OP DE MAILBOOT.

»15 April.

»Lieveling, wat is dat vreeselijk geweest! Had ik het maar geweten dat

je nog zooveel van me hieldt, had ik het maar geweten dat je er zooveel

onder lijden zoudt, geloof me, ik was bij je gebleven.

»Je zult misschien niet begrijpen hoe ik het bedoel—jullie mannen voelt

zoo heel anders dan wij—maar voor mij is het afscheid lang zoo bitter

niet geweest als ik het me had voorgesteld. Je waart zoo bedroefd en

dat vond ik zoo heerlijk! Je naamt me zoo telkens weer in je armen en

je drukte me zoo vast aan je hart...

»En weet je wat je wel driemaal hebt gezegd: »Kind, hoe zal ik zonder

je leven!« Dat heeft me zooveel goed gedaan! zoo onbeschrijfelijk veel

goed!

»En weet je wat je ook gezegd hebt? Dat je nu eerst begreept hoe

gelukkig je geweest was... dus, ik heb je toch geluk geschonken, al was

het niet zoo veel als het had kunnen zijn!... Gustaaf, je moet me

vergeven dat ik niet meer vertrouwen, niet meer geduld heb gehad; het

was zoo treurig met me gesteld in den laatsten tijd... ik kon me niet

goed meer rekenschap geven van hetgeen er in me omging; onze verhouding

was zoo vreemd geworden; ik tastte in het duister rond... God geve dat

ik niet heb misgetast! Soms vrees ik het.

»Hoe heb je het nu? Gaat alles geregeld? Handhaaft Mingo zich in zijn

ouden roem? Zorgt Sarinah goed voor je? En ondervind je veel

deelneming? Mevrouw Paerel heeft me beloofd zooveel voor je te zijn als

je haar zoudt willen toestaan; trek je nu niet terug, ze zijn zoo

hartelijk en niet zooals veel hartelijke menschen, vervelend.

»Toen ik nog bij je was, heb ik ’t je wel eens wat lastig gemaakt met

mijn altijd vragen om liefde; nu je mij niets meer behoeft te geven,

wijd je nu elken dag, al heb je het ook nog zoo druk, een oogenblik aan

mijn vrienden, de dieren en de bloemen: het zal je zoo helpen, om je

hart warm te houden, tot ik weer bij je ben om dat te doen.

»Maak je over mij geen oogenblik ongerust. ’t Is waar, ik was niet heel

flink, niet half wat ik had willen zijn, maar je weet, flauw vallen is

een slechte gewoonte van me en toen we maar eenmaal onder stoom waren

ging alles goed.

»Er zijn veel kinderen aan boord, dus behoef ik me geen oogenblik te

vervelen en dan, je weet hoe vriendelijk de menschen me altijd en

overal behandelen.

»Wat de Hagens betreft, er is me al meer dan eens gevraagd of ik hun

dochter was, zóó dragen ze me op de handen; je ziet, het zou ondankbaar

van me zijn, als ik me niet liet troosten.

»Bij aankomst hier vond ik je telegram. Hartelijk dank voor de goede

woorden, ik leg ze bij de anderen weg in mijn hart, en als al de

hartelijkheid die ik ondervind me niet troosten kan, wat ik soms vrees,

dan zullen zij het kunnen.«

»Padang 16 April.

»We liggen hier op de reê, met een prachtig gezicht op de eilandjes,

die als groote groene ruikers op het zilverblauwe water zijn gestrooid;

op den Apenberg met zijn wonderlijk mooie tinten, zooals hij daar bijna

loodrecht, donkergroen met violetten weerschijn, oprijst uit de zee;

allerlei kleine prauwen glijden voorbij, in de verte komt het

stoombootje met de laatste passagiers, want we vertrekken over een paar

uur.

»Je ontvangt dezen binnen enkele dagen. Vind ik weer een telegram van

je op Suez?

»O, Gustaaf, verbeeld je. Ik zal probeeren het je te schrijven. Maar ik

beef zoo, ik ben zoo vreeselijk geschrikt. Daareven kwam het bootje met

de passagiers: een familie met negen kinderen en twee officieren van

Atjeh.

