Dag juffer Nietje! Dag lief kind! Hoe heb je ’t gehad in den
Oos?« Maar als ik verder ging, dan barsten ze eigenlijk pas los. »Och
Heere, ’t is nog krek dezelfde. Niks niet grootsch! En ze willen toch
wel zeggen, dat ie ’n ergen heugen is daarginder!«
»Maar de held van den dag was James! Hij droeg zijn uniform met kruis
op de borst. Ze hebben van hem gelezen in de couranten; ze weten
precies waar en wanneer hij gewond is geworden, waar hij zijn
Willemsorde verdiend heeft... en—je zult het niet gelooven van die
stijve boeren, maar ze drongen om hem heen en moesten hem zien, een
hand van hem hebben... Op eens stoof Jan Mulder, je weet wel, die
oud-soldaat, op hem af en wees op zijn borst, en riep, hoera! en toen
barstten ze los en gooiden met de petten en tilden hem in de hoogte op
hun schouders... ’t was of ze nooit meer tot bedaren zouden komen... me
dunkt, zijn pijn en lijden zijn hem vergoed.
»Door al dat oponthoud kwamen we laat in de kerk. Maar ook dáár hadden
ze op ons gewacht; toen we binnentraden begon het orgel te spelen en
zong de gemeente het eerste vers van Psalm 103. Je kent het wel?
»Loof, loof den Heer mijn ziel met alle krachten,
Verhef zijn naam, zoo groot, zoo heilig t’ achten,
Och, of nu al wat in mij is Hem prees!«
»Ik hield me goed; bij al mijn geluk en dankbaarheid kon ik toch niet
vergeten, hoe geheel anders nog het zou geweest zijn als je bij me was;
maar James snikte als een kind... hij is ook nog zoo zwak. Ik weet niet
wat de dominé heeft gepreekt. Ik keek maar naar de bekende gezichten,
die zich zoo trouwhartig naar me toekeerden, naar den preekstoel, die
ons, kinderen, zoo menig uurtje hielp doorkomen en die jij zoo
afschuwelijk vondt met die dieren uit het paradijs er op; ik telde de
aapjes en de kraaien en de ijsberen, en ik vond het prettig, dat er nog
precies evenveel waren als vroeger; toen keek ik naar den voorzanger en
lachte met Corrie om de gekke gezichten, die hij nog altijd trekt; toen
merkte ik op, dat de vrouwtjes van het gasthuis een nieuw model van
neepjesmuts hadden gekregen... toch was ik onbegrijpelijk gesticht.
Maar onder het gebed keek ik naar het lieve, oude, grijze hoofd, dat
zich zoo diep boog over de gevouwen handen.
»De tantes hadden ten strengste verboden, dat iemand ons zou bezoeken
vóór een week na aankomst, maar nu was er niets meer aan te doen: ze
stonden op rijen geschaard aan de kerkdeur, ze stroomden letterlijk ons
huis binnen, en ik geloof dat de zusters meer dan honderd kopjes koffie
geschonken hebben: ik kon niet helpen, ik kon niets doen dan handen
geven en op James passen, die zich veel te veel vermoeide en van avond
volstrekt naar de »Gezelligheid« wil om de jongens te trakteeren.«
»Bloemduin, 1 Juni.
»Wat ik je nu te vertellen heb is zoo verrukkend, zoo onbeschrijfelijk
heerlijk, dat ik haast niet weet, hoe ik ’t je zeggen zal. Gustaaf,
onze liefste wensch wordt vervuld! Eindelijk is al mijn twijfel
veranderd in een zalige overtuiging: mama weet ’t zeker, de dokter weet
’t zeker, en ik begrijp nu, dat ik het zelve reeds lang zeker geweten
heb—maar dat ik ’t alleen niet durfde gelooven. Als je dezen ontvangt,
behoeft het nog maar enkele maandjes te duren en je kleine Nita is een
gelukkig moedertje. O, als ik een kindje heb, dan kom ik gauw weer bij
je terug, dan geloof ik dat ik ’t je niet meer lastig zal maken, dan
zal ik niet meer eischen dat je om mij je werk verzuimt... Als ik een
kindje heb! Lieveling, ik weet wel dat je niet gelooft zooals ik, maar,
niet waar, als je dit hoort, dan zul je toch ook danken? toch ook
bidden?
