»Het gaat in het geheel niet goed met mevrouw,« heeft dokter Bosschaert
gezegd tot den algemeenen secretaris, en de algemeene secretaris heeft
zich een oogenblik losgerukt van politieke beslommeringen, om zich zeer
ongerust te maken.
Verder beweerde dokter Bosschaert: »Mevrouw behoeft vóór alles
verstrooiing.« Buitenzorg is hier echter niet rijk aan, en daar
Verschuere binnen enkele dagen den gouverneur-generaal vergezellen
moest naar Batavia, wist hij niets beters te doen dan Agnita mede te
nemen naar de vrienden, die langzamerhand hun beste vrienden geworden
waren, de Hagens.
De vice-president en zijn vrouw waren er volstrekt de menschen niet
naar om een logée, die afleiding behoefde, deze te willen bezorgen door
menschen zien en partijen bijwonen: ze deden hun best om het haar
gezellig te maken in huis.
En wanneer de Hagens daarvoor hun best deden, hadden ze meer kans van
slagen dan de meesten; mevrouw wist allerlei prettige bezigheden, die
ze liefst met de logée verrichtte; mijnheer bracht altijd wat nieuws
mede en kon—zeldzame gave in een getrouwd man—uren lang bij de dames
zitten zonder haar of zich zelf te vervelen; Gertrude kwam elk
oogenblik in de loofhut binnenvallen als een zonnestraal, en de
gelukkige jonge echtgenoot liet zich zelden lang wachten waar zijn
vroolijk vrouwtje was. In een onbedacht oogenblik—zooals men er hebben
kan in den engagementstijd—had hij zijn talent van voorlezen verraden.
Nu werd hem geregeld een boek in de hand gestopt met de bewering, dat
de dames veel beter »opschoten« als er gelezen werd; hij las dus, en
mocht hij soms een oogenblik vertragen, dan was ’t om naar Gertrude te
kijken, die dit als een sein beschouwde om hem een kanten baatje, een
klein hemdje of rooskleurig spreitje voor te houden en met een stralend
gezicht te vragen of het niet was om te stelen?
’s Avonds zong ze, of liever ze zong den geheelen dag, maar ’s avonds
deed ze ’t bij de piano; mevrouw speelde een partij schaak met haar
schoonzoon, mijnheer accompagneerde Agnita’s spel; soms ook bleef men
praten, en onder het genot van zijn brandy-soda schilderde dan de
gastheer met de opgewektheid, die bij hem het gebrek aan geest bijna
vergoedde, het Batavia van vijf-en-twintig jaar geleden. Een enkele
maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita—vrouw en dochter
zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen—handelde hij over
kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij
hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar
wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht!
Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge
talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die
verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand
te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de
lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd
voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig
kind, dat hij in Gang Petjanongang vond, een aap teekenend op den
vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en
Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze
met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als
dierenschilderes... Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn
verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd
over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin
als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had
bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen
ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat
anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten,
misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak,
zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die
eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank,
waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar
chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als
bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat
de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen
nederzitten voor meesterstukken, om te genieten en te bewonderen.
Er was nog al iets toe noodig om den heer Hagen zijn oostersche kalmte
te doen verliezen, maar als hij dit zijn stokpaardje bereed, kon hij
zich vreeselijk boos maken; dan schold hij op de mannen van invloed en
fortuin, die niets doen tot steun van het talent, het genie wellicht,
dat toch ook in deze maatschappij niet geheel afwezig kan zijn, dan
bespotte hij de Koningin van het Oosten met haar huizen vol marmer,
haar kasten vol zilver, haar vrouwen vol juweel en, haar tafels vol
gerechten; dan bracht hij u voor zijn Verveer, zijn Mesdag, zijn Apol,
zijn Bles, en vroeg of die niet meer waard waren dan al die dikwerf
smakelooze pracht; dan kon hij u bijna smeeken, toch liever onzen
hollandschen schilders hun meesterwerken af te koopen dan Fransche
juweliers en patissiers te verrijken met het dikwerf zoo zuur verdiende
indisch goud.
