Geen uur is na het vertrek van den dokter verloopen, als een luide tik
op de deur van Agnita’s boudoir haar doet overeind springen van den
divan, waarop ze nu meest hare ochtenden doorbrengt.
»Ik kom met een brief voor je, Nita; van Zijne Excellentie. En ik moet
op antwoord wachten.«
»Wat, James? Een brief van den gouverneur-generaal voor mij? Zeker een
grap van je?« Maar terwijl ze spreekt heeft ze het couvert reeds
opengescheurd en, na den korten inhoud te hebben doorloopen, vraagt ze
haastig: »Wat is er gebeurd? Zeg, wat is er gebeurd?«
Dan, als Van Suylichem aarzelend zwijgen blijft: »Je kunt het me gerust
vertellen, daar mijnheer Van Waliënhove me zelf in zijn vertrouwen
neemt.«
»Neen, dat is het niet; maar... je vraagt me wat er gebeurd is en zie
je... die vraag is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Als ik voor
een rechtbank getuigen, als ik er een eed op doen moest, zou ik zeggen:
niets. Hier, onder de roos beweer ik: veel, heel veel. Er is
geïntrigeerd. Er is gespionneerd. Er zijn geheimzinnige samenkomsten
geweest. Deuren die anders openbleven zijn gesloten. Er is gekibbeld,
gehuild en als ik me niet vergis, bemind; d’Hannecour is tot wanhoop
gebracht, hij voelde dat er iets in de lucht zat en kon niet raden wat.
Hooglaan doet geheimzinnig. Hij heeft conferenties met de kamenier...
neen, niet met mooi Marietje! met die oude grompot; je weet wel,
mevrouws vertrouwde... Mevrouw zelve is vreeselijk uit haar humeur, ze
loopt zoo recht dat ze ieder oogenblik dreigt over voetebankjes te
struikelen of van de trappen te rollen—wat ik haar van ganscher harte
gunnen zou.«
»Foei, James!« zegt ze lachend, om dan schijnbaar achteloos te vragen:
»En... Van Beevelant?«
»Van Beevelant?« herhaalt James.
»Ja, hoe is hij?«
»Wel, zooals anders.«
»Och kom, dat is onmogelijk!«
Daar barst Van Suylichem los in den frisschen jongenslach die hem zoo
goed afgaat. »O jullie vrouwen! Jullie verraadt je toch altijd. Hoe
dikwerf heb ik je gezegd dat er iets bestond tusschen Van Beevelant en
Clotilde? En hoe dikwerf heb je me voorgepraat, dat ik het me
verbeeldde? hoe dikwerf me vermaand om er toch met niemand over te
spreken. Je wist er meer van, Nita! Beken het maar, je waart hun
vertrouwde.«
»Neen, daarin vergis je je. Ik wenschte dat ze het me een van beiden
hadden gemaakt; ik zou hun graag bewijzen gegeven hebben van mijn
sympathie. Clotilde heeft me wel verteld van andere pretendenten; kort
geleden nog dat Hooglaan de insolentie gehad heeft haar te vragen...«
»Hooglaan! Neen?... Waarachtig?«
»Ja. Na haar mama, niet haar het hof te hebben gemaakt. Maar over Van
Beevelant sprak ze nooit, ten minste niet in dien zin.«
»Nu, zooals je uit den brief ziet, ze is van morgen naar Tjipanas
vertrokken. Je weet, juffrouw Kwake is daar, de oude bonne, die met
haar meekwam uit Europa en, daar ze het met de njonnja besaar niet
vinden kon, moest verwijderd worden. Ze zal zeker met alle liefde voor
haar pleegkind zorgen, maar...«
»Clotilde heeft ander gezelschap noodig, wil je zeggen?«
»Vraagt de oude heer je om naar Tjipanas te gaan?«
»Ja,« zegt Nita, terwijl ze den brief weer openvouwt.
»»Mijn arm kind is ziek!« schrijft hij. »Maar van een ziekte die niet
de berglucht alleen geneest. Ze is diep geschokt en er is een zachte
hand noodig om de wonden, háár geslagen, te heelen.««
»Ja, er is gisteravond een scène geweest met mevrouw!... ik dacht niet
dat baronessen er zulke stemgeluiden op nahielden... Clotilde zag er
vreeselijk bleek en behuild uit van morgen... ’t ging me aan het hart.
