De linten harer muts zedig om de driedubbele kin gestrikt, de dikke
witte handen in den reusachtigen schoot gevouwen, verklaarde juffrouw
Kwake, dat nu mijnheer Verschuere weg en die levenmaker in zijn plaats
gekomen was, ze vreesde heel wat te stellen te krijgen met het »jonge
goedje«. Maar Marie, de mooie kamenier en Jansen, de aardige
opzichter—die bijzondere redenen hadden om een niet al te groote
waakzaamheid bij juffrouw Kwake te wenschen—noodigden haar om een
glaasje sherry te drinken, wèl wetend dat ze alleen de wereldsche zaken
zoo ernstig opnam, als ze zich nog niet bemoedigd had. Daar ze zich
meest vier- of vijfmaal daags bemoedigde, had niemand reden om in haar
de duenna te zien; er werd gecroquet, gebiljard, ja, zelfs een enkele
maal, met de nu geheel herstelde kleintjes van mevrouw Huntvelt,
blindemannetje gespeeld op het gazon.
Wel vroeg Clotilde, nog min of meer Heine-achtig gestemd, zich soms af,
of ze niet aan vlagen van zwaarmoedigheid moest lijden, en hinderde
haar de gedachte dat Van Beevelant nu blootstond aan al de vinnigheid
der stiefmoederlijke aanvallen; maar daar meldde de courant dat »Zijne
Excellentie besloten had om, ter bevordering van land- en volkenkennis
bij zijne zonen, hen onder leiding van hun gouverneur een reis te laten
maken over Java!«
Toen het bericht bevestigd was door een langen brief aan het adres van
mevrouw Verschuere, zette Clotilde zich dadelijk tot schrijven, om papa
te bedanken voor wat ze zijn »subliem idée« noemde. En ’t was uit den
grond van haar hart dat ze er bijvoegde:
»Ik weet, vadertje, dat het eigenlijk niet behoort voor een geëngageerd
paar, dat ze zich zoo goed weten te schikken in de scheiding, maar
Frans’ brieven aan Agnita zijn opgewekt, zelfs vroolijk, en wat mij
betreft, ik ben tevreden, om niet te zeggen gelukkig. Vreemd, niet
waar? Of zou het misschien komen doordat wij niet zooveel behoeven te
vragen van het heden als anderen wie de toekomst niet het hoogste en
beste belooft?«
Ook mevrouw Verschuere had weinig te wenschen overig na dien laatsten
avond met zijn schoone beloften; alleen zou ze op haar brieven gaarne
een ander antwoord ontvangen hebben dan korte epistels in
telegramstijl. Maar ze wist dat er dezer dagen over groote belangen en
moeielijke kwesties werd gehandeld in het kabinet van den landvoogd, en
troostte zich met het denkbeeld dat een crisis nooit lang duren kan en
het na de crisis alles anders worden zou.
Bijna dagelijks werden uitstapjes ondernomen, grooter naarmate reeds
bezocht was wat in de buurt lag, prettiger naarmate men zich beter
leerde wapenen tegen de regenbuien, die, ofschoon te verwachten in
dezen tijd van het jaar, altijd onaangename verrassingen bleven;
gemakkelijker naarmate men zich gewende aan de wegen, die reeds den
invloed begonnen te vertoonen van den westmousson.
Sinds lang was er sprake van een tochtje naar de watervallen van Tji
Burm, maar telkens kwam er iets tusschenbeide. Toen eindelijk een dag
bepaald en de morgen van dien dag aangebroken was, wenschte men elkaar
geluk het zoolang te hebben uitgesteld; men trof een bedekte lucht. Een
bedekte lucht! het eenig denkbaar geval dat bij het oostersch klimaat
een buitenpartij genot kan zijn; de tropische natuur zonder brandenden
zonnegloed, ’t is of men een geestige vrouw aantreft in zachte
stemming; nu men de pijlen van haar vernuft niet heeft te vreezen, kan
men eerst de gaven van haar hart, de schoonheid van haar gelaat
waardeeren.
Men had afgesproken klokslag zeven te vertrekken, en daar er drie dames
meegingen—waarvan eene kleintjes achterliet—was het dus over half acht
alvorens men op weg kon gaan.
Het gezelschap bestaat uit mevrouw Huntvelt, wier kinderen, dank zij
het heerlijk klimaat, geheel hersteld zijn en die, nu eindelijk van
zorg bevrijdt, haar jong hart en jong gezichtje terugvindt bij al de
genoegens die de dames van Tjipanas haar aandoen; de heer Paerel, die,
op weg naar zijn proeftuin, zich gaarne aansloot bij het vroolijk
clubje; een overste van de marine, oud vriend der Van Waliënhove’s, die
op Sindanglaya logeert tot herstel zijner in het vroolijk Batavia
geschokte gezondheid, en Van Suylichem met zijne beide dames.
