In ’s landvoogds kabinet zijn drie heeren te zaâm: de
gouverneur-generaal, de vice-president, en de algemeene secretaris.
Sedert geruimen tijd heerscht om de groote tafel vol stukken en
besluiten een diepe stilte, en als eindelijk baron Van Waliënhove die
stilte verbreekt, draagt zijn bleek, vermoeid gelaat de uitdrukking van
den diepsten ernst, spreekt hij zeer langzaam, als woog hij ieder
woord, maar ook vastberaden, als iemand die meester is van den
toestand.
»Mag ik u herinneren dat ik uw oordeel gevraagd heb, mijnheer Hagen?«
zegt hij beleefd.
»Excellentie!«—de vice-president is in hooge mate zenuwachtig—»duid mij
niet ten kwade dat ik zoolang aarzelde het uit te brengen... ’t besluit
dat u nemen wilt is zoo gewichtig in de gevolgen...«
»Laat u dit niet weerhouden. Het heeft mij altijd een lafheid geschenen
om bij belangrijke beslissingen de verantwoordelijkheid op vreemde
schouders te willen laden; daarom vroeg ik in deze uw meening, niet uw
raad. Bedenk dit en spreek ronduit.«
De vice-president ziet geen uitweg. Hij neemt het lijvig dossier, dat
voor hem op tafel ligt in handen en verwenscht—voor de honderdste maal
wellicht—de betrekking, die hem dwingt in zulke moeielijke
aangelegenheden zijn opinie te zeggen. Om zich een weinig van het
gewicht en de zekerheid te geven, die hem zoozeer ontbreken, neemt hij
deftiger houding aan, kucht eens en begint alsof hij het woord richtte
tot een vergadering van minstens tien personen: »Excellentie! De
kennisname van de uiterst épineuse zaak, welke wij in dit oogenblik
behandelen, heeft op mij een ongewoon pijnlijken indruk gemaakt, dubbel
zoo, omdat het resultaat waartoe de hooge regeering gemeend heeft te
moeten komen, mij toeschijnt een miskenning te zijn des persoons van
den vertegenwoordiger des konings in deze gewesten. Mijn
oorspronkelijke meening was dan ook, dat Uwer Excellentie niets te doen
overig bleef dan het bevel door het opperbestuur gegeven ten uitvoer te
leggen en uwe demissie te vragen.«
De gouverneur-generaal buigt even het hoofd.
»Maar ik ben,« en Hagen laat even onverwacht als hij haar aannam den
officieelen toon varen, »maar ik ben na rijpe overweging tot andere
gedachten gekomen. In iedere ambtelijke loopbaan doen zich oogenblikken
voor, waarin billijke verontwaardiging onderdrukt, eigen wenschen
verloochend, ja zelfs persoonlijke meeningen opgeofferd moeten worden
aan het algemeen belang; ik vraag me af, of misschien in de loopbaan
van Uwe Excellentie dit oogenblik niet is aangebroken; ik vraag me af,
of Indië al weder mag worden opgeofferd aan het drijven eener partij in
Nederland. U weet, Excellentie, vleierij is mij vreemd, maar, ik kan
het in een oogenblik als dit niet verzwijgen, ik heb de innige
overtuiging dat het hier de welvaart, den vooruitgang, het rechtvaardig
bestuur van millioenen geldt en—in naam dier millioenen zou ik u willen
vragen, verdraag het onmogelijke en blijf!«
»Dit verzoek—van uwe lippen een hulde—geeft me recht tot een vraag.
Gelooft u, mijnheer Hagen, dat deze millioenen nut zullen trekken van
mijn bestuur, wanneer dat bestuur krachteloos gemaakt wordt door
regeeringsbesluiten als dat hetwelk daar voor u ligt? Gelooft u niet,
dat de weinige samenwerking tusschen het tegenwoordig ministerie en mij
noodzakelijk conflicten ten gevolge moet hebben, die niet anders dan in
het nadeel van Indië kunnen werken? Hebt u niet met mij de overtuiging
dat een bestuur, welk ook—in zich zelf verdeeld—daardoor reeds
onvruchtbaar is?«
»Het ministerie kan vallen.«
»Wat u daar zegt is voldoende antwoord op mijn vraag; het bewijst dat u
met dit ministerie weinig vertrouwen hebt in de goede gevolgen van mijn
aanblijven. Welnu, we weten het; dit ministerie valt niet in den
eersten tijd.«
Zich thans keerend tot den algemeen en secretaris, gaat de heer Van
Waliënhove voort: »Zou ik ook uwe meening mogen vernemen, mijnheer
Verschuere?«
Hoewel hij meer dan iemand het aftreden zou betreuren van dezen
beminlijken chef, wien het een genot was te dienen, is Verschuere
volkomen meester van zijn gevoelens en spreekt hij op den kalmen,
zakelijken toon, dien hij bij een advies over de meest gewone kwestie
zou aanslaan:
»De heer Hagen heeft daar een woord gebruikt, dat ik alleen behoef te
herhalen om Uwe Excellentie mijn meening te zeggen; het onmogelijke.
