TERUG OP BUITENZORG.

Mevrouw Verschuere is sints een paar uur thuis en alleen; zóó alleen

als slechts een vrouw zonder kinderen zijn kan in haar eigen woning.

Ze loopt rond met het eigenaardige gevoel, dat na een afwezigheid ons

de bekende voorwerpen doet begroeten als oude vrienden; ze gaat eens

naar haar bloemen en plukt een paar dorre blaadjes af; ze bekijkt de

jonge hondjes, kort vóór haar vertrek geboren; ze geeft de vogels een

stukje suiker en tracht zich wijs te maken dat ze haar gemist hebben;

ze overtuigt zich dat haar poesjes de vrouw nog kennen... dan schikt ze

de ornamenten in het boudoir wat terecht, dan begint ze thee te zetten,

dan kijkt ze op de pendule en vraagt zich af, of die wel gelijk is met

de klok in de achtergalerij; haar docht het moest later wezen.

Neen, alle klokken zijn precies gelijk, ’t is drie en een halve minuut

over vijven.

Dan zinkt ze met een zucht in den schommelstoel en begint te wippen.

Maar om lang te wippen zonder zenuwachtig te worden moet men een

indische zijn; dus springt ze op en zegt tot zich zelve dat het

Verschuere’s schuld niet is, iets wat ze reeds honderdmalen tot zich

zelve gezegd heeft sedert ze dezen morgen zijn telegram ontving op

Tjiandjoer.

Immers, wat kan hij er aan doen, als Zijne Excellentie hem op zoo’n

ongelegen oogenblik die opdracht geeft? ’t Is natuurlijk een zaak van

gewicht, een zaak waarbij alles afhangt van een spoedige behandeling!

Morgen vergadert de raad van Indië in buitengewone zitting, daar staat

het zeker mede in verband; misschien moet hij inlichtingen geven, die

geen ander verstrekken kan...

Daar valt haar blik in den spiegel: hoe zal hij vinden dat ze er

uitziet? Zal hij opmerken dat ze bleek, dat ze weer achteruitgegaan is?

Had ze maar kunnen rusten van middag, ’t zou haar wat hebben opgeknapt.

Maar ze heeft zich met ongewone zorg gekapt en gekleed en och! als hij

komt zal ze er zeker goed uitzien; ze ziet er altijd goed uit als ze

gelukkig is.

Gelukkig!... waarom heeft ze toch ook die slechte gewoonte zich van

alles te veel voor te stellen?

Natuurlijk dat hij, vermoeid van dien rit heen en terug naar Batavia,

natuurlijk dat hij, met al die drukten aan zijn hoofd, niet zoo

opgewonden kan zijn als zij, die in de laatste dagen aan niets dan dit

weerzien heeft gedacht.

»En, kleintje, hoe heb je het gehad?« vraagt Verschuere straks, als hij

zijn bad genomen heeft en nu geheel verfrischt naast haar zit aan de

theetafel. »Veel regen, niet waar en weinig afleiding?«

»Och, we hebben ons geen oogenblik verveeld. De dagen vlogen om.«

»Werkelijk? Nu, des te beter. Clotilde is dan ook een gastvrouw om je

zelfs door een westmousson op Tjipanas heen te helpen. Maar nu ik je

aankijk... zie je er niet zoo goed uit, als ik daar straks aan den

trein wel meende; niet zoo goed ten minste als ik gehoopt had na het

prachtig resultaat van die eerste veertien dagen.«

»Je moet niet vergeten dat jij toen bij me was.«

»Neen, vleister, je kunt me niet om den tuin leiden, ’t komt volstrekt

niet van mijn weggaan. Je bent den eersten tijd na mijn vertrek altijd

gezonder geworden en zelfs dikker... heb je me niet geschreven dat het

je moeite begon te kosten je japonnen dicht te krijgen? Zeg? Maar

mevrouw ging tochtjes maken, tochtjes naar Tji Burm... in ernst,

liefste, ik begrijp niet hoe jullie met je allen niet wijzer geweest

bent. Wie doet dat nu in den westmousson, ’s middags op weg gaan?«

»We konden toch niet allen op Tjibodas blijven.«

»Je hadt in ’t geheel niet op Tjibodas moeten komen. Als jullie

volstrekt eten moest, waarom dan niet de koude keuken meegenomen en

ergens in ’t bosch op een omgevallen boomstam gaan zitten? Enfin,

Paerel heeft er reeds genoeg over moeten hooren.«

»Je hebt anders waarlijk geen reden om boos op hem te zijn,« roept ze

en voegt er dan met hooger blos bij: »Hij is als een vader voor me

geweest.«

»Ja?... Dan toch als een vader die zijn dochter laat kouvatten en

natregenen. Heb je erge koorts gehad?«

»Koorts? Och kom! ik was ’s avonds wat huiverig, dat is alles!« en ze

maakt het zich druk met het inschenken van de thee.

»En je bent vier dagen lang in je kamer gebleven! James vertelde me,

dat hij je niet meer gezien heeft sedert dien bewusten tocht... A

propos, waarom is hij nog vóór jullie terug gekomen?«

»Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed..«

»Je vermoedt?«

»Ja, zie je, ik weet niet of ik wel goed doe met je te zeggen wat de

reden is geweest van zijn onverwacht vertrek. Hij heeft me gevraagd er

mede te wachten.«

»Je maakt me nieuwsgierig, Nita!«

»Och, ’t is een lange geschiedenis. Om dan te beginnen met het

begin...«

»Een lange geschiedenis! Morgen, wil je? Of straks, als ik thuis kom.

