»15 April.
»Lieveling, wat is dat vreeselijk geweest! Had ik het maar geweten dat
je nog zooveel van me hieldt, had ik het maar geweten dat je er zooveel
onder lijden zoudt, geloof me, ik was bij je gebleven.
»Je zult misschien niet begrijpen hoe ik het bedoel—jullie mannen voelt
zoo heel anders dan wij—maar voor mij is het afscheid lang zoo bitter
niet geweest als ik het me had voorgesteld. Je waart zoo bedroefd en
dat vond ik zoo heerlijk! Je naamt me zoo telkens weer in je armen en
je drukte me zoo vast aan je hart...
»En weet je wat je wel driemaal hebt gezegd: »Kind, hoe zal ik zonder
je leven!« Dat heeft me zooveel goed gedaan! zoo onbeschrijfelijk veel
goed!
»En weet je wat je ook gezegd hebt? Dat je nu eerst begreept hoe
gelukkig je geweest was... dus, ik heb je toch geluk geschonken, al was
het niet zoo veel als het had kunnen zijn!... Gustaaf, je moet me
vergeven dat ik niet meer vertrouwen, niet meer geduld heb gehad; het
was zoo treurig met me gesteld in den laatsten tijd... ik kon me niet
goed meer rekenschap geven van hetgeen er in me omging; onze verhouding
was zoo vreemd geworden; ik tastte in het duister rond... God geve dat
ik niet heb misgetast! Soms vrees ik het.
»Hoe heb je het nu? Gaat alles geregeld? Handhaaft Mingo zich in zijn
ouden roem? Zorgt Sarinah goed voor je? En ondervind je veel
deelneming? Mevrouw Paerel heeft me beloofd zooveel voor je te zijn als
je haar zoudt willen toestaan; trek je nu niet terug, ze zijn zoo
hartelijk en niet zooals veel hartelijke menschen, vervelend.
»Toen ik nog bij je was, heb ik ’t je wel eens wat lastig gemaakt met
mijn altijd vragen om liefde; nu je mij niets meer behoeft te geven,
wijd je nu elken dag, al heb je het ook nog zoo druk, een oogenblik aan
mijn vrienden, de dieren en de bloemen: het zal je zoo helpen, om je
hart warm te houden, tot ik weer bij je ben om dat te doen.
»Maak je over mij geen oogenblik ongerust. ’t Is waar, ik was niet heel
flink, niet half wat ik had willen zijn, maar je weet, flauw vallen is
een slechte gewoonte van me en toen we maar eenmaal onder stoom waren
ging alles goed.
»Er zijn veel kinderen aan boord, dus behoef ik me geen oogenblik te
vervelen en dan, je weet hoe vriendelijk de menschen me altijd en
overal behandelen.
»Wat de Hagens betreft, er is me al meer dan eens gevraagd of ik hun
dochter was, zóó dragen ze me op de handen; je ziet, het zou ondankbaar
van me zijn, als ik me niet liet troosten.
»Bij aankomst hier vond ik je telegram. Hartelijk dank voor de goede
woorden, ik leg ze bij de anderen weg in mijn hart, en als al de
hartelijkheid die ik ondervind me niet troosten kan, wat ik soms vrees,
dan zullen zij het kunnen.«
»Padang 16 April.
»We liggen hier op de reê, met een prachtig gezicht op de eilandjes,
die als groote groene ruikers op het zilverblauwe water zijn gestrooid;
op den Apenberg met zijn wonderlijk mooie tinten, zooals hij daar bijna
loodrecht, donkergroen met violetten weerschijn, oprijst uit de zee;
allerlei kleine prauwen glijden voorbij, in de verte komt het
stoombootje met de laatste passagiers, want we vertrekken over een paar
uur.
»Je ontvangt dezen binnen enkele dagen. Vind ik weer een telegram van
je op Suez?
»O, Gustaaf, verbeeld je. Ik zal probeeren het je te schrijven. Maar ik
beef zoo, ik ben zoo vreeselijk geschrikt. Daareven kwam het bootje met
de passagiers: een familie met negen kinderen en twee officieren van
Atjeh.
