»Buitenzorg, 6 April.
»Lieve, beste man,
»Ik zal dezen aan Mingo geven, met verzoek hem je ter hand te stellen,
als ik een dag of acht weg ben. Want, Gustaaf, ik ben verwaand genoeg
om te gelooven dat, hoe aangenaam het voor je wezen mag om weer eens
geheel te kunnen leven voor je werk, je dàn toch wel weer eens prettig
verrast zoudt opkijken, als de deur zachtjes open ging en zeker iemand
binnen kwam om je te vragen of je niet eens een uurtje met haar zoudt
willen praten.
»Natuurlijk heb je van de welkome rust, na al de drukte die de laatste
tijd meebracht, gebruik gemaakt om bergen werks af te doen; dus wil je
me dit oogenblikje wel geven, niet waar?
»Maar ik zal niet »kort en zakelijk« kunnen zijn zooals ik weet dat je
je brieven graag ontvangt.
»Ik ben zoo in de war, sinds het zeker is dat ik wegga: alles komt me
zoo heel anders voor... soms vraag ik me af of het niet een groote
vergissing kon zijn; of ik misschien, toen ik geloofde dat hetgeen het
eenige was wat me te doen overbleef, je ontevredenheid te hoog opnam;
of we misschien na korter of langer tijd niet geleerd zouden hebben
elkaârs karakter en overtuiging te eerbiedigen; of ik niet had moeten
blijven...
»Maar neen, dit is dwaasheid! Niet waar, Gustaaf, je vondt het ook
noodzakelijk? O, als je nog terugkwaamt op je besluit; nu nog, terwijl
de koffers gepakt staan en de afscheidsvisites gemaakt zijn, wat zou ik
graag weer uitpakken en—zooals je gister zei, toen ik er een balletje
van opgooide—een gek figuur slaan.
»Hoe heb ik toch ooit dit onzalig plan kunnen bedenken! Ja, ik weet het
maar al te goed: ik weet hoe het voor het eerst in me opkwam, tegelijk
met het pijnlijk gevoel van een plaats in te nemen, waarvoor ik niet
geschikt bleek.
»’t Was op dien middag toen ik je vertelde, dat ik bedankt had voor de
uitnoodiging van Zijn Excellentie om dat uitstapje te maken naar
Tjipanas; ik dacht dat je het apprecieeren zoudt, daar je niet mee
kondt gaan wegens ongesteldheid; maar je zei dat een vrouw, die geen
tact toont, een blok wordt aan het been van haar man. En dan,
Verschuere, waarom heb je mevrouw Verdijk toch zoo geprezen? waarom me
haar tot voorbeeld gesteld? Het was je geen ernst, dit weet ik; het kon
geen ernst zijn.
»Je zoudt niet willen dat ik me het hof liet maken, al was het dan nog
zoo’n onschuldige hofmakerij: al was het dan ook tot het bereiken van
een doel; niet waar, je zoudt het niet willen!
»O, ik twijfel nu of je al die nare dingen wel hebt gezegd met de
bedoeling, dat ik ze zoo hoog zou opnemen! Maar... herinner je je niet
dien avond toen ik me onvoorzichtig had uitgelaten, wat je toen bij ’t
naar huis rijden zei? Dat een getrouwd man geen meester is over zijn
daden. Dat zijn vrouw het werk van jaren soms in één uur bederft. Dat
je niet hadt moeten trouwen! Dat je niet hadt moeten trouwen...
»Ja, Gustaaf je hadt wel moeten trouwen, alleen niet met mij.
