INTRIGANTEN AAN ’T WERK.

Wanneer mevrouw Van Waliënhove gezegd kan worden met één Buitenzorger

op intiemen voet te verkeeren, dan is dit met den algemeenen

secretaris.

Niet dat ze hem werkelijk genegen is, niet dat ze zich eenige illusie

maakt omtrent de vriendschappelijkheid zijner gevoelens jegens haar,

maar ze weet volkomen wat ze aan hem heeft—en dit is noodig, wil ze

haar vertrouwen schenken.

’t Gebeurt somwijlen dat de heer Verschuere, na een bezoek bij Zijne

Excellentie, een uitnoodiging ontvangt om tot háár te komen; het

verschil van duur der visites aan mijnheer en mevrouw zou aanleiding

kunnen geven tot de vooronderstelling dat het afdoen van

regeeringszaken vlugger gaat dan dat van partikuliere belangen.

Kort na zijn terugkomst van Batavia, waar de gouverneur-generaal met

gevolg een tiental dagen doorbracht, wacht hem een boodschap in de

vestibule; reeds wil hij mevrouws kamenier volgen naar het zitvertrek,

dat ’s morgens beurtelings als kantoor, als gerechtszaal en als

ontvangkamer dienst doet, wanneer deze, met de onbescheidenheid

dienstbaren juffertjes eigen, opmerkt:

»Pardon, mijnheer! In het boudoir... ’t is confidentieel.«

Hoe ongepast ook, haar waarschuwing blijkt gegrond; ’t is

confidentieel, dat ziet hij bij den eersten oogopslag.

De barones—een geheel andere echter dan die bij het groote publiek

bekend—ontvangt hem bleek en zenuwachtig, achteloos gekleed, het altijd

zoo zorgvuldig gekapt haar opgenomen in een lossen wrong.

»Goddank dat u gekomen zijt, mijnheer Verschuere,« en ze drukt hem de

hand, »Goddank!«

»Te veel eer, mevrouw, waarlijk te veel eer!« zegt Verschuere uiterst

hoffelijk, maar daarom niet minder voornemens op zijn hoede te zijn;

het optreden zijner vriendin doet hem aan comedie denken.

»Uw conferentie is afgeloopen? En u hebt een oogenblikje voor mij?«

»Uren, mevrouw.«

Nu gaat ze eerst naar de eene deur, dan naar de andere, overtuigt zich

dat ze niet beluisterd worden en neemt dan plaats dicht naast den

bezoeker om zachter te kunnen spreken.

Ik geloof dat ik moet oppassen, denkt deze: iets meer dan gewoonlijk

zelfs.

»O mijnheer Verschuere,« roept nu mevrouw Van Waliënhove, blijkbaar

afgemat van overspanning neerzinkend in haar fauteuil, »ik weet het

reeds, u zult mij zeer onpolitiek vinden. Als ik u zeg wat ik te zeggen

heb, zult u zich verbazen over zooveel onvoorzichtigheid, aan een derde

te vertellen wat geheim moet blijven: maar... ik ben ten einde raad!«

Die bekentenis van die lippen verbaast hem, ontwapent hem min of meer.

»Mevrouw!« vraagt hij lachend, »u niet politiek? u niet voorzichtig?«

En dan nog ongelooviger: »U ten einde raad?!«

»Ja, ten einde raad. Ik weet niet wat te doen. Den eenen nacht na den

anderen breng ik slapeloos door, zonder een uitweg te vinden. En toch,

die uitweg moet gevonden. Want ofschoon het een familiezaak geldt...

een zeer kiesche...« ze aarzelt en brengt haar waaier in beweging en

drinkt een teug uit het glas ijswater voor haar.

»Ik kan u niet zeggen hoe u mij vereert door uw vertrouwen,« begint

Verschuere langzaam en als woog hij de beteekenis van elk woord vóór

hij het uitsprak; »maar wanneer het een familiezaak geldt, is het dan

wel geraden mij er in te mengen?«

»Ik moet. Ik kan niet anders!«

»Ik waag het, mevrouw, u te herinneren aan het fransche spreekwoord: Il

faut laver...«

»Ja, ik weet wel... ik weet wel!...«

»Ik ben een vreemde.«

»Een vreemde.... ja. Maar zijn het niet allen eenmaal vreemden geweest,

die we later tot onze vrienden maakten?«

Het was onmogelijk zich niet gevleid te gevoelen.

