Gouverneur-generaal terwijl de opvolger reeds benoemd is; grootheid
gevallen, lang voor hij—als andere gevallen grootheden—verdwijnen kan
in het niet van het ambteloos leven; heerscher over een land, hem reeds
vreemd geworden door de zekerheid dat hij het binnen enkele maanden
gaat verlaten; meester over dienaren die ongeduldig uitzien naar het
oogenblik waarop ze hem een haastigen afscheidsgroet, den nieuwen
landvoogd een juichend welkom zullen toeroepen... ’t is misschien de
moeilijkste toestand, waarin een hooggeplaatst ambtenaar, de
pijnlijkste, waarin een man van gevoel komen kan.
Den heer Van Waliënhove werd deze toestand niet aangenamer gemaakt door
de gedachte aan den man, die na hem den troon van Buitenzorg zou
beklimmen. ’t Was een der grootste tegenstanders geweest van het
afgetreden kabinet, ja, hij had zich, sinds hij zitting nam in de
Tweede Kamer, doen kennen niet slechts als de politieke bestrijder,
maar als persoonlijke vijand van den heer Verschuere, den nu gevallen
minister.
Betrekkelijk jong, lid eener invloedrijke familie, bezitter van een
groot fortuin, kon hij, schoon iemand van weinig studie en nog minder
ernst, de aandacht op zich vestigen door dit ongewoon verschijnsel in
’s lands vergaderzalen: een geestige, dikwerf scherpe repliek en een
schitterende welsprekendheid.
Die macht over het woord, een kort verblijf in de koloniën en het
tijdelijk de overhand hebben der partij, waarvan een ander de ziel, hij
de woordvoerder was, werd zoo handig geëxploiteerd, dat men hem koos
tot een der zwaarste en gewichtigste betrekkingen in ons staatsbestuur,
koos tot verbazing van Indië en Nederland beide.
De berichten dat de gouverneur-generaal zijn ontslag gevraagd had, dat
het was aangenomen, dat de benoeming van zijn opvolger was gedaan, wie
die opvolger was, volgden elkander in een zeer kort tijdsverloop; de
heer Van Waliënhove wist te goed wat de wereld is, had ook in zijn
vroegere diplomatieke loopbaan te veel gezien, om niet te begrijpen wat
deze berichten moesten uitwerken op zijn omgeving; hij was den tijd der
illusies te boven, wijsgeerig genoeg om van de menschen niet meer te
verwachten dan ze geven kunnen, verheven boven kleine gevoeligheden, en
toch...
O, men was onberispelijk in Buitenzorg en Batavia. Eerbiedig voor Zijn
Excellentie, hoffelijk voor mevrouw, lief voor Clotilde—ook na het
publiek worden van het engagement, dat trouwens een maand geleden
ongeloofelijk genoemd, nu alleen vrij dwaas gevonden werd—vriendelijk
zelfs voor de jonkers, met dit onderscheid dat wat tot nu toe
guitenstukjes heetten, op eens kwade streken werden.
Toch... om de lippen van den landvoogd kwam een weemoedig lachje
spelen... het eenig uiterlijk teeken van de pijnlijke operatie, die de
best voorbereiden, de best gewapenden, onder ons moeten ondergaan als
de fortuin ons den rug toekeert, het uitrukken der plant, die we
langzamerhand knoppen en bladeren hadden afgeslagen en haast dood
waanden, maar waarvan nu de wortels blijken te zijn gedrongen tot op
den bodem onzer ziel!
Men bezocht de recepties nog trouw, alleen... scheen het vroeger een
onderscheiding ten paleize te mogen verschijnen, nu had het er iets
van, alsof men den landvoogd een genoegen deed met te komen; men boog
nog even diep; men gaf hem nog alle eer... alleen op een andere wijze;
de heer Van Waliënhove verbloemde het zich niet—hij bestond niet meer
voor Indië, hij was nog slechts gouverneur-generaal in naam, de
werkelijke gouverneur-generaal was aan boord van de Radboud.
Ieder sprak over hem, ieder wist wat van hem te vertellen, en voor wie
zou durven beweren dat er kwaad gesproken wordt in onze indische
gezelschappen, ware het beschamend geweest te hooren hoeveel goeds ze
wisten, hoe waardeerend, hoe vol lof men was; waar een enkele het
waagde op minder gunstige maar onloochenbare feiten te wijzen, hoe
ijverig men daar zocht naar verontschuldigingen!
