Langen, langen tijd nadat de deur zich sloot achter den gouverneur,
blijft de heer Van Waliënhove onbewegelijk zitten, de handen tegen het
voorhoofd gedrukt, de oogen gevestigd op één punt. Maar als hij daar
zoo onbewegelijk zitten blijft, dan is dit niet om het raadsel op te
lossen hem een uur geleden voorgelegd, hij heeft de oplossing van het
raadsel gevonden. Dit bewijst het woord dat hem telkens wederop de
lippen komt: »Clotilde!«
Wanneer hij eindelijk oprijst, is het om zich naar haar vertrek te
begeven en zacht te kloppen aan haar deur.
»Zijt u het, papa? Kom binnen!« en ze verschijnt op den drempel harer
zitkamer met een vriendelijk lachje om de lippen. Maar hij merkt op,
dat terwijl de mond lacht de oogen rood zijn van pas vergoten tranen.
»Ik zag geen licht, ik vreesde dat je reeds naar bed zoudt zijn.«
»Dat zou ik zeker... wanneer het een regenachtige avond geweest was,
maar als het maantje me zoo aankijkt en de sterren me zoo vertrouwelijk
toeknikken, dan kan ik er niet toe komen ze buiten te sluiten. ’t Geeft
me zoo’n gevoel alsof lieve vrienden me wilden bezoeken en ik ze de
deur voor den neus dicht deed.«
Al sprekend heeft ze met een vlugge beweging, de inlandsche vrouwen
afgezien, het loshangend haar opgenomen en in een wrong tegen het
achterhoofd gelegd; nu haalt ze een doekje en slaat dat over het dun
wit négligé; ze weet waarvoor hij kwam; ze maken dikwerf van die kleine
uitstapjes samen, des avonds, als de booze oogen gesloten zijn.
Hand aan hand, een paar ondeugende kinderen gelijk, bang om betrapt te
worden, sluipen ze het huis uit.
»Dat hebben we er goed afgebracht!« fluistert Clotilde, als ze buiten
de schaduwen van het dicht geboomte zijn gekomen; en terwijl ze haar
arm door den zijnen steekt, gaat ze voort met de zenuwachtige drukte
van iemand, die de aandacht op alles liever vestigen wil dan op zich
zelve.
»Nu zal ik u eens iets moois laten zien, iets heel bijzonders, ten
minste de botanici zijn er over in verrukking en Annet Paerel beweert,
dat haar man er vrouw en kind voor vergeet: een palmboom die bloeit!«
»Is dat zoo iets buitengewoons? Nu, goed, ik wil er graag heengaan,
maar je moet wat minder hard loopen.«
De maan stond nu hoog aan den hemel en overgoot met zijn licht den
palmentuin; de slanke stammen hoog en trotsch, de onbewogen bladeren
sterk afgeteekend tegen den azuren achtergrond, in zijn koninklijke
rust, in zijn plechtig stilzwijgen niet zoo liefelijk wellicht als
menig ander plekje in Bogor’s lusthof, maar van verhevener schoonheid
dan eenig ander. Vader en dochter vergeten een oogenblik de gedachten
die hen bezig hielden, als ze rondom zich zien; weldra rust hun
verrukte blik op het ongewoon verschijnsel: onder al die gekroonde
hoofden één, wiens diadeem met bloemen is getooid.
En welke bloemen! Een fontein van wit en rose, opgolvend uit het
bladerdak, trillend en suizelend in de avondkoelte, stoeiend met
stargeflonker en maanlichtglans, zwevend boven de donkere kruin, gelijk
de sluier der andalusische boven het zwartgelokte hoofd.
»Als de boom heeft uitgebloeid sterft ze,« spreekt Clotilde zacht.
»Arme boom!«
»Neen, Papa, zeg dat niet!« roept het meisje. En dan, met een
hartstochtelijke trilling in haar stem: »Zou ze niet nog veel meer te
beklagen zijn, als ze nog voort moest leven wanneer ze heeft
uitgebloeid? Niet waar, het zou de moeite niet loonen? Wij menschen
moeten altijd voort, ook al dragen we geen enkel bloempje meer in hoofd
of hart, maar een palmboom is gelukkig... die mag sterven!«
»Clotilde!... lieveling!« roept de heer Van Waliënhove ontsteld, en als
hij haar in het gelaat heeft gezien, vraagt hij zich af, wat duizende
vaders voor hem zich hebben afgevraagd en duizende na hem zich zullen
afvragen: »Hoe kon ik zoo blind wezen?«
»Kijk me niet zoo verschrikt aan, papa, dan heb ik berouw over mijn
onvoorzichtige woorden. En toch... ik kan niet langer veinzen... ik kan
geen vroolijk gezicht meer toonen. Ja, u hebt het reeds ontdekt, niet
waar? ik had daar straks zitten schreien... O pa, ik ben het zoo moê...
