NAAR DE BERGEN.

Sedert lang wekte de eerste dag der week bij Agnita niet meer het

sabbathsgevoel, dat in Holland er zulk een wijding aan had gegeven.

Maar op dezen Zondagmorgen was het haar of ze gewekt werd door het

klokgelui van het kerkje te Bloemduin; op dezen Zondagmorgen trok ze

haar eenvoudig, reistoiletje aan met een gewaarwording of het de »beste

jurk« was uit haar kinderjaren; op dezen Zondagmorgen nam ze plaats in

den trein, alsof het de groote tentwagen geweest was, waarmee ze thuis

uitstapjes gingen maken; pa en moe op de achterbank, broer met zijn

meisje in het kattebakje, James op den bok en zij met de vijf andere

kinderen, de trommels vol eetwaren, de dikke doeken, de manden met

flesschen en de meid, geborgen waar er maar een plaatsje voor te vinden

was.

Het heeft gedurende den nacht zwaar geregend. Maar nu de zon de wolken

begint te verdrijven, ligt de aarde daar zooals ze wezen kan in die

lente der indische natuur, het begin van den westmousson, wanneer de

stille riviertjes op eens weer beginnen te murmelen en de zwijgende

vogels nieuwe wijsjes vinden; wanneer wuivende pluimen te voorschijn

komen uit het donker olijfgroen en harde oude bladeren verdrongen

worden door lichtgele bladknoppen, wanneer rose bloesems zich

ontplooien naast purperen vruchten, wanneer de oranjeboom geurt en de

aarde juicht en de hemel lacht.

»Weet je waaraan je me denken doet?« vraagt Verschuere, terwijl hij

eerst zijn vrouw aanziet en dan rondom zich in de coupé, die met bruin

juchtleer is bekleed: »aan een nieuw goudtientje in een oude

porte-monnaie, zoo glanzend ben je vandaag!«

Die vergelijking maakt haar gelukkig. Want soms in den laatsten tijd,

als ze zich zoo zwak gevoelde, heeft ze gevreesd dat hij het haar zou

aanzien en dikwerf, als ze zijn rijtuig hoorde op het kiezel, sprong ze

verschrikt overeind bij de gedachte hoe bleek ze was... onnoodige zorg,

daar zijn binnentreden altijd een blos riep op haar gelaat.

»Daar zijn we reeds te Batoe Toelis,« zegt hij en ze ziet rondom

zich—maar dan, vatbaar voor indrukken als ze is, wordt haar gelaat

minder vroolijk. Komt het door de betrokken lucht of door de al te

onmiddellijke nabijheid van de bergen, dat het eerste station na

Buitenzorg zulk een somberen indruk maakt? Of is het wellicht omdat men

overal op de groene wegen, in de tentjes, op de rustbanken, gestalten

ziet in de grijslinnen hospitaalkleeding, jonge mannen, het gebogen

lichaam voortsleepend, hijgend van vermoeienis, rondwarend als droeve

spoken, opgeroepen door den Atjehkrijg?

Eenmaal Batoe Toelis voorbij wordt het tooneel steeds lichter, steeds

ruimer, steeds vroolijker. Weldra beginnen Gustaaf en Agnita te zamen

uit te zien door het venster, breed en hoog, zooals het zijn moet om

het breed en hoog tafereel dat voor hen ligt te kunnen omvatten.

Massing, het station waar de Tjiradani haar vloeibaar kristal uitstort

over velden en weiden, waar ze stoeit en speelt om den voet der

heuvelen en de kleine vallei herschept in een paradijsje vol gemurmel

en geritsel, vol gefluister en geklater—Massing ontvangt hen als een

vriendelijke gastvrouw op den drempel harer woning. En wie ook maar een

glimp gezien heeft van de Preanger, laat zich niet lang nooden.

Nu is het niet meer genoeg om door het eene venster te zien: naar het

oosten ligt de Gedeh geheimzinnig somber, naar het westen de Salak tot

aan den top gehuld in dat donker blauw groen dat de witglanzende

boomstammen doet afsteken, als zoovele mijlpalen door reuzen geplant.