Weet je ook of Mingo mijn pakkean reeds heeft klaar gelegd?... Ja,

lieve, daar is nu niets aan te doen, ik moet even naar ’t paleis. ’t

Treft ellendig, dat stem ik je toe! Maar dit beloof ik je, ik doe

verslag van mijn zending en kom dadelijk terug. Nu, niet zoo

teleurgesteld kijken, liefste.«

Ze tracht er vroolijk uit te zien: ze helpt hem kleeden om nog enkele

oogenblikken bij hem te kunnen zijn; ze brengt hem tot aan den ingang

van het paleis, waar ze niet behoeft te vragen of hij gewacht wordt: er

brandt licht in de werkkamer van Zijne Excellentie; Van Suylichem, die

dienst heeft, leidt hem regelrecht naar binnen en fluistert dat reeds

tweemaal naar hem gevraagd werd.

Dadelijk—blijkt te zijn anderhalf uur later.

Mevrouw Verschuere verstaat de kunst niet, die bij sommige vrouwen een

macht is, ze boudeert nooit; als hij eindelijk thuis komt, lang nadat

het avondschot viel, treedt ze hem tegemoet met vriendelijk gelaat.

»Arme man, je zult wel doodaf zijn... Nu, ’k heb een heerlijk dineetje.

Mevrouw Hagen heeft oesters gestuurd en ik heb een flesch van je oude

lievelingswijntje uitgegeven...«

»Oesters? Heerlijk! Maar wijn drinken zou ik niet durven. Ik moet nog

werken van avond. Morgen vertrekt de mail en... ja, kindlief, ik weet

wel... je denkt dat ik mijn belofte slecht houd de eerste keer de

beste... Neen, spreek het maar niet tegen... maar mijn God, Nita, wat

moet ik doen? Ik kan den gouverneur-generaal toch geen koopje geven,

omdat mijn vrouw thuis komt?«

»Neen, zeker niet, dat zou ik niet willen,« zegt ze dapper.

Maar straks, als hij aan zijn schrijftafel zit, hoort hij den lichten

tred, dien hij meer gemist heeft in den laatsten tijd dan hij zich op

dit oogenblik wel bekennen wil.

Haastig, knorrig bijna, ziet hij op van zijn werk, maar dan blijft zijn

blik met teederheid, met hartstochtelijken gloed rusten op de

bekoorlijke gestalte in het licht rose kleedje.

»Kind! Als je wist hoe ik me zelf geweld aandoe...«

»Neen, ik kwam je niet storen, lieve... ik kwam je alleen maar vragen

of ik je niet wat helpen mag? Je weet wel, laatst, toen ik de

staatsbladen voor je heb nageslagen... je vondt toen dat ik het nog al

goed gedaan had, niet waar?«

Ze is nader getreden; hij ziet haar in het lief gelaat, frisch getint

door de berglucht; hij neemt een zijden lok tusschen de vingers en

antwoordt verstrooid: »O, uitstekend, uitstekend!« en kust dien lok.

Dan strijkt hij met de hand over de oogen, keert zich haastig van haar

af, neemt zijn pen weer op...

»Of ik zou misschien, zooals dien anderen keer, iets in ’t net kunnen

schrijven... of uittreksels maken?«

»Dank je, lieve. Wat ik van avond te doen heb is geheim.«

Geheim! Ze is te bescheiden om het uit te spreken, maar... geheim!

Alsof ze niet weet dat de benoeming van het nieuwe ministerie een

grooter teleurstelling was dan de val van het oude; alsof ze niet weet

dat de tegenwoordige minister van koloniën de verklaarde vijand is van

de politiek, door den vorigen gevolgd, alsof ze niet weet dat er zoo

vergaderd wordt op elk uur van den dag en gewerkt tot in ’t holle van

den nacht, omdat er strijd is, vinnige strijd!

Straks klinkt haar stem weder in de stilte van het studeervertrek,

slechts verbroken door het krassen van de pen, die telkens woorden moet

uitschrappen, telkens verwarde volzinnen regelen, maar nu aarzelend,

fluisterend bijna: »Mag ik dan... je moet het niet kinderachtig

vinden... we zijn zoo lang gescheiden geweest... mag ik dan stil

blijven zitten, hier? dicht bij je?«

»Je zult je vervelen, liefje.«

»O neen! ik zal je sigaar ruiken en het schuiven van je papier hooren

en—ik zal je zien!«

»Dwaas kindje!«

Ze zit stil als een muis in haar bescheiden hoekje. Alleen nu en dan,

als het avondkoeltje binnenzweeft door de geopende vensters, voert het

hem haar lievelingsodeur, den geur van viooltjes toe; alleen nu en dan

wordt hij aan haar herinnerd door het spinnen van de poes, die zachtjes

kwam binnensluipen en in haar schoot ligt; alleen als hij opziet

ontmoet hij de lieve oogen met hun droomerige uitdrukking... Toch kan

hij niet doorwerken, toch neemt haar tegenwoordigheid al zijn gedachten

in, toch ziet hij haar, ook al beproeft hij met al wat in hem is haar

niet te zien... Daar schrikt ze op met blijde verrassing, hij heeft

zijn pen ver van zich geworpen, zijn stoel terug geschoven.

»Neen, dat is al te gek! Daarvoor heb ik te veel naar je verlangd... er

mag van komen wat wil... Nita... liefste vrouw!«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 66 / 85 题