telkens weer die nieuwe pretendenten, altijd door vervolgd te worden
met huwelijksplannen! Ik kan het niet langer aanhooren, ik heb het mama
ronduit gezegd.«
»Dat is goed, kind.«
»Neen, het was niet goed. Want mama heeft woorden gesproken... o God!«
En met een plotselinge beweging van droefheid en schaamte werpt ze zich
aan zijn borst. Dan snikt ze: »U zult me toch niet dwingen! Ik mag bij
u blijven, niet waar? Zeg vadertje, ik ben u geen doorn in het oog,
zooals haar? U wilt me niet kwijt zijn tot elken prijs, zooals zij? U
vindt niet dat het tijd wordt, hoog tijd? Zeg papa?«
»Behoef je dat te vragen? Je bent vrij, Clotilde, vrij om bij me te
blijven, vrij om een echtgenoot te kiezen.«
»Ik wil geen echtgenoot kiezen.«
»Geen echtgenoot?« herhaalt de heer Van Waliënhove. »Natuurlijk, ik
begrijp je... niet een zooals sommige van de jongelui, die je het hof
maakten; niet een zooals nu de laatste protégé van je mama, maar... een
echtgenoot, die beantwoordt aan...«
»Neen papa, ook niet een die beantwoordt aan mijn ideaal. Ik houd vol,
wat ik gister aan mama heb gezegd: ik trouw niet! Of neen, ik druk me
niet goed uit. Ik zou het heel naar vinden om als oude jongejuffrouw te
sterven. Wanneer mama me nu maar een tijdlang met rust wou laten,
wanneer ze mij nu maar niet forceerde, dan zou ik later—als ik wat
ouder ben en verstandiger—dan zou ik later een huwelijk doen, waarover
ze tevreden kon zijn.«
»Een huwelijk uit berekening?... Nooit!«
»Zeg dat niet, papa! Ik zal een mooie positie trouwen en een adellijken
titel en—veel geld!«
»Stil, Clotilde! Ik mag dit niet aanhooren. Het smart me, als de
dochter van je moeder zoo spreekt. Maar kind, het was je geen ernst,
niet waar? O, ik begrijp wat het is: ze zijn bij je gekomen, die
vrouwen van de wereld, die lage prediksters van het proza; ze hebben je
gezegd dat bij een verstandig meisje die »overdreven voorstellingen«
van liefde en huwelijksgeluk langzamerhand moeten wijken voor de
werkelijkheid en dat die werkelijkheid met poëzie niets heeft uit te
staan. Geloof ze niet, kind, ’t is alles leugen, ’t is alles laster!
Och lieve, kon je moeder op dit oogenblik tot je komen en je zeggen,
wat de liefde geweest is in haar leven! Ik zie haar met dat stralend
gezichtje me welkom heeten, me naar binnen leiden in onze kleine
woning, met een trots alsof het een paleis ware geweest; ik hoor nog
haar vroolijk snappen, haar kwinkeleeren als een vogeltje even blij en
onbezorgd! Ach, ze heeft wèl genoten, al mocht het maar kort zijn! Hoe
zalig was dat lachje, waarmee ze ’s avonds insliep aan mijn borst,
alsof niet ik het was geweest die den nachtkus drukte op haar lippen,
maar een halfgod, een engel. En wat was dat een geluk, toen je geboren
zoudt worden! Wat heeft ze dikwerf gezegd: »Ik hoop maar dat het een
meisje zijn zal!« En als ik vroeg waarom het geen zoon mocht wezen, dan
heette het: »Mannen hebben zooveel noodig om gelukkig te zijn. Een
vrouw behoeft niets dan liefde en die zullen we haar geven.«
»Arme, lieve moeder... ach, waarom mocht ik haar niet behouden!«
Luider dan de avondkoelte stijgen de zuchten omhoog van deze twee
menschenkinderen onder den bloeienden palmboom.
»Die wensch van uwe moeder is me heilig, Clotilde!... Ik wil u vóór
alles gelukkig zien, gelukkig door het hoogste wat ouders kunnen
begeeren voor hun kind.«
Tot eenig antwoord wijst Clotilde op den palmboom, met bloemen gesierd,
te midden harer zusteren.
»Niet voor ieder is het hoogste weggelegd, papa!«
»Niet voor ieder, neen. Maar als er één jong hartje is, dat de toekomst
blij mag tegenkloppen, dan is het dat van mijn dochter.«
»Ja, dat zou men zoo meenen,« fluistert ze meer tot de sterren boven
haar, dan tot hem, die in de grootste spanning ieder woord opvangt van
haar lippen.