»Het is wel treurig dat we in dezen tijd niet bij elkaar zijn—bij een
groote vreugde verlangt men zoo naar den liefste;—maar mama zegt, dat
een vrouw in mijne omstandigheid beter bij haar moeder is dan bij haar
man. Ik spreek het maar niet tegen: Ik heb je toch bij me. Weet je nog,
het was in dezen zelfden tijd van het jaar... de kersenboomgaarden
stonden in bloei en de dennen kregen die lichtgroene pluimen en er
dreven ook witte wolkjes aan de lucht, en we hadden ook een groote
zaligheid in het hart... ik zoek onze lievelingsplekjes op en de stille
eenzame paadjes; soms is het me of ik je arm weer voel om mijn midden,
of ik weer naar je moet opzien en een kus krijgen... Ik weet niet wie
me laatst vroeg, of ik je portret meenam op die eenzame wandelingen...
Alsof dat noodig was!
»Je kunt je van de opgewondenheid der tantes geen denkbeeld maken:
tante Mina is er wel een beetje indiscreet mee: ze schreeuwt het
iedereen toe, met die vreeselijk harde stem van doove menschen! Tante
Bettemie haalt me aan en kust me en vermaant me voorzichtig te
zijn—alsof ik dat niet was—en verheugt zich dat ze nog het kind van
háár kind—ze heeft langzamerhand je mama geheel weggedacht—zal mogen
omhelzen vóór haar dood. Maar tante Dorothée heeft haar blijdschap op
nog eene heel andere wijze getoond; tante Dorothée heeft iets gedaan,
dat papa de verstandigste streek van haar geheele leven noemt, iets
waarvan je zeker evenals ik, niet weinig verheugd zult ophooren, ze
heeft onzen jongen—want een jongen zal het zijn, daarover zijn de drie
oude dames het eens—ze heeft onzen jongen tot universeel erfgenaam
gemaakt! Je weet, ze hadden, opgewonden door de freules Van Haastert,
twee derden van haar fortuin vermaakt aan instellingen tot
dierenbescherming. Welnu, zij heeft van haar invloed als oudste en
verstandigste gebruik gemaakt om ook de beide andere tantes te
bewerken. Gister was de notaris bijna drie uur hier: het testament is
veranderd en het geheele fortuin voor ons. Nu, wat zeg je daarvan? De
tantes verwachten van me dat ik, nu ik eenmaal op den goeden weg ben,
me door niets zal laten weerhouden om de wereld met minstens een half
dozijn jonge Verschuere’s te begiftigen; is het geen heerlijk
vooruitzicht dat we nu rijk genoeg zullen zijn om ons die weelde te
veroorloven? Is het niet een gelukkig leventje, dat ons wacht, later,
als je gepensionneerd zijt, op dit mooie landgoed, te midden van dit
goedige volk, dat hun nieuwen heer op de handen dragen zal?«
»4 Juni.
»Met de Fransche, met de Hollandsche en met de Engelsche mail kreeg ik
in den tijd van één week drie brieven van je; heerlijke, lange, innig
lieve, die ik meeneem op de wandeling en neerleg onder mijn hoofdkussen
om, als ik de hand er naar uitsteek, ze te hooren kraken en me te
zeggen dat mijn droom is vervuld, dat je naar me verlangt, dat je me
mist, dat je me terugroept... en dat ik ze allen zou kunnen achterlaten
om tot je terug te keeren. Maar toen je zoo schreef, en toen ik zoo
droomde, toen wist ik nog niet van het kindje. En nu zeggen alle wijze
menschen, dat het binnen het jaar die groote reis niet maken mag. Hoe
kan ik nu tot je komen? O, Gustaaf, hoe moet dat gaan? We zijn nu pas
zoo kort gescheiden en beiden schijnt het ons reeds zoo lang... je zegt
dat je niet zonder me leven kunt... ik heb het al wel honderdmaal
gelezen en herlezen, maar als je niet zonder me leven kunt en als ik
zoo dwaas verlangen kan, dat ik al het goede en lieve wat me hier
omringt vergeet, wat moet er dan van het arme kleine kindje worden? De
oudelui nemen ’t me gelukkig niet kwalijk, dat ik van die oogenblikken
heb, ze vinden het niet meer dan natuurlijk; soms verbeeld ik me dat ze
er zich zelfs over verheugen. Er is één ding dat me hier hindert,
Gustaaf. De menschen denken zoo vreemd over een scheiding van man en
vrouw. Bij ons in Indië dwingen de omstandigheden dikwerf de
gelukkigste paren, om, hetzij voor gezondheidsredenen, hetzij voor de
opvoeding der kinderen, elkaar voor korter of langer tijd te verlaten.