Je neemt het toch aan, Nita? Toe, zeg ja. Me dunkt, je bent er juist
het persoontje naar, om goed te doen in zoo’n geval, juist ìemand om
alles aan te willen vertrouwen.«
»En dat zegt een jong mensch, die nog nooit bij me is gekomen om me
zijn Confidenties te doen!«
Hij ziet haar een oogenblik verwonderd, vorschend bijna, in het gelaat.
Dan, als ze zijn blik kalm en rustig doorstaat, roept hij: »Ik heb geen
confidentie te doen, dat weet je wel.«
Nu neemt hij het boek op, waarin ze bij zijn komst las, en terwijl hij
zich houdt of de titelplaat hem bijzonder belang inboezemt, gaat hij op
plotseling veranderden toon voort: »Maar we spraken daar over...«
Juist op dit oogenblik treedt de algemeene secretaris binnen.
»Bonjour, Van Suylichem! Je bent hier met een brief, niet waar? Dank
je, lieve; ik ken den inhoud. Je hebt James zeker gezegd wat de kwestie
is? Goed. En wat denk je van het plannetje? Uitstekend, niet waar?
Zoo’n aardige toevalligheid als men zelden vindt! Bosschaert was
daareven bij me: hij zegt dat het klimaat van Tjipanas juist is wat je
noodig hebt.«
»Maar zul je het niet eenzaam vinden hier?«
»O, maak je daar niet ongerust over. Ik heb altijd gezelschap in mijn
werk. En ’t is voor je gezondheid.«
»Kun je niet meegaan?« vraagt James, die evenals Bosschaert wel
weet—wat slechts voor den betrokken persoon een geheim schijnt—dat de
zwakke orchydee niet leven kan zonder den steun van haar boom.
»Meegaan? ’k Wou dat het mogelijk was! Maar misschien kan ik je
brengen!«
»Ja, dat zou heerlijk wezen!« roept Nita verheugd, en James merkt op
met hoe weinig ze geleerd heeft zich tevreden te stellen. »Ik hoop dat
ik Clotilde van nut zal kunnen zijn,« gaat ze dan voort, »en ik geloof
het wel, ten minste ik kan me zoo geheel in haar toestand verplaatsen.«
»Ja,« vraagt Verschuere schertsend. »Kun je je zoo goed een
voorstelling maken van wat dat is: een ongelukkige liefde? En ik, die
dacht dat je geen ervaring hadt op dit punt!«
»Neen, zeker niet van ongelukkige liefdes. Maar mag je dit wel zoo
noemen?«
»Of je dit zoo noemen moogt!« klinkt het van twee kanten.
»Is de gouverneur-generaal er dan tegen?« vraagt ze weer.
»Natuurlijk.«
»Maar hoe kon hij dan de onvoorzichtigheid hebben iemand als Van
Beevelant dagelijks in Clotilde’s gezelschap te brengen?«
»Wel, dat vind ik nog al duidelijk,« roept James; »hij heeft niet
gedacht aan de mogelijkheid.«
»En dan—hij geloofde te doen te hebben met een fatsoenlijk man.«
»Verschuere!... Wat bedoel je?«
»Je vroegt me gister, Nita, waarom we Van Beevelant niet meer zien; je
verwonderde je dat hij de geheele week niet hier was geweest! Ik heb je
ontwijkend geantwoord, omdat... omdat ik wist hoezeer het je bedroeven
zou. Maar ’t is beter dat je ’t hoort: Van Beevelant heeft zich gemeen
gedragen en ik heb hem dat gezegd.«
»Heb je hem dat gezegd?« roept Agnita en alle kleur wijkt uit haar
gelaat. »O, wat spijt me dat, Gustaaf! hij zal het je nooit vergeven.«
»Ik wensch niet dat hij ’t me vergeeft. Ik wil dat onze intimiteit voor
goed geëindigd zij.«
»Neen, dat wensch je niet. Niet waar, je zoudt willen dat zijn onschuld
bleek en dat je het gebeurde ongedaan kondt maken. Nu weet ik wat je
zoo gehinderd heeft in den laatsten tijd... Je beste vriend! Maar
Verschuere, wat je ook een oogenblik geloofd moogt hebben, je moet nu
reeds tot de overtuiging zijn gekomen dat het een vergissing is, dat
Frans niet laag of gemeen kan gehandeld hebben. Misschien is hij zwak
geweest... Maar slecht...«
»Zwakheid is in sommige gevallen slechtheid.«
»Ook wanneer de liefde in het spel is?«
»Ook wanneer de liefde in het spel is.«
»Verschuere,« begint James nu, »kan het geen laster zijn? ’t Komt me
zoo ongelooflijk voor. Die loyale, flinke kerel, die je aanziet met
zoo’n paar eerlijke oogen.«
»Je moest me genoeg kennen,« spreekt Verschuere, na een oogenblik van
stilte, met afgewend gelaat en onvaste stem, »je moest me genoeg kennen
om te weten dat ik niet lichtvaardig mijn besten vriend zal opgeven.