Het is nog vrij koud en dus besluit men te beginnen met een wandeling,
om dubbel te kunnen genieten van dat overschoon panorama, een tropisch
landschap, langzaam rijzend uit den morgendamp. Maar mevrouw Huntvelt
is een Amsterdamsche en vindt dus een bergpad vermoeiend, de overste,
die liever niet bekent dat hij geen twintig, ja zelfs geen veertig meer
is, houdt zich of hij zijn voet gestooten heeft en beiden beklimmen de
paardjes. Weldra volgt Clotilde met haar cavalier hun voorbeeld: zij
wenschen binnen den kortst mogelijken tijd boven te zijn, om daar van
het vergezicht te genieten vóór de stijgende zon dit verhindert.
Mevrouw Verschuere is uit den aard der zaak de laatste bij een
gelegenheid als deze: paardrijden werd haar verboden, van een voertuig
kan geen sprake zijn bij de smalle bergpaadjes; dus moet ze
gedeeltelijk wandelen, gedeeltelijk per draagstoel het doel van den
tocht trachten te bereiken. Bevreesd tot last te zijn, stelt ze dikwerf
voor thuis te blijven, maar ze moet altijd eindigen met aan den
algemeenen drang toe te geven en meegaan, wat ze met een dankbaar
lachje gaarne doet: ’t is zoo’n heerlijke gedachte dat ieder wat wil
opofferen om haar genoegen te geven.
James rijdt stapvoets voort naast haar tandoe, zonder die ook maar één
oogenblik te verlaten, men vindt dat door de gewoonte natuurlijk;
alleen de overste, vreemdeling in de Buitenzorgsche wereld, verwondert
zich reeds sedert verscheidene dagen over de verhouding »van die twee
luidjes« en hij zet nu zijn paard in draf om Paerel in te halen, met
het doel daaromtrent eens iets naders te hooren.
De directeur glimlacht medelijdend, bijna spottend.
»Hoe komt u op het denkbeeld, overste?«
»Ik mocht eer vragen hoe u niet op het denkbeeld komt.«
»’t Is neef en nicht, eigen zusters kinderen, te zamen grootgebracht!«
»Wat bewijst dat?«
»Maar ik zeg u, dat er geen kwestie is van zoo iets! ’t Idee! mevrouw
Verschuere, die zoo geheel opgaat in haar Gustaaf?«
»Zoo?« vraagt de zeeman. »Dat doet me pleizier.« Straks, na een lange
pauze, waarin zijn gedachten terug gingen naar een veelbewogen tijd in
zijn eigen leven, vraagt hij: »En het jonge mensch?«
De heer Paerel ziet juist een plantje aan den weg, dat hem bijzonder
veel belang inboezemt, hij vergeet te antwoorden en de overste rijdt
verder.
»Wonderlijk toch!« peinst hij. »Als iemand twee kinderen met vuur zag
spelen en hij waarschuwde het meisje, maar liet den jongen zijn gang
gaan, zou men dat onverantwoordelijk vinden; in een geval als dit denkt
ieder aan de vrouw, niemand aan den man. Alsof die geen kwaad kon!«
Er gaat in de stilte van den morgen een vroolijk rumoer op uit de
kleine cavalcade: de paardjes schijnen niets liever te wenschen dan
deel te nemen aan dit pleiziertochtje en hinneken nu eens in koor, dan
weer in solo; de koelies, gewoon aan draagstoelen, belast met dames die
van taille niet zoo jeugdig zijn als van hart, wenschen elkaar geluk
met het lichte vrachtje; de Soendaneesjes, die achteraan komen en de
manden vol etenswaren dragen, doen dit zoo welgemoed alsof ze meenden
dat de inhoud voor hen bestemd was.
Zoo een van hen die illusie koesterde, zou ze hem spoedig benomen
worden; men was nog geen uur op weg of er werd halt gehouden, om wat de
gelukkigen der aarde »een vreeselijken honger« noemen, te stillen. Het
was niet overbodig dat men zich een weinig versterkte, want ofschoon
het koel en frisch bleef, werd de inspanning met ieder oogenblik
grooter, de weg steil en moeilijk, glad van de gevallen regens, op
sommige punten door kuilen en onverwachte hinderpalen zelfs een weinig
gevaarlijk.