Wat van Uwe Excellentie gevraagd wordt is het onmogelijke. Het is de
verloochening van alles wat u in deze jaren hebt gedaan, gedacht,
gewild; de vernietiging van geheel uw politiek leven. Evenals de heer
Hagen ben ik diep doordrongen van het feit, dat Indië door uw heengaan
een zwaar verlies zou lijden, maar in mijn oog is de naam door een
lange reeks van voorvaderen met eere gedragen, de naam door verleden en
toekomst behoorend aan de geschiedenis, een zeer kostbaar bezit en...«
»Ga voort, mijnheer Verschuere.«
»Naar mijn bescheiden meening zou het aanblijven van Uwe Excellentie na
zulk een bevel een zwakheid zijn, een inconsequentie zóó groot, dat ze
op dien naam een smet kon werpen. En dit—het moet me van het hart—zou,
indien ik baron Van Waliënhove was, mij zelfs Indië niet waard zijn.«
Er volgt een oogenblik van stilte. Dan spreekt de landvoogd misschien
iets zachter, iets meer ontroerd dan daareven: »Ik dank u mijne
heeren.« En straks, na een veel langere pauze: »U hebt beiden zeer
waardeerend gesproken over het voordeel dat Indië zou trekken uit mijn
aanblijven... Behoef ik het te zeggen aan de ambtenaren, die het meest
van nabij mijn streven hebben gezien en—ik erken het dankbaar—me daarin
trouw bijgestaan, behoef ik het hun te zeggen dat deze gedachte mij
zwaren strijd baart? U beiden weet het, beter nog dan anderen, dit land
is me lief, te liever wellicht omdat het me zooveel zorg en
hoofdbrekens kostte: immers men zegt dat de moeders het meest hangen
aan haar hulpbehoevende kinderen.«
»’t Kan u een troost zijn dat u er zooveel voor deedt,« zegt
Verschuere.
»O, niet genoeg, niet genoeg! Drie en een half jaar is een korte
tijd... een menschenleven zou ternauwernood voldoende zijn om al mijn
plannen ten uitvoer te leggen. Maar laat ons er niet van spreken... ik
heb geen reden van klagen, ik ben altijd krachtig gesteund door mijn
vriend, uw oom... Hoe goed begrijp ik nu de sombere, bijna moedelooze
stemming, waarin mijn voorganger me het bestuur overgaf... ’t is zoo
hard een werk half afgedaan te moeten laten. Maar we mogen ons niet
verdiepen in hetgeen had kunnen zijn; laten we denken aan hetgeen wezen
moet. U begrijpt, mijn besluit is genomen, ik wensch nog heden het
bevel mij gegeven ten uitvoer te leggen, maar, alvorens daartoe over te
gaan, het telegram te verzenden, waarbij ik Zijne Majesteit verzoek mij
van mijn ambt te willen ontslaan?«
»Uw besluit is dus onherroepelijk?«
»Onherroepelijk!«
De gouverneur-generaal ziet in de trouwe oogen van den vice-president
een traan, ziet groote bekommernis op Verschuere’s gelaat en met zijn
weemoedig glimlachje treedt hij op hen toe en drukt hen de hand.
»Later, in de Witte, onder een partijtje, denken we nog eens aan dezen
morgen. Ik mag immers op u rekenen als partners?« Maar dan laat hij den
schertsenden toon varen en zegt met die diepe stem, die hem, in
oogenblikken van aandoening zoo welsprekend maakt: »Dat we als vrienden
op elkaar kunnen rekenen, weten we.«
Een uur later is alles geregeld en vertrekken de beide ambtenaren. Dan
staat de heer Van Waliënhove een oogenblik onbewegelijk, alsof hij
aarzelde de taak, die hij op zich nam, te volbrengen; hij zinkt
lusteloos, strijdensmoe terug in zijn leunstoel. Peinzend drukt hij de
handen tegen het voorhoofd en zucht. Doch straks, met een krachtige
beweging, strijkt hij de grijze lokken weg, richt zich op in zijn volle
lengte en gaat met vasten tred naar dien kant der breede vestibule,
waar mevrouw Van Waliënhove’s vertrekken zijn.