»Je zoudt me niet zoo gegriefd hebben, als je kalm geweest waart; dat
spreekt van zelf. Maar niet waar, op zoo’n oogenblik denkt men niet
bedaard na, en ik was diep ongelukkig en kon maar niet in slaap
komen... ik heb een heele dwaze gewoonte man, die ik je nu maar
bekennen zal: als je daar zoo stil in de kussens ligt, dan verdwijnt
die strakke vermoeide trek uit je gezicht, dan krijgt het de lieve,
vriendelijke uitdrukking van vroeger, en dan vind ik het een genot er
naar te zien. Soms, wanneer ik bedroefd was of wanneer we iets gehad
hadden samen, keek ik naar je, tot ik den boozen man vergeten kon en
met de gedachte aan den lieven de oogen sluiten; dat deed ik dien avond
ook, je glimlachte in je slaap en je weet wel, je waart naar bed gegaan
zonder me goeden nacht te zeggen... ik gaf je een kus.
»Toen gebeurde er iets; je zult het misschien een kleinigheid noemen;
maar ik vond het vreeselijk! Je zei heel zacht: »Marie! o, Marie...«
»Ik weet wie Marie voor je geweest is. Toen je me vertelde van je
eerste liefde, vroeg ik je me te zeggen welk soort van meisje ze was...
Toen gebruikte je een uitdrukking die ik voor het eerst hoorde en die
me daardoor bijbleef: une maitresse femme noemde je haar. Nu weet ik
wat dit is, une maitresse femme: het tegenovergestelde van mij...
»Och, die Marie..., ik denk telkens aan haar... zij zou geschikt voor
je geweest zijn, zij zou je flink ter zijde hebben gestaan. ’t Is waar,
ze heeft een ander genomen om barones te worden en ik, ik zou je voor
geen koning geruild hebben, maar wat doet dit er toe? ’t Is immers toch
niet de liefde die een huwelijk gelukkig maakt! Zij zou je nooit
verveeld hebben.
»Wat is dat moeilijk, Gustaaf, je man te boeien! Als de meisjes wisten
hoe moeilijk het is, zouden ze niet zoo haastig trouwen, of zich beter
voorbereiden. Niet waar, ik heb gedaan wat ik kon? Ik ben niet
onverschillig geworden voor den indruk, dien ik op je maken zou; ik heb
de talenten, die ik bezat, gebruikt; ik heb beproefd het je thuis
gezellig te maken; ik heb je vrienden hartelijk ontvangen. En ik heb
met inspanning van al mijn krachten beproefd me te ontwikkelen; ja, ik
heb hard gestudeerd, Gustaaf, veel harder dan je ooit vermoed hebt. En
toch verveelde ik je! Toch kwam, als ik je iets vroeg terwijl je bezig
waart—en je waart altijd bezig—die rimpel op je voorhoofd: toch zag ik
telkens die ongeduldige beweging waarmee je opkeek uit je boek als ik
nader kwam; toch heb ik je heel opgewekt hooren praten met vreemden,
als je niet den minsten lust hadt getoond om te praten met mij. Zie je,
dit vond ik vreeselijk, dit gevoel, dat langzamerhand over me kwam van
tot last te zijn. Denk niet dat ik het je verwijt; je hebt genoeg je
best gedaan om het te verbergen, maar geloof je ook niet dat niets
moeilijker te verbergen valt dan verveling?
»We zijn alweer dichter bij het afscheid en ik kan nog niet besluiten
om dezen te eindigen; het helpt me zoo dat ik schrijven kan wat in me
omgaat, ik zou anders veel te veel zeggen. O, lieveling, wat moet dat
een ondragelijk iets zijn, een huwelijk zonder wederzijdsch vertrouwen,
als ik bedenk wat ik geleden heb sedert ik je niet meer alles zeggen
kan!
»O, als ik maar eens spreken durfde! mijn geheele hart uitstorten...
maar dat mag niet! Neen, dat mag niet, want je zoudt me aanzien en in
je armen nemen en ik zou zwak worden, zwak tot lafheid toe en bij je
blijven om je tot last te zijn!
»Ik dacht dat ik alles overwogen had vóór ik mijn besluit nam, maar ik
heb één ding vergeten, hoe verrukkend het is bemind te worden.