’t Was zoo genoegelijk dat men dezen keer niets behoefde te herroepen
of ongezegd te maken; niemand had gedacht aan de mogelijkheid eener
benoeming als deze, dus ook niet beproefd om, volgens gewoonte, de
ongeschiktheid van den candidaat te bewijzen. Dus kon men het onderwerp
vrij en naar verkiezing behandelen, bijzonderheden ter tafel brengen,
allerlei berichten opvangen, versieren en verspreiden naar hartelust.
Deze was bevriend met zijn oudtante en had van haar gehoord, dat hij
als kind geen andere boterhammen wilde eten dan boterhammen met
stroop—wat de suikerplanters een riem onder het hart bond; gene noemde
den burgemeester van zijn dorp oom en herinnerde zich op eens, hoe deze
hem had geroemd als de ijverige president van het liefhebberij-tooneel:
»In liefde bloeiende« en het letterkundig gezelschap: »Joost van den
Vondel«, wat d’Hannecour sprakeloos maakte van ontzetting; een derde
kende de baker, die hem eenmaal bakerde—die baker, van nu af
belangwekkend, was »de moeder van de meid van mama, moet u weten«, ze
leefde van haar renten in den Haag, heel netjes, en zij had verteld,
dat hij met één jaar liep als een haas en praatte als een dominé, wat
de moeders niet dikwerf genoeg hooren konden: immers ze hadden thuis
een dergelijk phenomeen, dat dus mettertijd ook gouverneur-generaal kon
worden.
De nieuwe landvoogd moest veel geleerd hebben, te oordeelen naar het
aantal dergenen die »jaren lang met hem op de schoolbanken hadden
gezeten«, en lang gestudeerd, in aanmerking genomen met hoevelen hij
»student geweest« was. Ook zijn zuster—hij had er ongelukkig maar eene,
en daar men niets mocht doen dan prijzen, was men daarover spoedig
uitgepraat—ook zijn zuster, die lieve geestige, beeldschoone vrouw,
scheen een ongewoon bekend persoon. Van zijn mama scheen men niets
anders te weten dan dat ze gravin was: over dat gravinschap raakte men
niet uitgepraat; ’t was dan ook een veilig onderwerp; alleen in zeer
intiemen kring sprak men van haar bekende schoonheid, haar veelbewogen
leven en haar vroegen, romantischen dood. Daarentegen vertelde men
gaarne van den vader: die scheen zijn geheele leven niet anders gedaan
te hebben dan zich intieme vrienden maken en daartoe bij voorkeur »den
ouwen heer« van alle mogelijke menschen op Java te hebben gekozen.
In ’t bijzonder bleken de dames ingenomen met de keuze van den nieuwen
onderkoning. Hij was rijk, niet waar? Zou deze dan nu eindelijk eens,
zooals het behoort, royaal zijn geheele inkomen verteren? Och, wat dit
betreft, heeft men zich niet te beklagen over de Van Waliënhove’s: ze
hebben veel gedaan, maar enfin, men zegt toch dat hij twee ton heeft
overgespaard, een die niets overspaart, een die alles besteedt aan
feesten en luxe, een die alles doet voor het behoud van het prestige,
dat is wat men noodig heeft!
En—nog jong. Dus het is uit met het rijk der deftige oudere dames.
Mevrouw Hagen cum suis kunnen haar matten wel oprollen. O, natuurlijk,
’t was heel prettig, zoo fatsoenlijk, zoo innig europeesch als de toon
werd in de laatste jaren, maar ’t zou ook wel aardig—zeker amusanter
ten minste—wezen, nu weer eens iemand te krijgen, die niet geheel
ongevoelig was voor... enfin voor zooveel dat de heer Van Waliënhove
niet scheen te zien... Jonge vrouwen beloofden zich gouden bergen van
de promotie, die manlief maken zou, schreven naar Parijs om nieuwe
toiletten en sneden, in afwachting dat die kwamen, haar oude een
vingerbreed lager uit voor de groote ontvangstreceptie.
En ongehuwd! Is het wonder dat moeders ter nauwernood het oogenblik
konden afwachten dat deze, van wien ze niets te hopen hadden, zou
plaats maken voor dien ander, die de hoogste eer, het grootste geluk
nog had weg te schenken?