Hij wacht met de kruk der deur in de hand. Hoort hij daar niet
Clotilde’s stem?... Gelukkig toeval, dat hem een pijnlijk tête a tête
gaat besparen!
Zooals blijkt uit het feit dat Clotilde de morgenuren in het zitvertrek
harer moeder doorbrengt, is de verhouding tusschen de beide dames
sedert het uitstapje naar Tjipanas en Van Beevelants afwezigheid
verbeterd: wel spreekt mevrouw, als van iets dat lang voorbij is, over
»die dwaze historie met het schoolmeestertje«, maar Clotilde is sterk
door het geluk, en dankbaar voor de groote liefde haars vaders, bewaart
ze om zijnentwil den vrede; ondertusschen borduren ze te zamen een
scherm voor de fancy-fair, die men op Batavia ten voordeele der
weesinrichtingen gaat houden.
Mevrouw begroet haar echtgenoot met een verwonderden blik: ze is niet
gewoon ochtendbezoeken van hem te ontvangen; Clotilde gaat hem
tegemoet, strijkt hem zacht met de hand over zijn gelaat, als kon ze de
diepe rimpels wegvagen en schuift dan een lage fauteuil naar het kleine
tafeltje, waaraan zij en haar moeder gezeten waren bij zijn
binnentreden.
»Leg je werk even weg, Suzanne, wil je?« vraagt hij op den beleefden
toon, dien hij altijd jegens zijn vrouw in acht neemt; »ik wenschte je
een mededeeling te doen.«
»Clotilde, je papa wil me spreken.«
»Neen,« valt hij haastig in, »laat haar blijven.«
»Dan zal de mededeeling ook zoo heel belangrijk niet zijn,« en mevrouw
legt het satijn, dat ze juist begon op te vouwen, weer voor zich open.
»Ga zitten, Clotilde... Ik ben hier gekomen om mijn vrouw en dochter te
zeggen, wat ze het recht hebben vóór iemand anders te weten: dat er een
groote verandering gaat plaats vinden in onze omstandigheden.«
»Een verandering? En welke, als ik vragen mag?«
»Ik zou alvorens verder te gaan je wel een verzoek willen doen. Je zult
onaangenaam getroffen zijn, vrees ik. Als je kunt, spaar me dan een
weinig. Bedenk dat ik zeer moe ben, dat dit besluit me ontzaglijk veel
heeft gekost. Ik heb daareven een telegram verzonden. Met dat telegram
verzoek ik mijn ontslag.«
»Je ontslag?«
»O, papa!«
»Je ontslag? Neen, dat is onmogelijk! Je ontslag!«
»Lieve, beproef bedaard te blijven. Beproef de zaak te beschouwen in
het ware licht. Als je weet wat me er toe bracht mijn demissie te
nemen, wat me dwingt heen te gaan, zul je me toestemmen dat ik niet
anders handelen kon, niet anders handelen mocht.«
»Nooit! Nooit!«
»Luister dan toch, Suzanne! Als je alles gehoord hebt...«
»Neen,« gilt ze, »ik wil er niet van hooren. Ik weet dat het
krankzinnigheid is. En al praat je een uur lang, het blijft
krankzinnigheid. Ja, het krankzinnigste wat je nog gedaan hebt in je
leven. En dat zegt iets!«
Vreeselijk is dat anders in zijn regelmatigheid schoon gelaat
vertrokken, vreeselijk de schelle klank dier stem, vreeselijk de
stekende uitdrukking dier zwartglinsterende oogen.