»Een er van kon niet loopen, hij werd op het dek gedragen. Mijnheer
Hagen zei me, dat het zoo’n naar gezicht was, dus was ik niet gaan
kijken, maar daar hoorde ik op eens om eau de cologne roepen; die erge
zwakke was bewusteloos geworden. Ik had een flacon naast me staan, ik
ging die dadelijk brengen, en Gustaaf! wie denk je dat het was? James!
Onze James!
»O, maar onherkenbaar! Arme, lieve, trouwe jongen, het is met hem
gedaan, hij kan niet eens zijn hoofd meer opheffen. Als je hem zag,
zooals hij daar ligt, die vroolijke, sterke, moedige James! Ik ben bij
zijn veldbed neergevallen.
»Toen hij bijkwam en me zag, was hij niets verbaasd. Hij glimlachte
even en sloot de oogen. Ik dacht dat het weer een flauwte was, maar een
oogenblik later zei hij: »Ga nu maar naar de anderen, dokter; ik ben
bezorgd; mijn goede engel is bij me!« Och, Gustaaf als je die stem
gehoord hadt... Ik dacht dat mijn hart zou breken.
»Hij heeft zijn woord maar al te goed gehouden; iedereen is vol van
zijn lof. ’t Schijnt dat hij zich bijzonder onderscheiden heeft; een
van de heeren vertelde het aan mevrouw Hagen.
»Heb ik je gezegd dat hij gewond is bij dat gevecht? Maar aan die wond
zou hij niet sterven; ’t is die vreeselijke malaria, die hem vermoordt.
De dokter geeft weinig hoop; goddank, dat ik hier ben om zijn laatste
dagen te verzachten. Het zal hem aan niets ontbreken. O, als ik hem nog
redden kon! hij heeft zoo’n sterk gestel en, niet waar, de zeelucht
doet soms wonderen!
»Vaarwel, lieve, ik kan hem niet langer alleen laten; de koorts komt op
en hij roept om me.
»22 April.
»Hoeveel keeren was ik reeds van plan je te schrijven. Maar je weet
niet hoe mijn tijd wordt in beslag genomen door onzen armen zieke. Ik
heb nu mevrouw Hagen verzocht bij hem te gaan. Zij zou me zeker meer
helpen, maar zij souffreert voortdurend aan zware hoofdpijnen—een vorm
van zeeziekte, zegt de dokter,—en alleen wanneer de boot bijna stil
ligt, zooals nu, voelt ze zich wel genoeg om boven te blijven. Wij
hebben anders geen klagen over de sterke beweging: bijna altijd een
kalme zee, het mooiste weer dat men zich wenschen kan, een prettige
commandant en een goede geest onder de passagiers (tot nog toe): dus,
daar ook de tafel en de bediening weinig te wenschen overlaten, alles
wat men aan boord eischen kan.
»In den toestand van James is nog niet veel verandering gekomen: alleen
verbeeld ik me dat hij in deze vier dagen iets minder zwak is geworden,
maar och, misschien schijnt dit maar, omdat ik geloof wat ik hoop. Als
hij geen koorts heeft—want dan zou zijn gekreun de andere passagiers
hinderen—ligt hij op het dek en zit ik met een boek of handwerk bij
hem. Meest moet ik voorlezen, of anders praten. Maar in zijn half
dommelenden toestand heeft hij geen recht begrip van tijd meer en als
ik dan, soms na een uur, ophoud, dan is het: »Ben je nu al moe, Nita?
Toe ik hoor je stem zoo graag; als ik je stem hoor, voel ik geen pijn.«
»Je weet, hij was nooit veeleischend; maar ik geloof dat hij niet
geheel toerekenbaar meer is: soms blijkt het me dat hij niet eens
gehoord of ten minste niet begrepen heeft wat ik las of sprak.
»Die andere luitenant is niet zoo erg ziek, maar lijdt aan
geestverzwakking, ten gevolge van typhus. Te denken hoeveel jonge en
krachtige lichamen op die manier gesloopt worden; te denken dat de
moeders haar zonen in zulk een toestand thuis krijgen; te denken wat
dat zijn moet voor een vrouw, haar man zoo weer te zien. Soms stel ik
me voor, dat je officier waart en op Atjeh, en dan kom ik me zelve zoo
ondankbaar voor; waarom kon ik niet tevreden zijn? Ik behoefde ten
minste niet in angst te leven; je waart daar op de secretarie ten
minste niet in gevaar! Er zijn verscheidene officiersfamiliën aan
boord; als ik denk aan wat zij hebben doorstaan, dan voel ik me klein,
dan schaam ik me bijna.