»Een er van kon niet loopen, hij werd op het dek gedragen. Mijnheer

Hagen zei me, dat het zoo’n naar gezicht was, dus was ik niet gaan

kijken, maar daar hoorde ik op eens om eau de cologne roepen; die erge

zwakke was bewusteloos geworden. Ik had een flacon naast me staan, ik

ging die dadelijk brengen, en Gustaaf! wie denk je dat het was? James!

Onze James!

»O, maar onherkenbaar! Arme, lieve, trouwe jongen, het is met hem

gedaan, hij kan niet eens zijn hoofd meer opheffen. Als je hem zag,

zooals hij daar ligt, die vroolijke, sterke, moedige James! Ik ben bij

zijn veldbed neergevallen.

»Toen hij bijkwam en me zag, was hij niets verbaasd. Hij glimlachte

even en sloot de oogen. Ik dacht dat het weer een flauwte was, maar een

oogenblik later zei hij: »Ga nu maar naar de anderen, dokter; ik ben

bezorgd; mijn goede engel is bij me!« Och, Gustaaf als je die stem

gehoord hadt... Ik dacht dat mijn hart zou breken.

»Hij heeft zijn woord maar al te goed gehouden; iedereen is vol van

zijn lof. ’t Schijnt dat hij zich bijzonder onderscheiden heeft; een

van de heeren vertelde het aan mevrouw Hagen.

»Heb ik je gezegd dat hij gewond is bij dat gevecht? Maar aan die wond

zou hij niet sterven; ’t is die vreeselijke malaria, die hem vermoordt.

De dokter geeft weinig hoop; goddank, dat ik hier ben om zijn laatste

dagen te verzachten. Het zal hem aan niets ontbreken. O, als ik hem nog

redden kon! hij heeft zoo’n sterk gestel en, niet waar, de zeelucht

doet soms wonderen!

»Vaarwel, lieve, ik kan hem niet langer alleen laten; de koorts komt op

en hij roept om me.

»22 April.

»Hoeveel keeren was ik reeds van plan je te schrijven. Maar je weet

niet hoe mijn tijd wordt in beslag genomen door onzen armen zieke. Ik

heb nu mevrouw Hagen verzocht bij hem te gaan. Zij zou me zeker meer

helpen, maar zij souffreert voortdurend aan zware hoofdpijnen—een vorm

van zeeziekte, zegt de dokter,—en alleen wanneer de boot bijna stil

ligt, zooals nu, voelt ze zich wel genoeg om boven te blijven. Wij

hebben anders geen klagen over de sterke beweging: bijna altijd een

kalme zee, het mooiste weer dat men zich wenschen kan, een prettige

commandant en een goede geest onder de passagiers (tot nog toe): dus,

daar ook de tafel en de bediening weinig te wenschen overlaten, alles

wat men aan boord eischen kan.

»In den toestand van James is nog niet veel verandering gekomen: alleen

verbeeld ik me dat hij in deze vier dagen iets minder zwak is geworden,

maar och, misschien schijnt dit maar, omdat ik geloof wat ik hoop. Als

hij geen koorts heeft—want dan zou zijn gekreun de andere passagiers

hinderen—ligt hij op het dek en zit ik met een boek of handwerk bij

hem. Meest moet ik voorlezen, of anders praten. Maar in zijn half

dommelenden toestand heeft hij geen recht begrip van tijd meer en als

ik dan, soms na een uur, ophoud, dan is het: »Ben je nu al moe, Nita?

Toe ik hoor je stem zoo graag; als ik je stem hoor, voel ik geen pijn.«

»Je weet, hij was nooit veeleischend; maar ik geloof dat hij niet

geheel toerekenbaar meer is: soms blijkt het me dat hij niet eens

gehoord of ten minste niet begrepen heeft wat ik las of sprak.

»Die andere luitenant is niet zoo erg ziek, maar lijdt aan

geestverzwakking, ten gevolge van typhus. Te denken hoeveel jonge en

krachtige lichamen op die manier gesloopt worden; te denken dat de

moeders haar zonen in zulk een toestand thuis krijgen; te denken wat

dat zijn moet voor een vrouw, haar man zoo weer te zien. Soms stel ik

me voor, dat je officier waart en op Atjeh, en dan kom ik me zelve zoo

ondankbaar voor; waarom kon ik niet tevreden zijn? Ik behoefde ten

minste niet in angst te leven; je waart daar op de secretarie ten

minste niet in gevaar! Er zijn verscheidene officiersfamiliën aan

boord; als ik denk aan wat zij hebben doorstaan, dan voel ik me klein,

dan schaam ik me bijna.

