HET LEED VAN EEN STERK MAN.

De nieuwe vice-president is geïnstalleerd, de oude naar Soekaboemi

vertrokken, om daar het oogenblik af te wachten dat in Holland de

winter voorbij en het seizoen meer voor verlofgangers geschikt zal

zijn; luitenant Van den Bosch werd overgeplaatst naar Atjeh; Gertrude

bleek er op gesteld hem te volgen, zoodat wanneer de Meimaand eenmaal

daar is, het den Hagens niet al te zwaar zal vallen Indië te verlaten.

Wat is hun het mooie huis op het Koningsplein, nu ze geen dochter meer

hebben om het gezellig te maken; wat is hun de schoonzoon, nu hij van

de eene garnizoensplaats naar de andere zal worden gevoerd; wat

Batavia, nu een vreemde eerste luitenant met een vreemde jonge vrouw de

vriendelijke kampementswoning heeft betrokken?

Tot directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid is, in plaats van

den armen ridder, die met stille trom, zijn vrouw en zijn leeuwtje

vertrok, de eerste gouvernements-secretaris Verdijk benoemd en

Buitenzorg heeft het wonderlijk feit zien gebeuren dat mevrouw Verdijk

in een vreeselijke onweersbui uitreed... ’t was om Zijn Excellentie te

bedanken. Deze benoeming heeft nog al ontevredenheid gewekt; men zag er

het bewijs in, dat voortaan minder rekening zou worden gehouden met

verdienste en recht dan met vrouw en invloed—en aan dezen nieuwen

toestand wilde de indische ambtenaarswereld zich maar niet zoo dadelijk

gewennen.

Te bestemder tijd is ook het nieuwe lid in den raad van Indië uit

patria teruggekeerd en beëedigd.

De uitnoodiging hun door hun oude vrienden, de Verschuere’s, gedaan om

eenigen tijd op Buitenzorg te komen doorbrengen, was uiterst welkom: de

heer en mevrouw De Bruining verlangden niets liever dan Buitenzorg

terug te zien, Buitenzorg, waar ze eenmaal gelukkig geweest zijn;

immers, ze beseften het toen nog niet, maar ze weten het nu: allen bij

elkaar te zijn, dat is geluk!

Ze hebben hun vijf jongens moeten achterlaten... op uitmuntende

scholen, bij lieve familie, voor hun eigen bestwil, o ja! maar ze

hebben ze moeten achterlaten, en Daan is grijs als een oud man, en

wanneer Louise een jongen in een blauwe kiel en broek ziet, wendt ze

het hoofd af om niet uit te barsten in tranen.

Ze willen op Buitenzorg zijn, om de plekjes te bezoeken waar de jongens

speelden, waar ze hun kattekwaad uitvoerden, waar ze zoo wild stoeien,

zoo levensgevaarlijk vechten konden, waar ze zoo ondeugend waren,

maar—fluistert de moeder—toch ook zoo lief...

Indien het mogelijk ware dat een vrouw zich troostte over het

kinderloos blijven van haar echt, dan zou Agnita zich dezer dagen

vertroost gevoeld hebben bij het aanschouwen van dien aan waanzin

grenzenden angst, wanneer de mail moest aankomen; van die oogen vol

smartelijk verlangen, die over bergen en zeeën schenen te willen

doordringen in het hollandsch huis, waar men haar schat verborg. Louise

en haar veel jonger zusje waren meegekomen, innerlijk en uiterlijk zeer

in haar voordeel veranderd door geregeld schoolgaan, frissche winterkou

en goed gemaakte japonnen—er zijn menschen geweest die vroegen waarom

de ouders maar niet meteen de meisjes achterlieten!—De heer en mevrouw

De Bruining hebben voor haar een gouvernante geëngageerd.

»Een gouvernante!« roept Nita verbaasd, als haar vriendin haar dit

mededeelt. »Ik dacht dat je een duren eed hadt gezworen om nooit, nooit

meer...«

»Ja, dat had ik ook... O, maar dit is een puikje. Heel wat anders dan

de bonnetjes, die ik tot nu toe gehad heb. Ofschoon, daar waren ook wel

goede bij... als ze maar niet altijd iets gevoeld hadden voor

trompetters!« zucht Louise.

»Heel wat anders... een dochter van een overste, geëxamineerd in drie

talen, hoofdonderwijzeres, niet zoo piep jong meer, erg bekwaam en—nu

ja, aan boord was ze wel een beetje opgewonden, maar anders... erg

fatsoenlijk.«

Arme Louise, die zich over zoo iets illusies maakte! Alsof juffrouwen

met vier akten niet precies wisten hoe men een goedgeloovig indisch

ouderpaar kan gebruiken om den overtocht te betalen, die liefst moet

eindigen in de huwelijkshaven, en zoo dat niet vlot, om, gesteund door

een of andere familie, hetzij dom, hetzij laag genoeg om zich tot de

comedie te leenen, zich onmogelijk te maken en een breuk uit te lokken.