Wat ik je van Frans zeg is de waarheid, ik heb de bewijzen gezien,
zwart op wit. Ik weet dat ze rendez-vous hadden in de leerkamer en
quasi toevallige ontmoetingen in het park; ik weet dat ze hem bloemen
zond.«
»Om het portret van zijn zuster mee te omkransen... zooals ik ook heb
gedaan... de bloemen, die we in een ander geval zouden hebben
neergelegd op Louise’s graf.«
»Alles heel poëtisch, Nita, maar er is meer gebeurd.«
James heeft hem reeds geruimen tijd vorschend aangezien; nu springt hij
overeind. »Verschuere, je bent opgestookt en mevrouw Van Waliënhove
heeft het gedaan!«
»Maar dat zou verschrikkelijk zijn,« roept Nita. »Twee zulke vrienden
te scheiden, vrienden van zooveel jaren her!«
Verschuere keert zich haastig om, niemand mag weten dat de brandende
tranen hem in de oogen staan.
»Goddank! dat al haar laster niet baten zal,« begint Nita straks.
»Alles zal zich ophelderen en wanneer Clotilde hem trouw blijft...«
»Dat zal hem weinig baten,« zegt James. »Je begrijpt toch, dat haar
vader zijn toestemming niet geeft?«
»Als hij van haar houdt, zooals ik geloof dat hij doet, met de
onbaatzuchtige liefde, die alleen ouders kennen, dan zal hij meer háár
geluk zoeken dan de bevrediging van eigen wenschen. Daarbij, hij
begrijpt zijn dochter, hij weet dat Clotilde niet een der willooze
wezentjes is, die met iederen man gelukkig kunnen zijn, maar een van de
vrouwen die zelve kiezen.«
»Ik geloof dat je je vergist, kind,« zegt Verschuere, zich losrukkend
uit zijn gepeins. »Hij zal er zeer tegen zijn.«
»Maar dan is het beter dat ik niet ga. Ik zou niets willen doen om
Clotilde tot andere gedachten te brengen. Ik zou niets willen doen in
het nadeel van onzen vriend.«
»Maar ik zeg je dat hij mijn vriend niet meer is,« barst Verschuere los
in hevigen toorn.
»Des te meer reden voor mij om hem trouw te blijven.«
»Ferm zoo, Nita!« roept James. »Ik voeg me bij je! De arme drommel zal
zijn vrienden wel kunnen tellen, nu mevrouw Van Waliënhove tegen hem
is.«
Driftig keert Verschuere zich tot hem. »Je wilt niet zeggen, je durft
niet denken dat ik hem verloochen ter wille van die vrouw!«
»Neen, God beware me!«
»Hoe zou hij dat kunnen denken, Gustaaf, hij, die je zoo goed kent? Wij
weten, je gelooft dat Frans schuldig is. Na korter of langer tijd zal
het je echter blijken dat je bedrogen bent, dat er een misverstand
heeft plaats gehad misschien; dan zul je ons dankbaar zijn dat we niet
aan hem getwijfeld hebben.«
»James is vrij om te doen wat hem goeddunkt, maar ik wil dat jij me
gelooven zult, Nita; ik wil dat je één lijn zult trekken met je man,
zooals dit aan een vrouw past.«
Er volgt een oogenblik van stilte. Agnita heeft haar echtgenoot
aangezien met smartelijke verbazing; Van Suylichem is opgerezen.