»Gelukkig hebben we onder de passagiers een non, die dadelijk als

liefdezuster is opgetreden. Ik leer veel van haar: ze is zoo handig, ze

kan zoo rustig en bedaard blijven bij alles! Soms benijd ik ze: er ligt

zulk een vrede op dat lieve bleeke gezicht onder de kap, die haar

schijnt te beschutten tegen al het kleine, dat dikwerf de gedachten van

ons, andere vrouwen, vraagt. Ik weet wel, ik, die de hoogste zaligheid

ken, ik moest slechts medelijden hebben met zoo eene, die niet mag

beminnen; och, het zou ook niet in me opkomen als je bij me was, maar

ik voel me soms zoo verlaten, zoo troosteloos verlaten. En dan, zoo’n

vrouw vraagt of twijfelt niet meer, ze geeft zich over, terwijl ik ...

och, ik vraag altijd door, waarom dit zoo heeft moeten wezen? waarom

dat niet anders zijn kon? Weet je wat me zoo treurig stemt dezer dagen,

Gustaaf! nu ik James daar zoo liggen zie en ik telkens denken moet aan

mijn ledig huis en mijn eenzamen man en onze verloren illusies? De

gedachte dat ik, met al mijn goeden wil, met al mijn ernstig streven om

voor mijn omgeving veel te zijn, de beide mannen, die het meest van me

gehouden hebben, zoo weinig geluk heb kunnen schenken. Dat is één van

de raadselen, die ik vergeefs tracht op te lossen. Maar er zijn vele,

vele andere; ’t is of de golven ze me ’s nachts komen aanbrengen.«

»Suez, 8 Mei.

»Ik heb James verteld, dat ik aan je schreef. »Groet hem van me«,

fluisterde hij. En toen nam hij mijn hand en vroeg:

»Wil je hem zeggen, Nita, dat ik me zijn vertrouwen heb waardig

gemaakt?«

»Arme jongen! Zooveel had hij niet misdaan, dat hij er zoo voor boeten

moest!

»Ik verzekerde hem dat je hem alles vergeven hebt, lang geleden, en

toen zei hij met een zweempje van zijn oude ondeugendheid: »Dat is niet

heel moeilijk, geloof ik, den man te vergeven, die je vrouw het hof wou

maken, als je zóó zeker weet dat ze er niet van gediend was!«

»Ik ben zoo blij dat hij dit gezegd heeft, want hij lachte er bij en

keek me vrij in het gezicht, zoodat ik zeker weet dat hij van zijn

dwaasheid genezen is. Ik zou me anders, nu hij wat beter wordt, niet

geheel op mijn gemak gevoeld hebben met hem.

»Dat is ook een van de vele vragen die ik me doe: of ik die geheele

zaak niet te hoog heb opgenomen? Soms, als ik hier rondom me zie onder

al die vroolijk schertsende, veel etende, rustig slapende, kalm

voortvegeteerende menschen, kom ik me, met al mijn bezwaren en

bekommernis en twijfel, zoo dwaas voor. Had ik misschien moeten lachen

om James? Is dat misschien de verklaring van veel wat me bezig houdt,

dat ik het leven te veel heb beschouwd als ernst? Maar mijn God, is het

dat dan niet?«

»10 Mei.

»Je kunt je er geen denkbeeld van maken, Gustaaf, hoe ik begin te

verlangen naar het oogenblik van onze aankomst. Er zijn in Buitenzorg

dagen geweest—nachten geloof ik weinig, maar dagen—dat ik in ’t geheel

niet dacht aan thuis, en nu—het is of iedere mijl die we nader komen me

meer vervult met de gedachte aan al de lieven, die ik terug zal zien.

»Arme man, ik zeg dikwerf tot me zelf, dat je een groot geluk gemist

hebt.... thuiskomen uit Indië en nog een vader en moeder vinden! Vooral

sedert ik weet dat we in Genua aan wal zullen gaan, wordt dat verlangen

grooter en grooter; het stemt me zoo gelukkig, het is de beste bron van

troost die ik vind voor onze scheiding.