Van zulke toestanden kan men zich hier geen denkbeeld vormen; hier
wordt het onveranderlijk beschouwd als een bewijs dat men ongelukkig is
te zamen. Die nare boerinnen—ze kunnen me zoo meelijdend aankijken! Ja,
onze goede moeder zelfs! Er is in haar teederheid voor mij iets anders
dan in die voor de zusters; ’t is of ze gelooft dat ik het dubbel
behoef. Ik kan je niet zeggen hoe me dat hindert, langzamerhand begin
ik te begrijpen dat in den grond van hun hart de oudelui en de tantes,
niettegenstaande ons duidelijk schrijven, moeilijk hebben kunnen
gelooven aan het feit dat ik alleen zou terug keeren; nu verklaar ik me
ook papa’s vraag, toen hij aan boord kwam: »En—Verschuere?« Die lieve
vader heeft me met geen enkel woord verraden dat het zoo’n groote
teleurstelling voor hem was, maar Corrie heeft het me gister verteld.
Je moet weten, Pa wordt oud en zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer is
hem in den laatsten tijd niet meer, zooals vroeger, een genoegen maar
een bezwaar; vooral die reizen heen en terug naar den Haag vervelen
hem. Nu hadden de oude lui en de tantes samen bedisseld dat, als je
meekwaamt, pa bedanken moest en zij met hun vereenden invloed zouden
bewerken dat je gekozen werd in zijn plaats. Je zoudt dan wel voorgoed
in Holland blijven, meenden ze. Zóó hadden ze zich met dat denkbeeld
vertrouwd gemaakt, dat tante Mina het nog maar altijd niet op wil geven
en, als we eens aandringen op verbetering van een of ander dat vervalt
of verwaarloosd wordt, ze met de grootste kalmte antwoordt: »Dat moet
maar wachten tot Gus komt!«
»Ik wou werkelijk dat je eens even kondt overvliegen om de kraamkamer
te zien: hij wordt ontvangen als een koningskind, je jongen! Iedereen
is reeds voor hem bezig; je moet er niet om lachen, liefste, maar tante
Bettemie heeft al negen-en-dertig paar sokjes voor hem gebreid.
Gisteren kwam tante Dorothée hier met een pak echte kant om het wiegje
te garneeren. Ze was niet zooals anders, vond ik. De lieve oude vrouw,
wat kuste ze me! Neen, ze was heel anders dan gewoonlijk... ze vroeg me
tot driemaal toe om je te groeten.«
»22 Juli.
»Tante Dorothée is heengegaan. Ik begrijp dat het je, evenals ons,
smarten zal. ’t Is waar, men kan verwachten dat eene vrouw van
zes-en-zeventig jaar wordt weggeroepen, maar als ze nog zulk een engel
is op aarde, dan valt het zwaar ze af te staan aan den hemel: er moeten
er dáár zooveel zijn en we hebben er hier zoo weinig! Gelukkig heeft ze
niets geleden; ze heeft alleen voorgevoeld dat haar uurtje daar was, en
is gaan slapen met een glimlach om de lippen.
»Het is een groot verlies voor de familie. Met de doove Mien en de
blinde Bettemie is weinig aan te vangen; ze zijn wel niet kindsch, maar
toch sufferig en daarbij willen zij zich niet laten raden.
»Pa, de dominé, de dokter, de notaris, ieder heeft beurtelings zijn
best gedaan om haar over te halen tot het nemen van een rentmeester,
maar denk niet dat ze het gedaan kregen!
»En toch zou het volstrekt noodig zijn. Tante Dorothée was de eenige
die nog een weinig toezicht hield, al was het lang niet genoeg. Sedert
je, tijdens je verlof, orde op de zaken stelde is alles
achteruitgegaan, zegt papa; het prachtige bosch wordt geplunderd, de
bouwgrond brengt niet half op, wat hij zou kunnen opbrengen; de
veestapel vermindert; de boeren maken zich met mooie praatjes van de
pacht af. Ik zou me er wel wat mee willen bemoeien, maar het staat zoo
hebzuchtig, zoo alsof we onzen tijd niet kunnen afwachten: ook is er
een mannenhand noodig. Daar komt bij, dat ik me in den laatsten tijd
moe begin te gevoelen bij de kleinste inspanning. Niet dat ik zwak ben
of ziek! Integendeel, ik ben heel flink en volstrekt niet bang,
ofschoon soms bitter bedroefd. De tijd valt lang als men gescheiden is
van wien men liefheeft.«
»1 Augustus.
»Wat verdringt, in zoo’n groot gezin als het onze, het een het ander!
’t Is waar, tante Dorothée’s dood was eigenlijk geen gebeurtenis in
ónze familie, maar ik geloof niet, dat ze door de Verschuere’s meer
betreurd is geworden dan door de Van Suylichem’s. James en Corrie
brengen nog dagelijks bloemen naar haar graf—mij is het verboden, ik
denk toch reeds te veel aan den dood—en nu is het alweer feestvieren en
vreugde in huis. Rudolf kwam eergister met glans door zijn candidaats.