»O Gustaaf, als er soms in je hart bitterheid mocht komen jegens de
vrouw, die je heeft moeten teleurstellen, denk dan hoe zwaar ik zelve
daaronder geleden heb; denk dan dat ik je omhelzingen mis en je kussen
en je teederheden en je zult medelijden met me hebben. Waarom ben je
ook zoo lief voor me, Gustaaf, nu deze laatste dagen? Waarom? Ik zou
willen dat je driftig waart zooals een poos geleden; ik zou willen dat
je harde, onrechtvaardige dingen zei; dat zou me sterk maken.
»Maar neen, dit heb ik niet ernstig gemeend; ik kan de herinnering aan
deze laatste goede dagen niet missen... ik neem ze mee naar Holland als
een schat; ik voel het nu, noch de vreugde van weer thuis te zijn, noch
papa’s groote genegenheid, noch mama’s trouwe zorgen zullen me kunnen
vergoeden wat alleen de liefde geven kan—die volheid van geluk, die
niets te wenschen overig laat.
»Soms—niet waar Gustaaf, je lacht me niet uit zooals die dames, omdat
ik me dit telkens weer verbeeld?—soms, als ik me in zielsangst afvraag
hoe ik toch zonder je leven zal, is het me of ik antwoord krijg, of
engelen me komen toefluisteren dat ze me een kindje willen brengen. Ik
moest niet luisteren naar die beloften, maar het maakt me minder
ongelukkig en—zijn ze bestemd om onvervuld te blijven—ach, ik ben er
reeds aan gewoon, de engelen met de blijde boodschap op eens te zien
verdwijnen...
»Gister zei je, dat het egoïstisch van me was weg te gaan. Als je niet
meer telkens gestoord wordt, als ik je tijd niet meer vraag voor
allerlei nietigheden, als je geheel leven kunt voor je werk, geheel
toebehooren aan je betrekking, dan zul je weten dat het niet egoïstisch
van me was weg te gaan.
»Gustaaf, ik droomde dat ik aankwam in Holland. Ik stond op het midden
van de loopplank. Iemand bracht me een brief. Aan den wal wachten pa en
ma en de broers en zusters. Ze wenkten me toe. Ik zag duidelijk ma’s
lief gezicht: ze schreide van vreugde. Ik hoorde de neefjes en nichtjes
roepen: »Tante, tante Nita!« en ze zonden me kushandjes toe... ik stond
daar en las den brief. Hij bevatte maar vier woorden: »Kom weer bij
me.« Toen groette ik pa en ma uit de verte en keerde terug op de boot;
de loopplank werd ingehaald, ik hoorde ze roepen, gillen; ik zag hoe
mijn arm oud vadertje moest worden vastgehouden, hoe mama’s gezicht
veranderde... ik bekommerde er me niet om, ik voelde me zoo licht als
een veêr. »Hij wil me terug hebben, hij mist me, hij verlangt naar me!«
riep ik, tot ze eindelijk verdwenen uit het gezicht.
»Dwaze droom, niet waar? Maar o, ik had voort willen droomen,
luisterend naar de machine, waarvan iedere slag me nader tot je bracht,
ik had voort willen droomen tot in eeuwigheid.
»Als je wist met welk een vreeselijk gevoel van teleurstelling ik
wakker werd! Ja, ik zal de machine hooren, maar niet om me tot je te
brengen!
»Morgen reeds is het de dag van mijn vertrek... morgen reeds, ik had
altijd gehoopt dat er nog iets tusschenbeide zou komen, maar morgen
reeds... nu kan het niet meer.
»O, Gustaaf, ik heb je toch wel bemind! Ik bemin je nog, Gustaaf, boven
alles! Hoe zou ik anders moed vinden om dit te doorstaan? Wat zijn de
menschen gelukkig die plotseling sterven; ze behoeven geen afscheid te
nemen...«