»Ja, we gaan in Genua aan wal. Je begrijpt, als James niet in staat was

geweest de reis over land te maken, dan was ik met hem aan boord

gebleven, maar ik zag daar erg tegen op: twaalf dagen langer op zee en

dan door de golf van Biscaye, en dat met een half verlaten boot, want

ieder debarkeert in Genua; alleen de groote gezinnen, die het

overleggen moeten, gaan mee door. Maar Goddank, er is, sedert we meer

in de koude zijn, verandering ten goede gekomen: eerst werd hij

spraakzamer, toen bleef de koorts weg, toen kreeg hij meer lust in eten

en nu begint hij al langzamerhand een paar stapjes te doen. Op krukken,

Gustaaf, denk je dat eens, James op krukken! Gisteren beproefde hij het

voor het eerst, toen de anderen aan tafel waren; de zuster was bij hem;

ik kwam toevallig boven, maar o, ik kon het niet helpen, toen ik hem

daar zoo zag heenstrompelen, toen ben ik uitgebarsten in tranen. Eerst

lachte hij me uit en liep verder, maar toen gooide hij op eens de

krukken weg, ver over het dek en viel neer op zijn veldbed met de

handen voor het gezicht.

»De zuster beknorde me over mijn gebrek aan zelfbeheersching, en ik was

doodelijk bang dat het hem kwaad zou doen, maar hij vindt het zoo

heerlijk om beter te worden, hij geniet zoo van dat gevoel van

terugkeer en de kracht, dat niets hem kwaad zou kunnen doen op dit

oogenblik, geloof ik.

»Hij wil echter de krukken niet meer gebruiken. Mijnheer Hagen steunt

hem met de zuster; je begrijpt, ik ben daar te klein voor en ook, sinds

hij beter wordt, voel ik me erg lui en lusteloos. De dokter zegt, dat

als hij zoo blijft vooruitgaan, de reis over land hem geen kwaad zal

doen; natuurlijk zal het zijn: zachtjes aan, maar de Hagens behoeven

geen haast te maken.

»O ja, schreef ik dat reeds? De Hagens hebben beloofd bij ons te

blijven; vin je dat niet lief van hen? Wij zijn veel bij elkaar geweest

met ons viertjes en ik kan hun niet dankbaar genoeg zijn; vooral

mijnheer heeft me veel goed gedaan: hij sprak zoo telkens over je; als

hij zag dat ik bedroefd was, dan kwam hij bij mij zitten en liet me

over je praten; ik kon dat met niemand beter; hij waardeert je zoo. En

dan—soms beweert hij dat je zijn voorbeeld heel gauw volgen en naar

Holland komen zult.

»Ik heb gedaan wat je me aanriedt en het gezelschap van mevrouw Hagen

gezocht. Je dacht dat ik er van profiteeren zou om me kalmer te

stemmen, om me de wereldsche zaken meer uit een praktisch oogpunt te

doen zien. Misschien zal dat ook wel het geval zijn, achterna; maar op

het oogenblik zelfs stemt ze mij niet kalmer. Zij is zoo verstandig,

zoo logisch, zoo beredeneerd als alleen vrouwen zijn kunnen, die nooit

een grooten hartstocht hebben gekend; ik kan het niet van me afzetten,

dat ze me overdreven vindt en—verliefder dan het met de waardigheid van

eene vrouw overeenkomt.

»Je weet, ik kan eigenlijk alleen vertrouwelijk worden met menschen bij

wie het hart het hoofd beheerscht: die zuster bijvoorbeeld, ik geloof

stellig dat ze dol van iemand gehouden heeft! Ik heb haar alles

verteld—dat vin je toch niet verkeerd? Je begrijpt, ik moest iemand

hebben voor wie ik mijn leed uitstortte—en ze heeft alles begrepen. Op

een avond liet ik haar je portret zien. Ze zei niets anders dan: »Arm

kind! wat moet je dat gezicht liefhebben...« en ik weet niet hoe het

kwam, maar we schreiden samen en sedert weet ik dat ze van iemand

gehouden heeft.

»Ik had me in den laatsten tijd bij het gadeslaan van ons

reisgezelschap—het zijn bijna allen zieken, zwakken of

teleurgestelden—dikwerf afgevraagd of men eigenlijk wel het recht heeft

zich zoo te verdiepen in eigen klein leed, terwijl anderen zooveel

grooter moeten dragen. Maar de zuster zegt, er is geen klein leed of

groot leed: alles hangt af van het hart dat het ondervindt.