»Gelukkig hebben we onder de passagiers een non, die dadelijk als
liefdezuster is opgetreden. Ik leer veel van haar: ze is zoo handig, ze
kan zoo rustig en bedaard blijven bij alles! Soms benijd ik ze: er ligt
zulk een vrede op dat lieve bleeke gezicht onder de kap, die haar
schijnt te beschutten tegen al het kleine, dat dikwerf de gedachten van
ons, andere vrouwen, vraagt. Ik weet wel, ik, die de hoogste zaligheid
ken, ik moest slechts medelijden hebben met zoo eene, die niet mag
beminnen; och, het zou ook niet in me opkomen als je bij me was, maar
ik voel me soms zoo verlaten, zoo troosteloos verlaten. En dan, zoo’n
vrouw vraagt of twijfelt niet meer, ze geeft zich over, terwijl ik ...
och, ik vraag altijd door, waarom dit zoo heeft moeten wezen? waarom
dat niet anders zijn kon? Weet je wat me zoo treurig stemt dezer dagen,
Gustaaf! nu ik James daar zoo liggen zie en ik telkens denken moet aan
mijn ledig huis en mijn eenzamen man en onze verloren illusies? De
gedachte dat ik, met al mijn goeden wil, met al mijn ernstig streven om
voor mijn omgeving veel te zijn, de beide mannen, die het meest van me
gehouden hebben, zoo weinig geluk heb kunnen schenken. Dat is één van
de raadselen, die ik vergeefs tracht op te lossen. Maar er zijn vele,
vele andere; ’t is of de golven ze me ’s nachts komen aanbrengen.«
»Suez, 8 Mei.
»Ik heb James verteld, dat ik aan je schreef. »Groet hem van me«,
fluisterde hij. En toen nam hij mijn hand en vroeg:
»Wil je hem zeggen, Nita, dat ik me zijn vertrouwen heb waardig
gemaakt?«
»Arme jongen! Zooveel had hij niet misdaan, dat hij er zoo voor boeten
moest!
»Ik verzekerde hem dat je hem alles vergeven hebt, lang geleden, en
toen zei hij met een zweempje van zijn oude ondeugendheid: »Dat is niet
heel moeilijk, geloof ik, den man te vergeven, die je vrouw het hof wou
maken, als je zóó zeker weet dat ze er niet van gediend was!«
»Ik ben zoo blij dat hij dit gezegd heeft, want hij lachte er bij en
keek me vrij in het gezicht, zoodat ik zeker weet dat hij van zijn
dwaasheid genezen is. Ik zou me anders, nu hij wat beter wordt, niet
geheel op mijn gemak gevoeld hebben met hem.
»Dat is ook een van de vele vragen die ik me doe: of ik die geheele
zaak niet te hoog heb opgenomen? Soms, als ik hier rondom me zie onder
al die vroolijk schertsende, veel etende, rustig slapende, kalm
voortvegeteerende menschen, kom ik me, met al mijn bezwaren en
bekommernis en twijfel, zoo dwaas voor. Had ik misschien moeten lachen
om James? Is dat misschien de verklaring van veel wat me bezig houdt,
dat ik het leven te veel heb beschouwd als ernst? Maar mijn God, is het
dat dan niet?«
»10 Mei.
»Je kunt je er geen denkbeeld van maken, Gustaaf, hoe ik begin te
verlangen naar het oogenblik van onze aankomst. Er zijn in Buitenzorg
dagen geweest—nachten geloof ik weinig, maar dagen—dat ik in ’t geheel
niet dacht aan thuis, en nu—het is of iedere mijl die we nader komen me
meer vervult met de gedachte aan al de lieven, die ik terug zal zien.
»Arme man, ik zeg dikwerf tot me zelf, dat je een groot geluk gemist
hebt.... thuiskomen uit Indië en nog een vader en moeder vinden! Vooral
sedert ik weet dat we in Genua aan wal zullen gaan, wordt dat verlangen
grooter en grooter; het stemt me zoo gelukkig, het is de beste bron van
troost die ik vind voor onze scheiding.