Er waren onder de mannen velen, die deze opgewondenheid hunner vrouwen
en dochters niet deelden, die den nieuwen landvoogd, het creatuur eener
gehate richting, ongaarne zagen komen, die den aftredende hoog achtten
en beklaagden als het slachtoffer van staatkundige verwikkelingen, maar
deze zwegen... Men heeft vrouw en kinderen... men moet vooruitkomen;
nog een, zoo mogelijk nog twee rangen klimmen. Later, als men eenmaal
pensioen heeft, als men in Holland is, ja, dan zal men zeggen hoe men
denkt over dit en over zooveel meer.
Intusschen wordt het leeg en stil en vreemd rondom den onderkoning van
het Smaragden-eiland; zóó leeg en stil en vreemd, dat twee jonge harten
het kloppen van teederheid en verlangen bedwongen en op zijn vraag of
de groote dag nu niet spoedig wezen zou, antwoordden: »O neen, nog lang
niet; we blijven bij u zoo lang we kunnen!«
Hem was zulk een blijk van liefde vergoeding voor veel bitters; maar
wat kon de vrouw, die haar geluk zocht in eer en aanzien, die geen
vrienden had gewenscht, maar dienaren, geen genegenheid, maar
onderwerping, wat kon haar verzoenen met den nieuwen, ondragelijken
toestand. In machtelooze woede zag ze zich alles wat ze begeerd had
ontglippen.
Maar hoe men rondom haar veranderen mocht, zij bleef zich volkomen
gelijk, zij gaf geen duimbreed toe, zij was en bleef, meer dan ooit te
voren zelfs, de njonnja besaar.
In één opzicht alleen veranderde ze. Niemand mocht het vermoeden, voor
niets ter wereld zou ze het bekend hebben, maar ’t bleef niettemin een
feit—de omstandigheden hadden haar bijna met het huwelijk harer dochter
kunnen verzoenen.
Hier, waar ze een paleis te harer beschikking heeft en altijd door
vreemden is omringd, hier was dit kind uit het eerste huwelijk haar
reeds een bron van ergernis. Wat zou het dan niet zijn in de
betrekkelijk kleine ruimte eener hollandsche woning, in de beslotenheid
van den huiselijken kring! En wie stond haar borg, dat de veelbegeerde
dochter van den gouverneur-generaal ook dan en daar aanzoek zou krijgen
of ten minste een aanzoek, dat voldeed aan Clotilde’s wonderlijke
eischen? En al ware dit het geval, het werd tijd, meer dan tijd dat de
echtgenoot zich onttrok aan den invloed der vóórdochter, dat hij zich
wijden ging aan zijn zonen, de zonen, die erfgenaam zouden worden van
zijn ouden naam, van haar groot fortuin.
Slechts een tiental dagen voor het vertrek der familie naar Batavia zal
het huwelijk worden voltrokken en de barones wil het vieren met alle
pracht en praal. Niet omdat ze er eenige sympathie voor gevoelt;—als de
zalige verrukking der verloofden verstoord had kunnen worden, dan ware
ze het zeker door haar onvermoeide hatelijkheid;—maar om het publiek,
het publiek dat zich zoo ondankbaar toonde, te bewijzen dat, zoo het
menigmaal op schitterende wijze ontvangen werd in de
gouvernementshôtels, dit niet zoozeer was geweest om de gasten genoegen
te geven, dan omdat de heer en mevrouw Van Waliënhove het zich
verplicht achtten aan hun positie.
En zoo werden dan voor de laatste maal de marmeren trappen herschapen
in bloem waranden, de ruime zalen in prieelen; zoo werd wat jong en
schoon en vroolijk was genoodigd, totdat het paleis een feeënverblijf
geleek, vol gezang en gelach, vol blonde sylphiden en witte kleedjes;
zoo ontving geheel Buitenzorg, half Batavia en een groot deel van de
Preanger invitatiekaarten voor het bal champêtre, dat bij het helderste
maanlicht op een open plek gegeven werd; zoo overtrof het diner bij
gelegenheid van den ondertrouw alle vroegere diners in verfijnde weelde
en smaakvolle verrassing.
Wat mevrouw niet besteld, maar goede vrienden bedacht hadden, dit was
op den gewichtigen morgen het ontwaken der bruid door kinderstemmen.
Ze zongen een eenvoudig lied, maar onder de driehonderd knapen en
meisjes was er geen, die Clotilde niet had te danken, ’t zij voor een
geschenk aan den kerstboom, ’t zij voor een zak lekkers met Sint
Nikolaas; voor een bemoedigend woord als ze de school bezocht of een
lief knikje bij het ontmoeten op straat, en toen ze verscheen op het
balkon, hieven al die ronde gezichtjes, al die stralende oogen zich
naar haar op met innige liefde.