»En dat begin ik ook te gelooven! Als ik bedenk hoe het me smarten kon

wanneer je me maar ontevreden aankeekt, en als ik dan hoor hoe

onvriendelijk enkele mannen hieraan boord voor hun vrouwen zijn en hoe

die vrouwen een oogenblik later lachen, van ganscher harte lachen

kunnen, dan geloof ik ook dat het alles maar van het hart afhangt. En

misschien begrijpen wij menschen elkaar zoo weinig, omdat we altijd bij

een ander hetzelfde gevoel zoeken als we zelf hebben. Ik ondervind in

deze nieuwe omgeving dagelijks hoe men zich in elkaar vergist. Zoo is

er, behalve mij, nog een dame aan boord, wier man in Indië is

achtergebleven. Ik voelde me tot haar aangetrokken door de overeenkomst

in onze omstandigheden en maakte met haar kennis. Wat vertelt ze me? Ze

ging naar Europa voor pleizier! Omdat het haar verveelde langer in de

binnenlanden te zitten. Ze wou de wereldtentoonstelling zien en Parijs

en Weenen. Ze was nooit in de groote opera geweest en ze vond dat dit

hoog tijd werd en—dan moest ze haar garderobe vernieuwen, men raakte op

zoo’n buitenpost zoo ten achteren met de modes! Mijn verbazing

amuseerde haar. Gelukkig dat ze niet in mijn hart kon lezen.

Afschuwelijk! je man te verlaten om zulke redenen. Als ik dan denk aan

den strijd dien het mij heeft gekost!«

»11 Mei.

»Je begrijpt, lieve, in dien tijd toen ik daar zoo uren lang stil bij

James moest blijven zitten, had ik alle gelegenheid om de passagiers

gade te slaan en mijn opmerkingen over hen te maken. Nu hij aan de

beterhand is, beweeg ik me natuurlijk meer onder hen en onderzoek of ik

goed heb gezien, of mijn gevolgtrekkingen juist zijn. De ongetrouwden

interesseeren me minder; ik let meer op de getrouwden; ik zou zoo graag

het geheim ontdekken, dat groote geheim, hoe men een man gelukkig

maakt.

»Er zijn getrouwde lui van elken leeftijd met volwassen dochters, met

zuigelingen—het tweede schijnt me nog minder soesah dan het eerste: met

kinderen in Holland: zonder kinderen. De meeste ouderparen komen me

voor, elkaar te beschouwen, zooals de eigenaar een kip beschouwt, uit

het oogpunt van de eieren die zij legt: de vrouw is lief voor den man,

ze schijnt hem dankbaar voor de ruime omstandigheden waarin ze

verkeert, voor de mooie positie die ze met en door hem inneemt; de man

is vriendelijk voor haar, trotsch op de aardige, vlugge kinderen, die

zij hem geschonken en goed opgevoed heeft, beiden gaan op in dingen

waarmede de liefde weinig te maken heeft.

»Onder de jongeren vind ik er verscheidene, die bij afwisseling

kibbelen en zich laten verteederen, maar dat is niet wat ik bedoel:

geluk is in mijn oog iets rustigs, iets bestendigs. Huwelijken waar de

man, door de vrouw geboeid, alles in haar schijnt te vinden, zie ik er

tot nu toe maar twee.

»Bij die twee dames, dacht me, kon ik een lesje nemen, maar ach, man,

wat ben ik teleurgesteld! Je zult het niet gelooven, maar die eene, die

zoo aangebeden wordt, is een grillig schepsel vol kuren. Ze laat zich

door hem bedienen of zij een vorstin was en hij haar slaaf, ze stoot

hem van zich, ze haalt hem weer aan, en ze speelt met hem als een kind

met zijn hansworst. En daarbij komt het me voor dat ze, hoewel niet

bepaald lichtzinnig, zóó koket is als een fatsoenlijke vrouw wezen kan

zonder dien naam te verliezen... Gustaaf, als ik ook koket geweest was,

als ik je ook zoo in een voortdurende spanning gehouden had, zou ik je

dán misschien geboeid hebben? Het andere huwelijk is me nog

raadselachtiger. ’t Is van dien rechterlijken ambtenaar, je weet wel;