Dan kan ze overgaan bij het gouvernement, het gouvernement, dat Dorado

voor onderwijs gevende jonge dames, niet omdat het pensioen verzekert

of verlofstraktement—wie, die jong is, denkt aan oud of ziek

worden!—niet omdat het zoo genoegelijk is dagelijks vijf uur te staan

voor een klas van opgeschoten lummels, of aan half maleische kinderen

het a. b. c. te leeren, maar omdat het vrije leven van commensaal meer

dan de huiselijke kring gelegenheid geeft tot »la chasse de l’homme«.

De nieuwe gouvernante behoorde geenszins tot de weinige uitzonderingen

die op dezen regel voorkomen, en Nita had bij al haar huiselijke

drukten wel gelegenheid om op te merken: de onrust van het jonge

meisje, die scheen te denken dat haar geluk op straat moest gevonden

worden, den toon harer leerlingen, die als het ware met den dag minder

eerbiedig werd; de overdreven, bijna ziekelijke teederheid die de

beroofde moeder wijdde aan de twee kinderen, welke men haar gelaten

had; het nu in alles flink en manlijk optreden van dienzelfden Daan,

aan wien ze nooit anders dan met een medelijdend lachje had gedacht,

omdat ze hem niet anders dan in zijn verval had gekend, maar vooral den

kieschen takt dien Verschuere bij de ontvangst zijner gasten toonde.

De heer De Bruining toch, met de fijngevoeligheid die hem zoo beminlijk

maakte, gevoelde zich bezwaard door de gedachte dat zijn verheffing een

misrekening was geweest voor zijn vriend. Maar deze wederlegde al zijn

bezwaren.

’t Is waar, men had hem genoemd, maar hij zelf had geen oogenblik

gedacht aan de waarschijnlijkheid van zulk een keuze; er kon immers

geen sprake van hem zijn! ’t Was toch reeds een wonderbaarlijk snelle

promotie geweest die hij maakte; zou men hem dan zijn tegenwoordige

betrekking zoo kort laten bekleeden? Dwaasheid! Onmogelijk!

»Maar de pers...« zei de Bruining met een benauwd gezicht.

»Ja, de pers,« stemde Verschuere lachend toe; »maar heeft het u nooit

toegeschenen dat de regeering altijd iemand anders kiest dan de pers,

al ware het om te bewijzen dat die geheel verkeerd is ingelicht?«

»Maar de publieke opinie!«

»Ja, dat was me weer een nieuw teeken van de frivoliteit onzer indische

maatschappij; men had u eenvoudig vergeten, u en uw oudere rechten. U

waart dan ook al meer dan twee jaar weg!«

»Zie je, het kwam ons zoo gelegen«, brengt De Bruining nu ter

verontschuldiging bij, en Louise keert haar vriendelijk gelaat tot Nita

met de vraag: »Het heeft je toch niet te erg gespeten?«

Nog vóór zijn vrouw heeft kunnen antwoorden, roept Verschuere: »Haar?

Ze beklaagt zich nu al dat ze bij officieele gelegenheden altijd naast

oude heeren wordt geplaatst. Wat zou het dan wel zijn!« En zijn lach is

daarbij zoo natuurlijk, zijn scherts schijnt zoo welgemeend, dat het

nieuwe raadslid volkomen is gerustgesteld.

Nita bewondert Gustaaf’s zelfbeheersching, al doet het haar pijnlijk

aan, dat ze getoond moet worden ten koste van de waarheid. Hoewel nog

altijd niet zeer bekwaam in het verbergen harer gevoelens, weet ze nu

toch reeds genoeg van de wereld, waarin ze leeft, om er in de gegeven

omstandigheden het noodzakelijke van in te zien: alleen wenscht ze dat

hij het masker, bij vreemden gedragen, bij haar had afgeworpen.

Maar er iets gekomen tusschen hem en haar, iets als een muur. Een groot

leed, te zaâm gedragen, kan een sterk man nader brengen tot een zwakke

vrouw; een teleurstelling zal hen bijna altijd vervreemden.

Nooit meer dan in deze dagen was Verschuere de strijdbare, werkzame,

zich zijner meerderheid bewuste man geweest. Zonder zich ook maar één

oogenblik te laten ontmoedigen ging hij, getrouw aan zijn leuze: »hoe

grooter de tegenstand, hoe schitterender de overwinning,« af op het

doel dat hij zich voorstelde... Had Nita naast hem kunnen gaan, had ze

haar oog kunnen vestigen op datzelfde doel, had ze over dezelfde stalen

zenuwen, denzelfden ijzeren wil kunnen beschikken, hij zou van haar een

reismakker gemaakt hebben. Maar zijn vrouwen altijd sterk genoeg om te

dragen, ze zijn soms te zwak om onmiddellijk na een slag den nieuwen

strijd aan te binden. Voor haar was de slag zwaar geweest.