»Ja, we gaan in Genua aan wal. Je begrijpt, als James niet in staat was
geweest de reis over land te maken, dan was ik met hem aan boord
gebleven, maar ik zag daar erg tegen op: twaalf dagen langer op zee en
dan door de golf van Biscaye, en dat met een half verlaten boot, want
ieder debarkeert in Genua; alleen de groote gezinnen, die het
overleggen moeten, gaan mee door. Maar Goddank, er is, sedert we meer
in de koude zijn, verandering ten goede gekomen: eerst werd hij
spraakzamer, toen bleef de koorts weg, toen kreeg hij meer lust in eten
en nu begint hij al langzamerhand een paar stapjes te doen. Op krukken,
Gustaaf, denk je dat eens, James op krukken! Gisteren beproefde hij het
voor het eerst, toen de anderen aan tafel waren; de zuster was bij hem;
ik kwam toevallig boven, maar o, ik kon het niet helpen, toen ik hem
daar zoo zag heenstrompelen, toen ben ik uitgebarsten in tranen. Eerst
lachte hij me uit en liep verder, maar toen gooide hij op eens de
krukken weg, ver over het dek en viel neer op zijn veldbed met de
handen voor het gezicht.
»De zuster beknorde me over mijn gebrek aan zelfbeheersching, en ik was
doodelijk bang dat het hem kwaad zou doen, maar hij vindt het zoo
heerlijk om beter te worden, hij geniet zoo van dat gevoel van
terugkeer en de kracht, dat niets hem kwaad zou kunnen doen op dit
oogenblik, geloof ik.
»Hij wil echter de krukken niet meer gebruiken. Mijnheer Hagen steunt
hem met de zuster; je begrijpt, ik ben daar te klein voor en ook, sinds
hij beter wordt, voel ik me erg lui en lusteloos. De dokter zegt, dat
als hij zoo blijft vooruitgaan, de reis over land hem geen kwaad zal
doen; natuurlijk zal het zijn: zachtjes aan, maar de Hagens behoeven
geen haast te maken.
»O ja, schreef ik dat reeds? De Hagens hebben beloofd bij ons te
blijven; vin je dat niet lief van hen? Wij zijn veel bij elkaar geweest
met ons viertjes en ik kan hun niet dankbaar genoeg zijn; vooral
mijnheer heeft me veel goed gedaan: hij sprak zoo telkens over je; als
hij zag dat ik bedroefd was, dan kwam hij bij mij zitten en liet me
over je praten; ik kon dat met niemand beter; hij waardeert je zoo. En
dan—soms beweert hij dat je zijn voorbeeld heel gauw volgen en naar
Holland komen zult.
»Ik heb gedaan wat je me aanriedt en het gezelschap van mevrouw Hagen
gezocht. Je dacht dat ik er van profiteeren zou om me kalmer te
stemmen, om me de wereldsche zaken meer uit een praktisch oogpunt te
doen zien. Misschien zal dat ook wel het geval zijn, achterna; maar op
het oogenblik zelfs stemt ze mij niet kalmer. Zij is zoo verstandig,
zoo logisch, zoo beredeneerd als alleen vrouwen zijn kunnen, die nooit
een grooten hartstocht hebben gekend; ik kan het niet van me afzetten,
dat ze me overdreven vindt en—verliefder dan het met de waardigheid van
eene vrouw overeenkomt.
»Je weet, ik kan eigenlijk alleen vertrouwelijk worden met menschen bij
wie het hart het hoofd beheerscht: die zuster bijvoorbeeld, ik geloof
stellig dat ze dol van iemand gehouden heeft! Ik heb haar alles
verteld—dat vin je toch niet verkeerd? Je begrijpt, ik moest iemand
hebben voor wie ik mijn leed uitstortte—en ze heeft alles begrepen. Op
een avond liet ik haar je portret zien. Ze zei niets anders dan: »Arm
kind! wat moet je dat gezicht liefhebben...« en ik weet niet hoe het
kwam, maar we schreiden samen en sedert weet ik dat ze van iemand
gehouden heeft.
»Ik had me in den laatsten tijd bij het gadeslaan van ons
reisgezelschap—het zijn bijna allen zieken, zwakken of
teleurgestelden—dikwerf afgevraagd of men eigenlijk wel het recht heeft
zich zoo te verdiepen in eigen klein leed, terwijl anderen zooveel
grooter moeten dragen. Maar de zuster zegt, er is geen klein leed of
groot leed: alles hangt af van het hart dat het ondervindt.