Clotilde, die haar eigen vos bereed, had moeite het vurig dier over de
smalle bamboebrugjes heen te krijgen; mevrouw Huntvelt, even
Amsterdamsch nu het op rijden als toen het op loopen aankwam, gilde
letterlijk van angst zoo dikwerf haar paardje uitgleed, wat nog al eens
gebeurde; de heeren hadden handen vol werks; de koelies, die de tandoe
droegen, verwisselden elk oogenblik van schouder, zetten haar telkens
neer, bliezen en hijgden als postpaarden.
»Ik wed dat je medelijden met hen hebt?« vraagt James lachend, als Nita
zegt dat ze liever wil uitstappen.
»Neen, maar het zien van hun inspanning hindert me. Ik zou me laten
dragen als ik niet loopen kon, nu is het niet noodig. Vin je goed dat
ze met je paard en de tandoe vooruitgegaan? Dan kunnen wij langzaam
volgen.«
Zij waren nu in het woud. Een leger van reuzen, maar ook een slagveld
vol gevallenen, een tuin met purperen bloesems en sneeuwwitte
orchydeeën, met ragfijne varens en wonderschoone boschvruchten, een
bodem bedekt met vergankelijkheid, gifplanten en reptielen, en om en
door dat alles een net van lianen, rottans en slingerplanten, het
kleine verstikkend, zich vastklampend aan het groote, de levende en de
dooden omvattend in één groote omhelzing.
Er is iets geheimzinnigs in dat werken eener grootsche natuur, iets
meêdoogenloos in dat vergaan en vernietigen... de jongelieden hooren
hunne voetstappen, het ruischen der dorre bladeren, als de zoom van
Agnita’s kleed ze beroert; zoo eenzaam is het rondom hen, dat als nu of
dan de slag van een vogel weerklinkt boven hunne hoofden, ze
opschrikken van dit geluid; zoo eenzaam, dat Nita het gelach en
gepraat, haar straks een ergernis, terugwenscht, liever dan deze
verlatenheid, deze stilte.
»Zoo ernstig?« vraagt James en ziet haar in ’t gelaat.
»Wie zou hier niet ernstig gestemd worden?« antwoordt ze en tuurt met
droomerigen blik naar de blauwe lucht, die het bladerdak hier en daar
laat doorschemeren. »Hoor je dat, heel in de verte, dat donderend
beuken van de watervallen op de rotsen? Is het niet als een stem uit
andere oorden?«
Ze staan een oogenblik stil om te luisteren. Daar weerklinkt, dicht bij
hen, de klagende roep van de woudduif, straks beantwoord door het
teeder gekir van zijn gaaike.
Met den wrevel, die hem soms aangrijpt in het bijzijn van Agnita, roept
James: »Hoor je dat? Ik dacht dat het hier te hoog was voor de liefde!«
»Te hoog voor de liefde?« vraagt ze verwonderd over zijn gezegde, maar
meer nog over den korten, schellen lach, waarvan het vergezeld ging.
»Te hoog voor de liefde? Neen, juist een plekje er voor: zoo ver van de
aarde, zoo dicht bij den hemel!«
De jonge man antwoordt niet. De muziek harer stem boeit hem, maar
ternauwernood begrijpt hij wat ze zegt, zoo wild jaagt en bruist het in
hem. Ver van de aarde! dicht bij den hemel! God... hij was nooit
dichter bij de aarde!
Straks, als ze een kleinen heuvel hebben bestegen en ze een oogenblik
leunen blijft op zijn arm, om adem te scheppen, ziet ze hem toevallig
in het ontroerd gelaat.
»Wat scheelt er aan?« vraagt ze bezorgd. »Er is toch niets dat je
hindert? Kom, kijk eens om je heen. Ik zou anders haast gaan gelooven,
dat het niet aan je besteed is.«
Ze heeft gelijk; het is niet aan hem besteed; hij ziet niets van de
heerlijkheid rondom zich, hij ziet in geheel deze groote ruimte slechts
één kleine stip, hij voelt slechts den arm die in den zijnen ligt, den
warmen adem, die heenstrijkt over zijn gelaat, het fijne handje dat
zijn schouder zoekt, zoo vaak ze steun behoeft—en niets, niets anders!