je kende hem nog van vroeger. Zij is mooi, dat is zoo, en jong, maar

zoo onbeteekenend! En dan daarbij die man met zijn helder verstand, met

zijn groote ontwikkeling, die man, wien het een behoefte blijkt om zich

mee te deelen, die met zoo’n innig genot al wat hij gedacht en gelezen

en ondervonden heeft, bespreekt. Me dunkt, alleen dat slaperig,

vervelend mooi gezicht moest genoeg zijn om hem te verhinderen haar

ooit van iets dat hem vervult deelgenoot te maken. Toch—ze zijn acht

jaar getrouwd en hij is doodelijk van haar, ik kreeg daarvan meer dan

één bewijs. Gister nog. Je moet weten, die kokette vrouw—van wie ik

daareven sprak—is zeer lief voor hem en nu hadden ze gister een uur of

langer samen zitten praten, bizonder geanimeerd, toen hij eindelijk

opstond.

»»Gaat u reeds weg?« vroeg ze: »kom blijf nog wat...«

»»De maan komt op, mevrouw,« zei hij.

»»Welnu, wat doet dat er toe? U bent toch niet maanziek?«

»»Een beetje... als de maan schijnt word ik teeder en als ik teeder ben

moet ik bij mijn vrouw wezen.«

»O, Gustaaf, toen ik hem een oogenblik later met haar zag op en neer

wandelen, had ik een heel ondankbaren inval: ik wenschte dat pa en ma

me maar niet hadden laten leeren.«

»12 Mei.

»Het is misschien heelemaal ongegrond, maar hoe dichter we bij Genua

komen, hoe meer ik de zekerheid krijg dat papa daar zijn zal om ons

welkom te heeten. Ik doe alles om mezelve van dat denkbeeld af te

brengen, maar ik kan me onze aankomst niet anders voorstellen dan met

hem, en James gelooft het ook stellig en vast.

»Wat ben ik blij dat ik er zoo gezond uitzie! Je weet niet wat de

zeelucht mij een goed gedaan heeft en dan die koude, die met den dag

grooter wordt, en dan, geloof ik, ook dat gevoel van voor iemand

onmisbaar te zijn. Weet je wat ik weleens gedacht heb, als ik zoo bij

James zat? Hoe prettig het zou geweest zijn als je een beetje minder

goede gezondheid hadt genoten. Zoo’n dagje thuis van tijd tot tijd, wat

een buitenkansje voor mij! ik was dan heel gezellig bij je gaan zitten,

ik had je kamillen laten drinken en koelte toegewuifd en voorgelezen.

Je zult wel zeggen dat ik heel onverstandig word en dwaze wenschen doe;

ja, lieveling, dat is zoo: soms heb ik spijt dat ik niet koket geweest

ben; dan zou ik dom willen zijn: nu weer beklaag ik me dat mijn man

niet ziekelijk is... Het wordt hoog tijd dat ik thuis kom! Thuis kan ik

niet anders dan goede gedachten hebben, dunkt me. Over drie dagen! Kon

je bij me zijn, Gustaaf!«

»13 Mei.

»De zuster en ik hebben van avond nog eens voor het laatst

vertrouwelijk samengepraat. Ze zegt dat ze veel geluk voor ons ziet in

de toekomst, dat deze scheiding noodzakelijk was, opdat we onszelf en

elkaar, bij kalm nadenken, beter zouden leeren begrijpen. Ik bekende

haar dat ik me soms zoo beklemd, zoo beangst gevoel, maar zij gelooft

dat onze liefde eene groote liefde is, en dat ze dus door de

afwezigheid eer vermeerderen dan verminderen zal.

»Maar toen ik vroeg, hoe—al waren wij hereenigd en nauwer verbonden

door de waardeering die het gemis schenkt—hoe toch ooit het groote

verschil in onze levensbeschouwing zou worden weggenomen, hoe we ooit

het geluk zouden vinden als we het zochten in verschillende richting,

toen nam ze mijn hand en kuste me: »Kind, we moeten ook wat aan God

overlaten, misschien wil Hij je een kleinen wegwijzer zenden«.

»15 Mei.

»Ik sluit dezen in haast. James is vrij wel en gereed om aan wal te

gaan. Over een uur zijn we in Genua. O, liefste, waarom ben je niet bij

me!«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 82 / 85 题