»En dat begin ik ook te gelooven! Als ik bedenk hoe het me smarten kon
wanneer je me maar ontevreden aankeekt, en als ik dan hoor hoe
onvriendelijk enkele mannen hieraan boord voor hun vrouwen zijn en hoe
die vrouwen een oogenblik later lachen, van ganscher harte lachen
kunnen, dan geloof ik ook dat het alles maar van het hart afhangt. En
misschien begrijpen wij menschen elkaar zoo weinig, omdat we altijd bij
een ander hetzelfde gevoel zoeken als we zelf hebben. Ik ondervind in
deze nieuwe omgeving dagelijks hoe men zich in elkaar vergist. Zoo is
er, behalve mij, nog een dame aan boord, wier man in Indië is
achtergebleven. Ik voelde me tot haar aangetrokken door de overeenkomst
in onze omstandigheden en maakte met haar kennis. Wat vertelt ze me? Ze
ging naar Europa voor pleizier! Omdat het haar verveelde langer in de
binnenlanden te zitten. Ze wou de wereldtentoonstelling zien en Parijs
en Weenen. Ze was nooit in de groote opera geweest en ze vond dat dit
hoog tijd werd en—dan moest ze haar garderobe vernieuwen, men raakte op
zoo’n buitenpost zoo ten achteren met de modes! Mijn verbazing
amuseerde haar. Gelukkig dat ze niet in mijn hart kon lezen.
Afschuwelijk! je man te verlaten om zulke redenen. Als ik dan denk aan
den strijd dien het mij heeft gekost!«
»11 Mei.
»Je begrijpt, lieve, in dien tijd toen ik daar zoo uren lang stil bij
James moest blijven zitten, had ik alle gelegenheid om de passagiers
gade te slaan en mijn opmerkingen over hen te maken. Nu hij aan de
beterhand is, beweeg ik me natuurlijk meer onder hen en onderzoek of ik
goed heb gezien, of mijn gevolgtrekkingen juist zijn. De ongetrouwden
interesseeren me minder; ik let meer op de getrouwden; ik zou zoo graag
het geheim ontdekken, dat groote geheim, hoe men een man gelukkig
maakt.
»Er zijn getrouwde lui van elken leeftijd met volwassen dochters, met
zuigelingen—het tweede schijnt me nog minder soesah dan het eerste: met
kinderen in Holland: zonder kinderen. De meeste ouderparen komen me
voor, elkaar te beschouwen, zooals de eigenaar een kip beschouwt, uit
het oogpunt van de eieren die zij legt: de vrouw is lief voor den man,
ze schijnt hem dankbaar voor de ruime omstandigheden waarin ze
verkeert, voor de mooie positie die ze met en door hem inneemt; de man
is vriendelijk voor haar, trotsch op de aardige, vlugge kinderen, die
zij hem geschonken en goed opgevoed heeft, beiden gaan op in dingen
waarmede de liefde weinig te maken heeft.
»Onder de jongeren vind ik er verscheidene, die bij afwisseling
kibbelen en zich laten verteederen, maar dat is niet wat ik bedoel:
geluk is in mijn oog iets rustigs, iets bestendigs. Huwelijken waar de
man, door de vrouw geboeid, alles in haar schijnt te vinden, zie ik er
tot nu toe maar twee.