»’t Is waar, we zouden zoo nu of dan een Mæcenas wel kunnen gebruiken,«
zegt Agnita eens; en voegt er dan met een zucht bij: »Men heeft hier
zooveel behoefte aan aanmoediging. We missen hier de veerkracht die een
koel klimaat geeft; we hebben veel minder den prikkel der eerzucht...
als we ten minste nog maar bezield werden door het denkbeeld dat iemand
belang stelde in ons streven...«
»Ja,« zegt mevrouw Hagen, »dat heeft me sinds ik in Indië ben getroost
over iets, dat me in Holland niet weinig hinderde, namelijk dat ik geen
talenten bezit; een vrouw van talent staat hier alleen. Als ze niet
pianospelen of in een liefhebberijcomedie optreden kan, interesseert
niemand zich voor haar andere bekwaamheden; ze durft niet spreken over
hetgeen haar vervult, ze kan anderen geen raad vragen, ze vindt geen
bevoegde beoordeelaars... vroeg of laat vallen pen of penseel haar uit
de hand.«
»En er is hier geen keizer Karel die ze voor haar opraapt.«
»Maar,« vraagt Van den Bosch, »zou het talent werkelijk zoveel behoefte
hebben aan aanmoediging? Zou het niet alles, aanmoediging, belooning,
ja zelfs een juiste waardeering vinden in zich zelf?«
»Misschien de groote talenten,« zegt Nita, »maar de kleine?... Het zal
u heel kinderachtig schijnen; maar toch verzeker ik u, dat soms, als ik
aan het schilderen ben, ik niet kan voortgaan zoolang me niet iemand
gezegd heeft dat hij ’t mooi vindt. En,« voegt ze er bij met een zucht,
»ik kan niet altijd iemand vinden om ’t me te zeggen.«
Dien avond had de heer Hagen een apartje met zijn vrouw. Hij vroeg of
hier niet een kunstenaarszieltje verkwijnde door gebrek aan sympathie?
Maar mevrouw Hagen beduidde mijnheer, wat ze hem gewoonlijk beduidde,
dat hij zich vergiste.
Neen, dit was het niet wat knaagde aan Agnita’s geluk, ’t was heel iets
anders! Gister had ze haar gevonden bij de groote naaimand, die door
zijn inhoud verried welke hoop er gekoesterd werd door de familie; ze
had haar gevonden, terwijl ze die verraderlijke artikeltjes een voor
een door de handen liet gaan, ze beschouwde, gladstreek en weer
opvouwde met het geheimzinnig voorgevoel, dat jonge vrouwen het kindje
doet zien en tasten in de kleine kleedingstukjes, lang vóór het daarin
is gestoken.
Gertrude echter, misschien ongewoon scherpziende door haar jonge
liefde, Gertrude hield vol, dat pa en ma beiden de plank missloegen.
»Hebt u dan niet opgemerkt,« vroeg ze, »hoe haar arm, bleek gezichtje
kleurt als Verschuere thuis komt? Hebt u niet gezien hoe die treurige
oogen geheel veranderen van uitdrukking, alleen door zijn
tegenwoordigheid? Hebt u niet opgemerkt hoe ze hangt aan zijn lippen,
hoe gelukkig een vriendelijk woord van hem haar maakt?«
»Er zijn veel mannen die zich laten beminnen, weinigen die liefde
hebben te geven... ’t kan zijn dat Verschuere tot de velen behoort,«
peinst mevrouw.
Juist keert Willem terug van een militaire wandeling en moet
zich—vermoeid en warm als hij is—laten omhelzen.
»Een oogenblikje om uit te blazen, Truus! Dan ben ik verder den
geheelen dag tot je dienst.«
»Weet u, wat ik wenschte, moedertje,« vraagt de jonge vrouw terwijl ze
haar man een glas ijswater brengt; »voor die arme Nita, bedoel ik...?