»Neem me niet kwalijk... ik had reeds eer willen weggaan, maar mij was
opgedragen zoo mogelijk antwoord mee te brengen.«
»Kom, lieve,« spreekt Verschuere, die reeds zijn zelfbeheersching
herwon, »stuur James niet zoo onverrichterzake terug. Schrijf een enkel
woordje, om te zeggen dat je...«
»Ik zou liever nog geen besluit nemen, Gustaaf.«
»Nu dan... mijn paard wordt lastig, als het zoo lang staat... ik ga het
eens even afrijden... Tot straks!«
Als haar neef de kamer heeft verlaten, komt Verschuere dicht bij zijn
vrouw zitten: hij kent zijn invloed, hij weet dat ze hem niets weigert,
als hij zoo de armen heeft geslagen om haar schouders, als hij haar in
de oogen ziet met dien blik, waaraan ze leerde gehoorzamen in nederige
liefde.
»Luister nu eens, kindje. Je begrijpt toch, niet waar, dat dit een
groote eer is die je wordt aangedaan? Dat de gouverneur bewijst een
bijzonder vertrouwen in je te stellen? Dat al de dames jaloersch zullen
zijn van deze nieuwe onderscheiding? En, niet waar, kleintje, we weten
toch ook—al hou je je nu of je geheel vreemd bent gebleven aan de
gewoonten hier—je weet toch ook dat je niet kunt weigeren, nu hij het
op zoo vleiende manier vraagt?«
»Maar als het nu tegen mijn gevoel strijdt?«
»Dan doe je het toch.«
Ze maakt zich los uit zijn armen; een oogenblik later echter treedt ze
weer op hem toe om, bijna smeekend, te vragen: »Zeg zulke vreeselijke
dingen niet, Gustaaf; je maakt er me zoo bedroefd mee. Ik weet wel dat
het je geen ernst is, maar waarom je minder goed voor te doen dan je
bent?« Dan grijpt ze zijn hand en gaat voort in hoogen ernst: »Er is
één ding dat ik vrees... o, meer vrees dan iets anders op de wereld.
Maar, niet waar, lieveling, daarvoor behoef ik niet bang te zijn?... ik
zal je altijd kunnen achten?«
»Dwaas kind! Natuurlijk zul je dat.«
»Dat wist ik wel. Dat wist ik wel. Goddank!« Ze slaat de armen om zijn
hals en ziet hem aan, de groote oogen vol tranen. »Frans is je vriend
geweest, Gustaaf! je zoudt geen lage rol willen spelen jegens hem; je
zoudt niet willen dat ik me liet gebruiken om de vrouw, die hij lief
heeft, van hem afkeerig te maken? Je vindt goed, dat ik dit zeg aan
mijnheer Van Waliënhove?... Niet waar, je vindt het goed!«
»Maar mijn God, dit is krankzinnigheid!« stamelt hij en keert zich van
haar af.
Doch hij heeft haar lief in wat hij haar krankzinnigheid noemt; hij
voelt wat het zijn zou, ook voor hem zijn zou, als ze de gevreesde
ontdekking deed, als ze niet langer in hem geloofde; en wanneer ze
thans hem zachtjes dwingt haar aan te zien, roept hij:
»Ga je gang, doe het!«
Straks komt de adjudant haar antwoord halen.
»Wil je het hooren?« vraagt ze en leest:
»Excellentie!
»Het door Uwe Excellentie in mij gesteld vertrouwen maakt mij zeer
gelukkig, ik ben er trotsch op door Uwe Excellentie te zijn gekozen
om in deze dagen bij Clotilde te zijn. Gaarne wil ik tot haar gaan.
Uwe Excellentie kent mijne gevoelen omtrent den heer Van Beevelant,
niet waar? ik acht het meisje gelukkig dat zijn vrouw wordt. Dit
zal hoop ik geen bezwaar zijn?«
»Nonsens!« roept James, »hij zal je beleefd verzoeken in dat geval
stilletjes thuis te blijven. Enfin, geef maar op!«
Tien minuten later reikt hij haar het antwoord over.
»Zeer geachte mevrouw!
»Uwe gevoelens omtrent den aanstaande mijner dochter zijn ook de
mijne. De heer Van Suylichem zal alles voor de reis regelen; wil
dag en uur bepalen. Ik eindig, waarde mevrouw, met het verzoek uw
echtgenoot namens mij zoo lang verlof te verleenen als u dat zult
noodig oordeelen.«