’t Is een morgen zoo als er zijn kunnen tusschen Java’s bergen, stil,

plechtig, wonderbaar; en terwijl de vogelen hun lofzang aanstemmen,

wachten deze beide vermoeide menschenkinderen, zwijgend, hand in hand,

tot het blond des hemels goud wordt achter de heuvelrijen en het groen

der bosschen smaragd en het blauw der bergen violet; tot de

Mandelawanghi blozend haar sluiers afwerpt en de Salak haar morgenbad

neemt in zilverglans.

Er blijft nu nog één donker punt in dat stralend Eden: zwart verheft

zich te midden van den gloeienden kleurenrijkdom de Gedeh. Glans en

gloed verdooven op haar grauwe massa’s, rozenwolken, lazuren luchtjes

trekken vergeefs rondom haar op; nu ten oosten, dan ten westen, zoekt

het oog des daags de stille sphinx te treffen met zijn blik... dan

verrijst de goudvlammende vuurbol achter het berggevaarte; de zon

stijgt hooger, steeds hooger, tot de hemel gloeit: dan strooit ze haar

straalbundels uit en eindelijk, daar staat de Gedeh, verlicht in al

zijn diepten en kloven, geopenbaard in al zijn schuilhoeken en

verborgenheden, de heerlijkste in die nooit volprezen rij van

goddelijke kunstwerken.

Verblind door zooveel glans wendt Agnita het hoofd, en terwijl hij haar

gadeslaat, vraagt Gustaaf zich af hoe hij gister heeft kunnen vinden

dat zij er bleek en vervallen uitziet.

De reis in één dag te maken zou te vermoeiend en een waagstuk geweest

zijn met het oog op de regens; dus stappen ze uit bij de halte

Paroeng-Koedah. Daar wordt de juchtlederen portemonnaie verwisseld voor

een américaine, maar Verschuere’s goudtientje blijft glanzen.

Straks, toen ze Paroeng-Koedah naderden, heeft ze reeds verlangend naar

buiten getuurd of ze het niet ontdekken mocht, het witte plekje tegen

den blauwen Salak, dat een vogel gelijkt, zich verschuilend aan de

borst van den bergreus, of ze het niet reeds nader kwamen, het landgoed

dat voor haar de verwezenlijking is van de lustsloten in de sprookjes

harer kinderjaren.

De paarden, die hen de steile berghelling optrokken, worden

afgespannen, een paar andere nemen hun plaats in en vliegen voort als

een pijl uit den boog; het zijn echte Preangers, dat wil zeggen: al het

vuur, al de ijver, al de vlugheid, die aan den bewoner dezer streken

ontbreekt, is in hen gevaren.

Weldra wordt dan ook de bergrug bereikt en nu strekken zich langs beide

zijden van den weg, dien ze aflegden, de theetuinen uit met hun lage,

dichte struiken vol witte bloesems, maar voller nog van de glanzig

groene blaadjes, die zoo menig praatje gezellig maken, zoo menig

eenzame troosten, zoo menig vermoeide verkwikken zullen.

Reeds vroeger waren ze eenige dagen hier, en het komt hun dus alles

vriendelijk bekend voor; de smalle, rood-bruine paadjes, die als

zonnige sporen van den menschenvoet zich slingeren over de hoogten,

zich loswinden van de glooiing; de verrassing, die, met elke kromming

van den weg, de vergezichten aanbieden; de welvarende kampongs langs

goed onderhouden wegen met hun nederig groetende bewoners; nu links,

dan rechts een golvende sawah, bevallig afstekend tegen het donkergroen

der theevelden; het water dat overal ruischt als een welkome

verfrissching bij het stijgen der zon; de blauwende bergketen, die

eerst hen wenkte uit de verte, maar nu hen steeds dichter schijnt te

omvatten, zacht en vleiend als poezele kinderarmen. Het is haast of de

landheer een feest bereidde, zoo bont en woelig gaat het toe op dat

onmetelijk tapijt met zijn donkergroene en bruinzwarte strepen gespreid

over de heuvelen, afhangend in de dalen, zoo talrijk zijn de pluksters

in haar helroode sarongs, de bewerkers van den bodem in hun kleurige

badjoes, zoo glinsteren de veelvervige toedoens in den brandenden

zonneschijn.