Dat ze met een luitenant getrouwd was. Die hebben heele dagen om lief
te zijn voor hun vrouw.«
Toch was Verschuere gedurende hun verblijf op Batavia zoo »lief voor
zijn vrouw« als de bezigheden maar eenigszins toelieten; hij keek
telkens vol bezorgdheid naar het bleek profiel, dat steeds fijner werd,
naar de grijze oogen, die in hun donkere kringen steeds grooter
schenen; hij bracht boeken en gravures mede uit de stad en nieuwe
muziek en zeldzame bloemen.
Te Buitenzorg teruggekeerd, noodigde hij de goede kennissen hen veel te
bezoeken, herinnerde hij James dat zijn couvert altijd gelegd werd, ja,
vroeg hij zelfs mevrouw Te Leurse om eens een dagje bij hen te komen
doorbrengen.
Wel had hij zich voorgenomen den omgang te verminderen met een familie,
die in den laatsten tijd zooveel van zich spreken deed, maar Agnita
moest afleiding hebben en tot afleiding was niemand zoo geschikt als de
schoone luitenantsche met haar origineele invallen, haar reciteeren van
brokstukken uit drama’s of comedie’s, haar werkelijk geestige
behaagzucht en, zeer enkele malen, haar diep gevoel.
Dokter Bosschaert kwam veertien dagen achtereen, ’s morgens en ’s
avonds. Toen volgde hij de gewoonte van indische geneesheeren—een
gewoonte die vele honderde levens heeft gered;—vóór het te laat was
raadde hij verandering van lucht aan.
Mevrouw moest naar boven.
Naar boven... In het begin, zoo lang hij daarbij nog denkt aan de
tweede verdieping, glimlacht de Hollander om die uitdrukking. Maar als
hij zijn vrienden, verkwikt naar lichaam en geest, zag terugkeeren uit
de bergen, als vrouw of kind er herstel vond van uitgeputte kracht, dan
glimlacht hij niet meer wanneer dat woord wordt genoemd, dan schijnt
het hem de sleutel tot het paradijs der verkwikking.
Naar boven... Verschuere’s ijzeren gestel bood nog altijd weerstand aan
zijn afmattenden werkkring, maar hij gevoelde in den laatsten tijd een
andere vermoeienis dan lichamelijke; hij snakte naar rust, naar
vrijheid; hij smachtte er naar om eens, ware het voor nog zoo kort, toe
te behooren aan zich zelf. Of meer nog aan Agnita, arm kind, dat zich
maar niet kon gewennen aan het denkbeeld—waaraan het trouwens verbazend
moeilijk schijnt jonge vrouwen te gewennen—dat het huwelijk niet een
samen leven en samen genieten kan zijn, maar een, ieder voor zich,
najagen van geheel afzonderlijke doeleinden.
Hij denkt er niet aan, dat er een crisis op handen is; dat dezer dagen
de begrooting wordt ingediend en de partij, door minister en
gouverneur-generaal zoo warm aangehangen, gevaar loopt een nederlaag te
lijden; hij stelt zich niets anders voor, dan hoe ze het verrukt
gezichtje naar hem zou opheffen, als hij haar zeggen kon dat ze naar
boven ging met hem.
Maar met de wilskracht, die hem gemaakt heeft tot wat hij is, schudt
hij zich wakker uit den schoonen droom en antwoordt op Bosschaert’s
vraag: »U gaat natuurlijk mede?« »Onmogelijk.«
De hofarts echter barst nu los in den ruwen toon die hem, volgens
velen, ongeschikt maakt voor zijn tegenwoordig ambt. »U weet, ik houd
niet van halve maatregelen; als u niet mee kunt gaan dient het nergens
toe mevrouw weg te zenden. Goeden morgen.«
En eer nog Verschuere heeft kunnen antwoorden is hij in zijn coupé
gestapt en weggereden naar het paleis, waar eene der bijkokkies zich in
den vinger heeft gesneden, reden voor mevrouw Van Waliënhove om te
eischen dat hij tweemaal daags naar den toestand van dien vinger zal
komen zien: hij wordt er immers voor betaald!