»Clotilde, luister. Ik heb je kinderjaren niet onbezorgd kunnen maken;
ik heb je bij vreemden moeten achterlaten en ik weet wat je geleden
hebt onder die scheiding; ik heb je bij je terugkeer geen gelukkig
thuis kunnen bezorgen—maar één voorrecht laat ik me niet ontnemen: je
met al wat achter je ligt te verzoenen door de toekomst.«
»En als dat eens niet in uwe macht stond, papa?«
»Als dat niet in mijn macht stond? ’t Is waar, ik vraag veel: een hart,
dat het hart van mijn lieveling kan begrijpen. Maar ik ben zeker, dat
we het vinden zullen.«
»Laat ons er niet naar zoeken, papa. We zullen toch moeten eindigen met
te doen als de rest en naar een goede partij uitzien.«
»Foei, Clotilde. Spreek niet zoo tegen uw gevoel. Ik weet, weinig jonge
meisjes vermoeden wat de liefde maken kan van de aarde; ik weet,
menigeen sluit het boek des levens zonder de eenige bladzij te hebben
gelezen, waard om gelezen te worden; ik weet, als er een troepje
kinderen uitgaat om bloemen te plukken, dan zijn de meesten tevreden
met de meizoentjes en klaprozen, die aan den slootkant groeien: een
enkele slechts zal den berg beklimmen om de groote witte bloemkelk te
zoeken, waarvan ze gedroomd heeft. Maar ons kind, niet waar, Clotilde,
ons kind kan niet tevreden zijn met de klaprozen die men plukt aan den
weg?«
»Papa... als men de witte bloem gezocht heeft boven op den top van den
berg en men is teruggekeerd met ledige handen?«...
Zacht slaat hij den arm om haar heen, vertrouwelijk vlijt ze het hoofd
aan zijn borst. Dan kust hij haar op de roodgeweende oogen tot zij ze
sluit, gesust door zooveel teederheid en fluistert, zooals een moeder
fluisteren zou in deze ure: »Je hebt de witte bloem gevonden,
Clotilde.«
Een oogenblik blijft ze liggen, stil als een kind dat droomt en vreest
te ontwaken, omdat de droom zoo heerlijk is; dan heft ze zich langzaam
op en staart haar vader in het gelaat.
»Neen, papa, u vergist zich. ’t Is waar, ik heb aanbidders; er zijn er
zelfs onder, geloof ik, die van me houden; maar de eenige dien ik zou
kunnen liefhebben denkt niet aan mij!«
»Dwaas kindje, weet je dat zoo zeker?«
»Helaas! ik wou dat ik het minder zeker wist! Gelooft u me niet...? Nu
dan: hij voelt niets voor me. Ik ben hem totaal onverschillig! Hij
ontwijkt me! Hij wil zelfs niet door me vertroost worden als hij in
droefheid is!«
»Spreekt niet zoo hard, lieve!«
»Als u alles wist, papa, als u alles wist, dan zoudt u zeggen dat ik
niet langer twijfelen mag; dat ik meer gedaan heb dan ik mocht doen!
Maar ik wist niet wat me dreef! Ik kende mijn eigen hart niet! Ik dacht
dat het medelijden was met zijn smart, met zijn verlatenheid; ik dacht,
dat ik voor hem opkwam, zooals ik dat doe voor ieder die miskend wordt
en beleedigd... Hij heeft me van zich gestooten, papa! hij gaat me uit
den weg! hij ziet me zelfs niet aan!«
»Omdat hij je liefheeft, Clotilde! Omdat hij mijn vertrouwen niet wilde
misbruiken om het hart te stelen van mijn dochter. Omdat hij weet dat
je bestemd waart hooger prijs te halen op de huwelijksmarkt dan hij
voor je besteden kan. Omdat hij den trots heeft van een eerlijk man,
die de hand niet wil uitstrekken naar hetgeen anderen, meer
bevoorrechten, toekomt!«
»Papa! O, is het waar?«
»Ja, mijn arme lieveling, het is waar. Hij heeft me daar straks zijn
ontslag gevraagd. Toen heb ik alles begrepen. Toen wist ik, dat ik
blind was geweest en doof, en dat twee jonge harten veel geleden
hadden.«
En als ze snikkend in zijn armen ligt, vraagt hij zacht: »Mijn arm
kind, waarom heb je me niet meegenomen toen je den tocht ging doen om
de witte bloem te zoeken?«
Maar weldra zijn de tranen gedroogd. En de bloemfontein in den palmboom
wuift en strooit hare witte bloesems op het bruingelokte hoofd, als
wilde ze het reeds met den bruidskrans sieren en de maan ziet
glimlachend neer op het schouwspel, dat haar verzoenen moet—en altijd
weer verzoenen kan—met al het stuitende en treurige der aarde: het
schouwspel van een meisjesgelaat, naar haar opgeheven in de zalige
verrukking der eerste liefde!