Ze stond naast hem dien ze heden zou verlaten: daareven ontving ze voor
het laatst den morgenkus van de lippen, die, zoolang ze zich
herinnerde, haar slechts kussen en groeten en goede woorden boden...
Hij had zijn arm geslagen om de bevende gestalte, hij zag haar aan
zooals slechts de minnaar of de vader staart in een lief gelaat, alsof
hij het wil opnemen in de diepste diepten zijner ziel; ze gevoelde dien
blik, maar durfde hem niet beantwoorden, want... het gezang stijgt tot
hen op met het innig aandoenlijke dat kinderstemmen hebben kunnen, en
in de gewijde stilte van den tropischen morgen komt de scheidingssmart
over haar.
Toen het lied ten einde was—te spoedig voor die smartvolle
omhelzing—toen hij zich afwendde en zij het diepgebogen hoofd ophief om
de kleine zangers te danken, toen deed ze dat uit den grond van haar
hart: vader en dochter wisten het, ofschoon ze elkaar nog vaarwel
zouden zeggen in tegenwoordigheid van anderen, dit was het oogenblik
geweest waarop de zoo nauw vereende harten voor het laatst elkander
tegenklopten. En aan dit oogenblik hadden de lieve kinderstemmen zijn
vlijmendste smart ontnomen; dit oogenblik, door beiden zoozeer
gevreesd, zou, bij al het pijnlijke, in hun herinnering iets liefelijks
behouden: zuchten en snikken, ja, maar overstemt door engelenkoor.
Op verlangen van bruid en bruidegom werd het huwelijk niet voltrokken
ten stadhuize, waar alles zoo herinnert aan de treurige waarheid dat de
verbintenis van twee wezens, door de heiligste wet der natuur tot
elkaar gebracht, in den loop der eeuwen een zaak werd door de wet
geregeld; evenmin in de kerk, waar de naakte wanden en het slecht
bespeelde orgel en de over het kiezel rollende rijtuigen alle
verheffing verstoren, maar in de woning, die getuige was van hun
strijd. En daar troonden ze te midden van bloeiende oranjeboomen en
blozende rozentuilen en geurige gewassen; daar troonden ze in de
aureool, die de liefde vlecht om de hoofden harer uitverkorenen; daar
troonden ze in de hemelsche zelf-genoegzaamheid van den eersten
huwelijksdag, een godenpaar gelijk. Al dat gedwarrel van
gelukwenschende gasten, al die glimlachende gezichten, al die vleiende
woorden, ze bestonden niet voor hen, ze zochten slechts elkaars oogen,
ze drukten slechts elkaars handen, ze smachtten slechts naar de
ontmoeting van elkaars lippen; ze vermoedden het niet hoe de gloed, die
lichtte uit hun oog, menig verkild hart verwarmde; ze vermoedden het
niet hoe de glans, die uitging van hun jeugd en schoonheid, hen hulde
in een stralenkrans van sympathie; ze vermoedden het niet hoe, toen de
prediker het amen uitsprak, de bevallige bruid over den ernstigen
bruidegom zooveel had uitgestort van de wondermacht der liefde, dat er
in geheel dit groote gezelschap niet één was, die haar keuze durfde
afkeuren; ze vermoedde het niet hoe in dit oogenblik de man op de
Radboud vergeten was, om slechts de dochter der Van Waliënhove’s, die
zonnestraal van het paleis te zien, om slechts mede te gevoelen met dat
bleek gelaat aan hare zijde, met die edele figuur, meer dan door de
politieke moeielijkheden, meer dan door huiselijke bezwaren, gebogen,
geknakt bijna door de smart der scheiding.
Neen, ze vermoedden het niet, maar wat deed het er toe? Halfgoden als
ze waren door de liefde, konden de menschen niets toe- of afdoen aan
hun geluk. Hun verbintenis mocht de wereld rondom hen een gruwel zijn,
er mocht een hoongelach opstijgen uit die menigte, zij stonden tusschen
de bloeiende oranjeboomen en blozende rozentuilen zóó hoog dat het hen
niet bereiken kon... Toen de avondzon roodgloeiend weerkaatst werd in
het metaal van den extratrein die hen wegvoerde, en een heerlijken
glans tooverde om de zoo dicht vereende gestalten, toen wisten ze ter
nauwernood, dat daar al die menschen achterbleven om feest te vieren te
hunner eere; ze wisten alleen dat zij slechts elkander behoefden voor
het hoogste en heerlijkste feest, het feest der liefde.