Reeds rijdt het lichte voertuig de damarlaan in. De schaduw van het

geboomte brengt koelte en rust voor de oogen, vermoeid van het staren

op dat kleurrijk amphitheater; weldra vernemen zij het wiekgeklep van

de witte duiven, die in vele honderdtallen opvliegen uit het bladerdak

boven hen; straks komt het klateren tot hen van de fontein, die zijn

stralen opzendt naar de zon en ze terug ontvangt als fonkelende

juweelen.

Agnita fluistert: »Hoe heerlijk!« en Verschuere zegt het haar na, want

ze weten wat hen wacht aan het einde van die damarlaan: een koel, groot

huis met de bergen tot naaste buren, een bloemtuin die de geuren van

rozen en melattie opzendt naar een balkon, waar het goed is te wezen,

’t zij terwijl de schemering daalt, met een lieven vriend in

vertrouwelijk gesprek, ’t zij in de vroegte als een rooskleurige morgen

opgaat over het heerlijk panorama, ’t zij des avonds als alles goud

wordt en purper in de verte.

Ze weten dat hen daar een bootje wacht op het stille, plechtige meer,

en dat als heden avond het volk komt toestroomen uit de dessa’s om den

wajang te zien en de pantoens te hooren, zij, luisterend naar de

verwijderde tonen van den gamelang, zullen heenglijden over de

watervlakte; ze weten dat de duiven hen reeds hebben aangemeld en dat

de gulle gastheer, omringd van vrouw en kinderen, nu naar buiten komt

om hen welkom te heeten op dat kroonjuweel van den Preanger, het

vorstelijk Parakansalak.

Jammer dat ze van al die heerlijkheid maar even proeven, niet genieten

kunnen: den volgenden morgen reeds gaat het verder.

»Je wou een paar uurtjes op Soekaboemie overblijven, niet waar?« vraagt

Agnita, bezig haar hoed op te zetten. Hij helpt haar de voile

vaststeken, speelt met de krulletjes in haar nek—een gewoonte die ze

meende dat hij had verleerd—en zegt, half tot haar, half in zich zelf:

»’t Is dwaas, maar al die dringende zaken komen me sinds gister minder

dringend voor.«

En dus stoomen ze langs Soekaboemie, het herstellingsoord met zijn

luchthappende Batavianen en vermoeide ambtenaren, wachtend op het

attest van den dokter dat ze verlof of den datum dat ze pensioen kunnen

vragen, met zijn hôtel en kommensalenhuizen, die eigenlijk zoo misstaan

in de binnenlanden, waar men gewoon is gastvrijheid te genieten van

goede vrienden in gezellige woningen.

Als ze Tjiandjoer naderen begint, niettegenstaande natuurgenot en

verrukking, de maag te herinneren aan het feit dat het uur van de

rijsttafel daar is, en meer nog dan gewoonlijk is de verschijning van

Tjiandjoers regent hun aangenaam, omdat hij nu komt met een

uitnoodiging van de Raden-Aijoe, om bij hen het middagmaal te

gebruiken. De ontvangst is zoo hoffelijk en zoo welgemeend hartelijk

tevens, het diner zoo overheerlijk, dat de reizigers geheel verfrischt

en als het mogelijk is nog aangenamer gestemd dan te voren in hun

rijtuig stappen.

Het is een licht tentwagentje met vier vlugge paardjes; de wegen in den

Preanger zijn keurig onderhouden, de toestand der tuigen niet zooals op

de buitenbezittingen, waar het leven der reizigers hangt aan een

rottantje; alles schijnt van zelf te gaan, zweepgeklap en loopersgegil

houden op, het wordt steeds frisscher, steeds mooier, steeds stiller.