»Mama! O mama, ik bid u, bedaar!«
»Vrouw, in Godsnaam, laat het genoeg zijn. Dit bericht kan je niet zoo
geheel onverwacht komen. Je herinnert je, wat ik je gezegd heb, toen de
begrooting werd afgestemd? Hoe we ons moesten vertrouwd maken met het
denkbeeld, dat mijn aanblijven een kwestie van maanden kon zijn. Je
weet wat in den laatsten tijd gedaan is om me het bestuur moeilijk te
maken. Nu heeft men mij een slag in het aangezicht gegeven...«
»Och kom, ’t zal zoo erg niet zijn. Je bent ook zoo gevoelig!«
»Wat! Niet erg?... Men wil dat ik herroepen zal, wat een mijner eerste
en ingrijpendste regeeringsdaden was!«
»Welnu, dan herroep je.«
»Dat ik te niet zal doen wat, volgens mijne innige overtuiging, het
eenig middel is om Indië’s achteruitgang...«
»Welnu, dan doe je te niet!«
»Maar Suzanne, bedenk toch wat je zegt... dat zou een laagheid wezen.«
»Beter een laagheid dan een domheid!«
»O God!« Hij kermt als van pijn. Hij weet hoe verachtelijk ze denkt,
hoe laag ze staat. En toch, bij ieder nieuw bewijs er van lijdt hij.
Clotilde, bleek van verontwaardiging, keert zich tot haar. »O, ik dank
God, dat u mijn moeder niet zijt!« En dan: »Papa, u weet het, niet
waar? ik ben het niet met mama eens! Ik ben uw kind... ik stel de eer
boven het voordeel!«
»Domme eend,« roept mevrouw, buiten zich zelve over die inmenging,
»begrijp je dan niet, dat het je eigen nadeel is waarvoor je pleit? Het
zal je duur te staan komen, als je je vader steunt in zijn Don
Quichotterie! Jullie praat van laagheid. Maar ik vraag je, is, wat je
nu doen wilt, je kinderen benadeelen, is dat zoo edel? Ja zeker, dat
doe je, je benadeelt je kinderen! Zij zullen je later vragen waarom je
de honderdduizenden, die hier voor je klaar liggen, niet liever hebt
verdiend dan in Holland lui en lekker te gaan leven van je vrouws
geld!«
Met hijgende borst en vlammenden blik is Clotilde opgesprongen als om
zich te stellen tusschen haar vader en de furie, die hem zoo grievend
hoonen durft. Een oogenblik brengt die onwillekeurige beweging harer
stiefdochter mevrouw Van Waliënhove tot zwijgen, een oogenblik slechts;
dan barst ze op nieuw los in de laagste en domste verwijten. Maar ze
deren haar echtgenoot niet meer, ze deren hem zoomin als de storm ons
deert, wanneer wij in een goed gesloten huis zijn vlagen hooren loeien;
zijn kind heeft de armen geslagen om zijn hals en fluistert woorden van
sympathie en waardeering.
Eindelijk heft hij het hoofd op, de beleedigster ziet hem in de oogen,
en ze weet dat ze te ver gegaan is.
»Is u gereed, mevrouw Van Waliënhove? Wat mij betreft, na alles wat u
gezegd hebt, heb ik niets meer te zeggen. Alleen wensch ik enkele zaken
te regelen met het oog op ons vertrek. De eerste maatregel, die genomen
moet worden, is het publiek maken van Clotilde’s engagement. Dit zal
reeds morgen plaats vinden.«
»Papa! Is het mogelijk!«
»Clotilde’s engagement? Is Clotilde geëngageerd? En met wien als ik
vragen mag?« Dan, als ze het stralend gelaat harer stiefdochter heeft
gezien, roept ze hoonend: »Met het schoolmeestertje, wil ik wedden?« en
barst uit in een schaterlach, die aan de hel doet denken.
»Ja,« spreekt de gouverneur-generaal rustig, »met het schoolmeestertje.
Maar je zult nu zijn titel moeten veranderen en hem »het
adjunct-inspecteurtje« noemen. Ik heb hem bij financiën geplaatst,
Clotilde, en ik twijfel niet of met zijn capaciteiten zal hij daar een
mooie carrière maken. Is het naar je zin?«
»O lieve, beste papa! hoe zal ik u genoeg danken?«
»Kom, ga met me mede... we hebben veel te bepraten, van avond staat
zijn benoeming in de courant en—morgen komt hij zijn bruidje
begroeten.«
Maar de stiefmoeder treedt hen in den weg.
»Ik wil het niet!« hijgt ze; »ik wil het niet!«
»Ik wil het!«
Ze deinst terug. Eenige weinige malen in hun huwelijksleven heeft hij
haar aangezien met dien blik, heeft hij tot haar gesproken op dien
toon; ze weet dat er dan niets te veranderen is aan zijn
onverzettelijken wil.