»Laat me vooruit gaan,« vraagt hij straks. »Laat me de anderen roepen.«
»Ik vrees dat ze te ver weg zijn om ons te hooren.«
»De koelies dan, om je te dragen.«
»Nu reeds?... ’t Is waar, het vermoeit je misschien me zoo voortdurend
vast te houden.«
»Me vermoeien?« roept hij. Maar dan schor en vreemd: »Ja.«
Dat de vrouw, die een groote liefde koestert, zoo ongevoelig wezen kan
voor wat ze in anderen wekt! Dat het geluk van zich door haar
echtgenoot bemind te weten zelfs een ziel, zoo sympathiek als de hare,
vreemd kan maken aan den strijd van een vriend; dat ze zoo ziende
blind, zoo hoorende doof kan zijn! Beleedigd door dat korte »ja«, roept
ze nu zelve:
»Djan! Djan! Djan!« ’t Is de naam van den jongen, aan wien James zijn
paard vertrouwde.
Maar er komt geen antwoord.
Is het de eenzaamheid, die haar nu op eens begint te beangstigen? Of
misschien de brandende gloed der hand, die haar wordt toegestoken bij
het overgaan van wankelende bruggetjes, het vermijden van poelen of
plassen? Of misschien dat die hand de hare nog vasthoudt wanneer ze
geen steun meer behoeft?
Wat er van zij, haar stem trilt en haar gelaat kleurt zich met hooger
blos, terwijl ze zenuwachtig uitroept: »Ik vind het niets aardig van de
anderen, ons zoo aan ons lot over te laten.« En straks, als hij niet
antwoordt, maar haar blijft aanzien met dien vreemden blik: »Ik wou dat
we bij hen waren.«
»O, we zullen ze dadelijk inhalen. Daar ben ik zeker van.«
Hij brengt beide handen aan den mond en roept uit alle macht, schreeuwt
als een bezetene. Want gevoelt zij slechts een onbestemde vrees, hij
weet wat het gevaar is dat hen dreigt, hij kent het aan den woesten
drang, waarmee het bloed hem naar hoofd en hart vliegt.
»We moeten geduld hebben, Nita... Waarom loop je zoo hard?... leun meer
op me... Nita... je bent toch niet bang?«
»Neen, dat niet; maar..«
»Maar je wordt moe. Hou me steviger vast, ’t is hier zoo glad en een
beetje gevaarlijk met het ravijn.«
»Roep nog eens; wil je?«
Hij gehoorzaamt, maar het blijft stil.
Straks moet hij de gestalte, die beeft van overspanning en met elk
oogenblik zwaarder leunt op zijn schouder, omvatten, om haar voor
vallen te behoeden.
»Vin je het niet akelig, James?« vraagt ze in haar angst, »vin je het
niet akelig zoo met ons beiden in dit groote bosch?«
»Akelig?« hijgt hij. »O neen! zalig...«
Nu begrijpt ze. Op eens. Alsof een gordijn werd weggeschoven van voor
haar oogen.
»God! Nita! laat me niet lost het ravijn... God! mijn lieveling!«
Hij heeft haar gegrepen, in zijn armen gehouden, aan zijn borst
geklemd...
»O, James!«
Er is in dien uitroep een droefheid, een teleurstelling zóó groot, dat
hij op eens tot het volle besef komt van zijn onvoorzichtigheid; hij
laat haar los, en wanneer ze nu doodsbleek, bevend over al haar leden,
leunt tegen een boomstam, verwijdert hij zich langzaam met gebogen
hoofd en het gevoel van een misdadiger.
Als hij een oogenblik later hoort hoe ze een zwakke poging doet om te
roepen, schreeuwt hij met bijna bovenmenschelijke kracht.
Nu, nu het te laat is, komt er antwoord. Van meer dan één kant klinken
stemmen. Uit de verte komt het geluid tot hen van een paard, dat in
draf nadert.
James is teruggekeerd op zijn schreden. »Nita, één woord! Ik bid je
Nita, vóór de anderen komen...«
Ze ziet hem aan met droeven blik. »Je hadt gelijk, James,« zegt ze
langzaam, fluisterend bijna, »je hadt gelijk; het is hier te hoog voor
de liefde... zooals jij ze begrijpt ten minste.«
Dan wendt ze het hoofd naar den heer Paerel, die komt aanrijden zoo
vlug de weg zulks toelaat.
»Eindelijk!« roept de directeur. »Waar blijft u toch? we werden
ongerust, de anderen wachten bij de grot...«
»Onze koelies zijn weg, geloof ik,« brengt Agnita aarzelend uit.
»Wel neen, die zitten hier achter den heuvel hun strootje te rooken.«
»Iedereen heeft ons in den steek gelaten. Van Suylichem’s jongen...«
»Hij komt daar aan met uw paard, mijnheer Van Suylichem. Ik heb hem
gezegd mee terug te keeren. Maar... wat is u ontdaan? En u ook,
mevrouw! Er is toch geen ongeluk gebeurd!«
»Ja, een groot ongeluk!« roept James, springt in den zadel en rijdt weg
in woesten galop, aan Agnita overlatend zijn wonderlijk gedrag te
verklaren.