Stiller op de heuvelen met hun uitgeholde ruggen en kale toppen, langs

de gouden trappen, die de rijstvelden vormen tegen den voet der bergen,

stil van de groote stilte, die sedert eeuwen hangt tusschen de hoogten

en afdaalt in de pijnlijk jagende harten der menschenkinderen.

Wie, die in een zacht vergulden ochtendstond onder de suizelende muziek

der bamboebosschen de bergen bestijgen mocht, herinnert zich niet hoe

hij steeg in dubbelen zin?

De geurige koelte komt hem het brandend voorhoofd beroeren: ze wuift

met haar frisschen adem hem het stof uit de lokken, de plooien van het

gelaat; hij voelt hoe tegelijk met die volle teugen reine lucht er iets

als jeugd en kracht en levenslust hem de borst doorstroomt.

Ver, ver achter hem in het dal ligt de stad; een zucht van verlichting

ontsnapt hem, bij de gedachte dat haar drukte en rumoer hem hier niet

kunnen bereiken; immers elke stap voert hem hooger; hij drinkt de

schoonheid in van het tafereel dat zich ontrolt voor zijn blik; hij

staart rondom zich naar de kraters, met hun door vuur en lava

geteisterde flanken, naar de ravijnen met hun zwarte diepten, naar de

glooiingen met haar zijden glansen, naar de rotsmassa’s die dreigen

neer te storten op vroolijke dessa’s... hij verdiept zich in de

raadselen der onverklaarde natuurkrachten; hij zoekt de grenzen te

bepalen van dien blauwen hemel, die hem nader en nader komt; hij droomt

van het oneindige... hij herinnert zich tooneelen uit zijn

kinderjaren... ’t is hem of hij de stem zijner moeder hoort...

Het was niet meer dan natuurlijk dat de vriendinnen bij het weerzien

elkaar in de armen vielen, alsof ze jaren gescheiden waren geweest;

niet meer dan natuurlijk, dat toen Nita den groet van den afwezige

overbracht, beiden uitbarstten in tranen; niet meer dan natuurlijk ook

dat Verschuere, met de vrees die mannen hebben voor scènes, op

eerbiedigen afstand bleef; trouwens hij had buitendien reden om tegen

een ontmoeting met de verloofde van zijn beleedigden vriend op te zien.

Zeer trof hem de verandering die in Clotilde’s voorkomen had plaats

gegrepen. Ze geleek nu op de crayonteekening, die mevrouw Van

Waliënhove smalend een madonnakopje had genoemd, en de gedachte kwam in

hem op, dat toen zijn vriend haar dus zag, hij een voorgevoel had van

den strijd die haar wachtte.

Die strijd was zwaar genoeg voor het jonge hart. Ontmoeten gelukkiger

meisjes op haar levenspad de liefde als een vrucht voor haar gerijpt,

onder jok en scherts voor haar geboren, bij Clotilde was met de liefde

de ernst des levens begonnen; zij behoorde geenszins tot de vrouwen,

die door een plotseling gewekten hartstocht tijdelijk het verstand

verliezen, en toen ze koos deed ze dat met een geopend oog voor al de

gevolgen aan haar daad verbonden.

Opgevoed voor de groote wereld, in een kring waar een schitterend

huwelijk de kroon wordt geacht op het jongemeisjesleven, gewoon aan

onderscheiding, een kind van weelde, begreep ze ten volle wat ze

opofferde door eenvoudig mevrouw Van Beevelant te worden.

Had de gedachte, afstand te doen van wereldsche grootheid haar—zoo niet

toegelachen—dan toch geen oogenblik doen aarzelen; was ze moedig den

oorlog met haar stiefmoeder begonnen; bekommerde ze zich weinig over de

verbazing of den spot zelfs harer omgeving, ze werd tot ernstig

nadenken gestemd door de zekerheid dat hare keuze èn haar vader èn haar

aanstaande zoo veel kostte.