»Bij die twee dames, dacht me, kon ik een lesje nemen, maar ach, man,
wat ben ik teleurgesteld! Je zult het niet gelooven, maar die eene, die
zoo aangebeden wordt, is een grillig schepsel vol kuren. Ze laat zich
door hem bedienen of zij een vorstin was en hij haar slaaf, ze stoot
hem van zich, ze haalt hem weer aan, en ze speelt met hem als een kind
met zijn hansworst. En daarbij komt het me voor dat ze, hoewel niet
bepaald lichtzinnig, zóó koket is als een fatsoenlijke vrouw wezen kan
zonder dien naam te verliezen... Gustaaf, als ik ook koket geweest was,
als ik je ook zoo in een voortdurende spanning gehouden had, zou ik je
dán misschien geboeid hebben? Het andere huwelijk is me nog
raadselachtiger. ’t Is van dien rechterlijken ambtenaar, je weet wel;
je kende hem nog van vroeger. Zij is mooi, dat is zoo, en jong, maar
zoo onbeteekenend! En dan daarbij die man met zijn helder verstand, met
zijn groote ontwikkeling, die man, wien het een behoefte blijkt om zich
mee te deelen, die met zoo’n innig genot al wat hij gedacht en gelezen
en ondervonden heeft, bespreekt. Me dunkt, alleen dat slaperig,
vervelend mooi gezicht moest genoeg zijn om hem te verhinderen haar
ooit van iets dat hem vervult deelgenoot te maken. Toch—ze zijn acht
jaar getrouwd en hij is doodelijk van haar, ik kreeg daarvan meer dan
één bewijs. Gister nog. Je moet weten, die kokette vrouw—van wie ik
daareven sprak—is zeer lief voor hem en nu hadden ze gister een uur of
langer samen zitten praten, bizonder geanimeerd, toen hij eindelijk
opstond.
»»Gaat u reeds weg?« vroeg ze: »kom blijf nog wat...«
»»De maan komt op, mevrouw,« zei hij.
»»Welnu, wat doet dat er toe? U bent toch niet maanziek?«
»»Een beetje... als de maan schijnt word ik teeder en als ik teeder ben
moet ik bij mijn vrouw wezen.«
»O, Gustaaf, toen ik hem een oogenblik later met haar zag op en neer
wandelen, had ik een heel ondankbaren inval: ik wenschte dat pa en ma
me maar niet hadden laten leeren.«
»12 Mei.
»Het is misschien heelemaal ongegrond, maar hoe dichter we bij Genua
komen, hoe meer ik de zekerheid krijg dat papa daar zijn zal om ons
welkom te heeten. Ik doe alles om mezelve van dat denkbeeld af te
brengen, maar ik kan me onze aankomst niet anders voorstellen dan met
hem, en James gelooft het ook stellig en vast.
»Wat ben ik blij dat ik er zoo gezond uitzie! Je weet niet wat de
zeelucht mij een goed gedaan heeft en dan die koude, die met den dag
grooter wordt, en dan, geloof ik, ook dat gevoel van voor iemand
onmisbaar te zijn. Weet je wat ik weleens gedacht heb, als ik zoo bij
James zat? Hoe prettig het zou geweest zijn als je een beetje minder
goede gezondheid hadt genoten. Zoo’n dagje thuis van tijd tot tijd, wat
een buitenkansje voor mij! ik was dan heel gezellig bij je gaan zitten,
ik had je kamillen laten drinken en koelte toegewuifd en voorgelezen.
Je zult wel zeggen dat ik heel onverstandig word en dwaze wenschen doe;
ja, lieveling, dat is zoo: soms heb ik spijt dat ik niet koket geweest
ben; dan zou ik dom willen zijn: nu weer beklaag ik me dat mijn man
niet ziekelijk is... Het wordt hoog tijd dat ik thuis kom! Thuis kan ik
niet anders dan goede gedachten hebben, dunkt me. Over drie dagen! Kon
je bij me zijn, Gustaaf!«
»13 Mei.
»De zuster en ik hebben van avond nog eens voor het laatst
vertrouwelijk samengepraat. Ze zegt dat ze veel geluk voor ons ziet in
de toekomst, dat deze scheiding noodzakelijk was, opdat we onszelf en
elkaar, bij kalm nadenken, beter zouden leeren begrijpen. Ik bekende
haar dat ik me soms zoo beklemd, zoo beangst gevoel, maar zij gelooft
dat onze liefde eene groote liefde is, en dat ze dus door de
afwezigheid eer vermeerderen dan verminderen zal.
»Maar toen ik vroeg, hoe—al waren wij hereenigd en nauwer verbonden
door de waardeering die het gemis schenkt—hoe toch ooit het groote
verschil in onze levensbeschouwing zou worden weggenomen, hoe we ooit
het geluk zouden vinden als we het zochten in verschillende richting,
toen nam ze mijn hand en kuste me: »Kind, we moeten ook wat aan God
overlaten, misschien wil Hij je een kleinen wegwijzer zenden«.
»15 Mei.
»Ik sluit dezen in haast. James is vrij wel en gereed om aan wal te
gaan. Over een uur zijn we in Genua. O, liefste, waarom ben je niet bij
me!«