»We waren bijna in het ravijn gevallen,« begint ze. »James is erg
geschrikt en... heelemaal in de war. En ik... ben zoo moe.«
»Wat spijt het me dat we niet bij elkaar zijn gebleven! Maar wie kon
ook denken... o, daar zijn ze met den draagstoel!«
Er is veel noodig om den heer Paerel op een denkbeeld te brengen,
wanneer dat denkbeeld geen betrekking heeft op zijn vak; hij laat
gaarne alle ontdekking, vermoedens en invallen aan zijn Annet over,
maar—deze ontmoeting in het bosch verdrijft zoo ten eenemale alle
botanische gedachten uit zijn geleerd brein, dat hij een oogenblik ook
in andere zaken helder ziet; hij herinnert zich de vermoedens van den
overste, brengt die vermoedens in verband met de ontsteltenis der jonge
lieden en besluit de tandoe van mevrouw Verschuere niet meer te
verlaten.
Als in een droom voegt Agnita zich bij het gezelschap, dat neiging
heeft getoond om knorrig te worden over het onverwacht oponthoud, maar
deelnemend wordt zoodra ze tot hen komt met haar afgemat gezichtje en
gescheurde laarsjes; als in een droom volgt ze hen naar de grot en is
zoo diep in gedachten verzonken, dat ze vreeselijk schrikt wanneer het
traditioneel pistoolschot wordt gelost om de duizenden vleermuizen, die
aan de wanden hangen, te doen opvliegen. Daarop zit ze met de anderen
terneer bij de watervallen, die als schitterende sluiers afhangen van
de zwarte rotsen, stemt beurtelings Clotilde toe dat het verrukkelijk
mooi, mevrouw Huntvelt dat het zooveel angst en vermoeienis niet waard
en den overste dat het een griezelig plekje is, veel te kil en te
vochtig om er iets anders te willen doen dan dadelijk weer opbreken.
Vrouwen als Annet Paerel oefenen haar invloed uit, ook al zijn ze van
haar mannen gescheiden door al de berggevaarten der Preanger. Als men
op Tji-Bodas rondom de rijsttafel is gezeten en de gastheer van de dame
aan zijn linkerhand slechts verstrooide antwoorden ontvangt; als hij
opmerkt dat Van Suylichem drukker praat en meer champagne gebruikt dan
dienstig zijn kan, is het hem of een welbekend gezicht zich tot hem
keert met vriendelijke bezorgdheid, of de welbekende stem met de
hartelijke drukte haar eigen, uitroept: »Daar moeten we iets aan doen,
Paerel!«
Dadelijk na het middagmaal wordt een kop koffie gebruikt, haastig,
staande, met angstige blikken naar de lucht, die nu wel wat al te
bedekt is.
»We moeten voortmaken, freule,« zegt de overste, terwijl hij haar helpt
opstijgen: »Ik vrees dat we een nat pak krijgen.«
»Zou het,« vraagt nu de directeur, met het oog op een mogelijke
regenbui, »niet best zijn dat elk der heeren een dame voor zijn
rekening nam en die zoo gauw mogelijk thuis bracht, zonder zich om het
overige gezelschap te bekommeren?«
»Maar u vergeet dat we een cavalier minder hebben dan van morgen,«
roept Agnita in waren doodsangst.
»Dacht u werkelijk dat ik eene der dames zonder geleide zou laten
teruggaan? Wel, mijn vrouw vergaf het me nooit! Neen, de proeftuin
loopt niet weg en wat ik hier te doen heb kan even goed morgen gebeuren
als vandaag. ’t Was trouwens dadelijk mijn plan.«
Men meende zich te herinneren dat de heer Paerel dezen morgen andere
plannen had, maar men vond het allerliefst.
»Freule, mag ik de eer hebben? Iedere minuut is er een!« roept de
overste en rijdt met zijn dame het terras af.
»Mijnheer Van Suylichem, zoudt u zich met de zorg voor mevrouw Huntvelt
willen belasten? Dan mag ik wel bij u blijven, niet waar?«
Agnita weet niet of hij iets vermoedt, iets begrepen heeft; daarom is
het zeer onvoorzichtig wat ze doet, maar ze kan het niet laten, ze
steekt hem haar ijskoud handje toe en zegt: »Dat is lief van u,
mijnheer Paerel.«