Hij is thuis en zooals het bij ons gaat met zulke gelegenheden, de
broers en zusters komen van alle kanten aansporen, het geheele dorp
neemt deel in zijne overwinning, alsof ieder die overwinning
persoonlijk had behaald. Pa en ma zijn trotsch op den jongsten, maar
niet den minsten hunner zonen. Ik geloof dat er spoedig weer een
feestje te vieren zal zijn. Je herinnert je Kitty van der Elst, dat
aardige blonde kind, het jongste dochtertje van den notaris, met wie ik
James weleens plaagde? Nu, ’t blijkt dat de reden waarom ze een goede
partij afsloeg en van geen uitgaan of trouwen hooren wilde, dat de
reden daarvan onze neef was. Ze is flauw gevallen toen ze in de courant
las van zijn eerste heldenfeit en heeft het tot driemaal toe op de
zenuwen gehad bij zijn terugkomst; James is haar erg dankbaar voor die
attenties; en, daar ze heel lief zingt en er beeldig uitziet, twijfel
ik niet of hij zal spoedig waar maken, wat men reeds als een feit
vertelt in Bloemduin, en haar zijn goed, trouw hart aanbieden.
»O, Gustaaf, ik vind mezelve zoo vreemd: ’t is of sinds kort al die
dingen me veel minder interesseeren dan vroeger, ik deel maar half in
hun lief en leed. Ik ben onder hen en toch zoo ver, zoo ver!
»Lieve, zou het waar zijn wat soms wordt beweerd, dat het kind gelijkt
op dengeen aan wien de moeder altijd heeft gedacht...? Lieve, misschien
zal ik er niet wezen om het je te zeggen, maar laat dan zijn gezichtje
je de boodschap brengen, dat je mijn alles geweest bent, mijn alles!«
»9 Augustus.
»Gustaaf, ik ben het met de boerinnen eens: man en vrouw moeten bij
elkaar zijn! Ik ben het met haar eens, als ze me voorbijgaan en
medelijdend het hoofd schudden.
»O, liefste, dat ik ten minste nog maar de overtuiging had, dat mijn
heengaan je van eenig nut is geweest. Maar je schrijft zoo treurig, zoo
wanhopig soms... je werk verveelt je, je huis is je zonder mij een
gruwel, het drijven en jagen van de Indische wereld walgt je, en,
Gustaaf, ik weet dat door Annet Paerel, je ziet er slecht en afgemat
uit. Ziek! en ik niet bij je!
»Nu strijden we onzen strijd ieder voor zich; is hij daarom lichter? O,
ik kan ’t niet langer verzwijgen, ik moet het zeggen.. mijn strijd
wordt me te zwaar. Ik ben wèl, dat is zoo, en ze overladen me met
goedheid en liefde en ik moest gelukkig zijn om de groote vreugd die
mij wacht; maar lieveling, ik verlang zoo naar je! Ik verlang zoo
vreeselijk! Elken dag meer. Nacht en dag. Neen, ik wil het niet langer
verzwijgen, ik sterf van verlangen! Naar je dierbaar gezicht, naar dien
blik van je oogen, waarmee je me aanzag zooals niemand anders me
aanziet en waarmee je me deedt trillen en gloeien en beven van
zaligheid; naar den druk van je handen, naar de aanraking van je baard
op mijn gezicht, naar dat woord van je lippen: »Nita, kind, engel!«...
O, als ik je nog maar eens mocht zien, nog maar eens je stem hooren,
nog maar eens je vasthouden in mijn armen! Dan zou ik weer moedig zijn!
Nu ben ik bang! Bang om te lijden, zonder dat je bij me bent, bang om
te sterven vóór ik je heb weergezien. Gustaaf, ik heb zoo verlangd om
je dit te zeggen, ik wist, dat ik het niet doen mocht... ik wist dat
je, als ik het zei, om mijnentwille nog meer verdriet zoudt hebben...
maar—wanneer deze je bereikt, dan heb je het bericht reeds. Dan is
alles reeds geheel anders, of alles voorbij!«
Telegram. Verzonden door den heer Van Suylichem te Bloemduin op 15
Sept. 188..
»Buitenzorg—Verschuere.
»Heerlijke jongen. Nita wèl.«
Telegram. Verzonden door den heer Verschuere te Buitenzorg op 15 Sept.
188..
»Van Suylichem—Bloemduin.
»Ik kom en blijf.«