Hoewel niet eerzuchtig, bleef de kans op Verschuere’s lid worden in den

raad van Indië altijd het lichtpunt, waarop ze met stil verlangen den

blik gevestigd hield.

Honderd malen had ze zich zelve bemoedigd door de woorden te herhalen,

eens door mevrouw Hagen gebruikt: »de betrekking van algemeen

secretaris is het vagevuur dat we met onze mannen moeten doormaken om

in het paradijs te komen,« en nu waren de deuren van het paradijs

gesloten!

»... tot ze weer opengaan,« had Verschuere gezegd met zijn gewone

opgewektheid, maar och, ze wist het, een plaats in den raad van Indië

komt niet alle dagen vakant: er zijn voorbeelden van leden, die er

haast een kwarteeuw zitting in bleven houden. ’t Zal nu wellicht weer

jaren duren, en jaren, dit gevoelt ze, kan zij niet meer wachten!

Er was iets in haar treurigheid dat hem ontstemde: haar zachte,

droevige blikken hinderden hem; hij wilde dat de vrouw, die hij zich

verkoren had geen oogenblik twijfelen zou aan zijn toekomst; zoo iemand

moedig en onbevreesd kon wezen, zoo iemand willig offers brengen kon,

dan moest zij het zijn.

Maar—gelijk hij knorrig tot zich zelven zeide—hij werd niet door haar

begrepen, zij was niet berekend voor de plaats die ze innam. In stede

van hem te bewonderen, dat hij zijn onder dit bewind zoo weinig

dankbare taak met onverflauwden ijver vervulde, noemde ze het zijner

onwaardig zulke meesters te dienen. Te vergeefs had hij beproefd haar

te doen begrijpen, dat de door den staat bezoldigde ambtenaar zijn

diensten moet praesteeren, ook al druischen de bevelen der lastgevers

in tegen zijn overtuiging; ze hield vol dat men eerst denkend wezen,

daarna ambtenaar is. Ook beoordeelde ze den nieuwen landvoogd naar den

maatstaf dien men op Bloemduin gebruikte, en kon of wilde ze zich niet

schikken naar den toon, die sedert kort heerschte in de hofkringen;

kortom, hij vond in haar niet langer wat hij in zijn vrouw zocht.

En ze wist het. Ze wist het hoewel hij het harde woord nog niet over de

lippen had gebracht; ze las het in zijn oogen, ze hoorde het in zijn

stem, ze voelde het in zijn liefkoozingen.

Er is geen pijnlijker ontdekking dan deze voor de vrouw die bemint, en

geen meer gevaarlijke tevens. Want ze ontrooft haar het natuurlijke,

die grootste bekoorlijkheid in het oog van den man.

Agnita werd op eens beschroomd, weifelend; ze durfde niet meer ronduit

spreken; het zelfvertrouwen dat de zekerheid van zijn liefde haar

geschonken had verdween; ze verloor het kinderlijk ongekunstelde, dat

haar zoo aantrekkelijk had gemaakt. Bevreesd nog meer te verliezen, was

zij niet langer zich zelve, en niets kon meer in haar nadeel wezen dan

dat.

Wel verzette ze zich met al wat in haar was tegen het beklemd gevoel,

dat haar in Verschuere’s tegenwoordigheid overmeesterde gelijk de koude

den in sneeuw en ijs verdwaalden reiziger; wel trad ze hem soms tegen

met den ouden vertrouwden lach; wel drong ze hem een enkele maal haar

te vergezellen op een wandeling of rijtoer; wel nam ze, hoewel met

vreezen en beven, nu of dan het oude plaatsje in, dicht bij zijn

schrijftafel; wel sloeg ze somtijds in vertwijfelende teederheid de

armen om zijn hals,—de schoonheid van dat blozend gezichtje in zijn

gouden lijst, de zachte ronding dier blanke armen mocht hem dan voor

een oogenblik vervoeren, het wederzijdsch vertrouwen keerde niet terug.

Juist in deze dagen leed ze onder een lichamelijke gedruktheid, een

gevoel van onbehagen, waarvoor ze te vergeefs een oorzaak zocht en

waarover ze dokter Bosschaert niet wilde raadplegen; ze wist wat zijn

eerste gedachte zijn zou en ze was het moe, gevleid te worden met een

hoop, die toch nooit vervuld scheen te mogen worden. In deze

zwaarmoedige stemming, in de pijnlijke ongevoeligheid van haar gewond

hart, gaf ze aan ieder woord door hem in overspanning of drift

gesproken een veel dieper beteekenis dan het verdiende; met groote

nauwgezetheid, gevolg eener ernstige, godsdienstige opvoeding, zocht ze

voor zijn gedrag de oorzaak in haar eigen tekortkomingen. Ze dacht er

geen oogenblik aan hem te beschuldigen, ze beschuldigde alleen

zichzelve. En onder die zelfbeschuldiging leed ze, wat een vrouw die

liefheeft lijden kan.

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 76 / 85 题