Ze wist het, baron Van Waliënhove had andere verwachtingen gekoesterd

voor de toekomst zijner eenige dochter; ze wist het, dit huwelijk zou

den toch reeds tot het uiterste gespannen band tusschen de echtelingen

voor goed vaneen doen springen; ze wist het, de tijd dien Frans nu

doorbracht, was een lijdenstijd; smaad en vernedering zouden zwaar te

dragen zijn voor dat trotsche hart.

Eerst toen ze na het late avondmaal rondom de theetafel zaten en ze

Agnita, wie de reis zeer vermoeid had, met attenties overlaadde; eerst

toen ze op de haar eigen openhartige wijze sprak over hetgeen in den

laatsten tijd was voorgevallen, begon ze weer een weinig te gelijken op

de Clotilde van vroeger dagen; maar hoe openhartiger ze was, hoe

argeloozer ze hun alles vertrouwde, hoe meer Verschuere het onhoudbare

van zijn toestand begon te gevoelen. Vast besloten er een einde aan te

maken, vroeg hij op eens of Clotilde correspondeerde met haar

aanstaande.

»Papa vond beter van niet,« antwoordde ze. »U begrijpt, we moeten ons

tegenover mama houden alsof we ons niet zouden willen engageeren zonder

haar toestemming.«

»En heeft hij u iets gezegd?« vraagt Verschuere aarzelend, »nu kort

geleden?... over mij, bedoel ik...«

»Neen, niet dat ik me herinner. Trouwens, hij heeft er geen gelegenheid

toe gehad: we spraken elkaar nooit alleen, Frans zocht het niet; papa

is hem daar zeer dankbaar voor... en ik ook... ofschoon ik het eerst

niet kon apprécieeren.«

»Je hield het misschien voor onverschilligheid?« vraagt Nita zacht.

»Wij vrouwen zijn niet trotsch meer als we liefhebben, niet waar? en

daarom kunnen we de mannen niet begrijpen in zulke dagen.«

»Ja,« zegt Clotilde met een zucht, »ik ben het nog altijd oneens met

papa op dit punt. Waarom mocht hij niet ten minste een klein beetje

laten merken dat hij van me hield? Verbeeld je, dien morgen toen hij

het doodsbericht van Louise had gekregen en ik hem ging opzoeken in de

leerkamer, omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon dat hij daar

alleen was met zijn leed, toen wilde hij ons eerst niet opendoen.«

»Wie was bij je?« Aldus Nita met een zijdelingschen blik naar haar man.

»Je zeide daar: ons.«

»Oscar. Maar waarom vraag je dat?«

»Omdat... och, je moet weten...«

»Freule, het is beter u de geheele waarheid te zeggen. Nita vraagt dit,

omdat ons iets anders was verteld. Omdat ik laf geweest ben! En dom!

Omdat ik Frans in staat heb geacht tot... omdat ik bewijzen meende te

hebben van zijn schuld. Dat is mijn eenig excuus; ik geloofde zeker te

weten. Maar ik begrijp nu hoezeer ik hem heb miskend.«

»Zijn beste vriend. En dat in deze dagen, nu hij zooveel behoefte heeft

aan waardeering. O, Nita, hoe heeft je man dat van zich kunnen

verkrijgen?«

»Vraag daarnaar niet, lieve. Kom... beproef om te doen wat Frans gedaan

heeft en vergeef hem. Ja, Gustaaf,« gaat Nita voort en neemt zijn hand

in de hare, »ik heb vóór ons vertrek je ouden vriend gesproken, hij

begrijpt wat je bewoog, hij vergeeft je; en... hij heeft me beloofd

zijn best te doen om te vergeten... Clotilde...«

Het meisje steekt hem de hand toe, Verschuere drukt die diep beschaamd,

en nooit zijn de listen eener valsche vrouw meer verwenscht dan die van

mevrouw Van Waliënhove verwenscht werden op dezen eersten avond te

Tjipanas.

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 58 / 85 题