»Mevrouw,« zegt Verschuere met een lichte hoofdbuiging, »ik ben geheel

tot uw dienst.«

»Dank u. Ik mag dus op u rekenen? Mijnheer Verschuere, ik zal nooit

vergeten... dat u me uit deze moeilijkheid redden wilt;« en ze reikt

hem de hand en brengt met de andere den zakdoek aan de oogen. »O, ik

wist wel,« gaat ze voort, »dat als ik iemand bereid zou vinden om ons

een groot verdriet te besparen, u het zijn zoudt.«

Niettegenstaande deze verzekering is mevrouw Van Waliënhove nog verre

van gerust: ze weet het, ze speelt een hoog spel; één niet genoegzaam

beheerschte trek in haar gelaat, één onvoorzichtig woord zou voldoende

zijn om in den man tegenover haar den koel berekenenden tegenstander te

doen ontwaken.

Dus, in plaats van recht op haar doel af te gaan, neemt ze een kleinen

zijweg. Ze weet het, hij hangt met hart en ziel aan haar echtgenoot: ze

weet, hij is een bewonderend vereerder van den man, die in zoo ongewone

mate het geheim bezit om te verzoenen met zijn hooge betrekking.

»Ik zou zoozeer wenschen,« begint ze, »dat juist in deze dagen de

gouverneur-generaal niet behoefde te worden lastig gevallen met

huiselijk verdriet. Hij heeft zonder dat onaangenaams genoeg. U weet

het, de voorstellen door zekere partij in de Tweede Kamer gedaan, zijn

hem een doorn in het oog, het drijven dier partij verontrust hem...«

»En geen wonder!«

»Wat hem misschien meer leed doet dan hij wel zou willen bekennen, ’t

is dat uw oom zich sedert kort geschaard heeft aan de zijde dier

drijvers. Hij zou zoo gaarne blijven vasthouden aan het denkbeeld dat

vriendschap en goede trouw bestaanbaar zijn met staatkundig leven. Ik

vrees echter dat de minister van koloniën hem spoedig genezen zal van

zijn illusie.«

»Dwalen we niet een weinig van ons onderwerp af?« vraagt de algemeene

secretaris, die het dezer dagen niet aangenaam vindt om over de door

zijn oom gehuldigde politiek te moeten spreken.

»Misschien. Men zegt dat het een zwak is van ons dames, nooit voet bij

stuk te houden. Maar op één punt zijn wij het toch reeds eens geworden.

’t Is dat Zijne Excellentie niet geplaagd mag worden met familiezaken.«

»Neen, zeker niet... maar wat is de quaestie, mevrouw?«

»De quaestie is deze,« spreekt mevrouw van Waliënhove, terwijl zij de

scherpe, zwarte oogen vast op haar vertrouwde vestigt, »de quaestie is

deze: Clotilde heeft een ongeoorloofden minnehandel aangeknoopt met...

den gouverneur.«

De verachting, waarmee ze dat woord uitspreekt, maakt haar weder geheel

tot de barones, die het groote publiek kent.

»Onmogelijk!«

»Onmogelijk, zegt u?«

»Vergeef me, mevrouw, maar tot zoo iets is Van Beevelant niet in staat.

Daarvoor is hij te veel fatsoenlijk man.«

»Fatsoenlijk man! Hij!«

»Ik meen hem wel een weinig te kennen.«

»Misschien dat hij fatsoenlijk is zooals alle mannen fatsoenlijk

zijn—tot er een vrouw in ’t spel komt.«

»En freule Clotilde zou het meisje zijn om hem te brengen tot... hier

moet een vergissing plaats hebben!«

»Ik vergis me zelden, mijnheer Verschuere.«

»De uitzondering bevestigt den regel, mevrouw Van Waliënhove.«

Het blijft een oogenblik stil in het boudoir. Dan schijnt een der beide

partijen een plotseling besluit te nemen.

»Ik zie het al weer,« roept mevrouw Van Waliënhove, »men kan zijn

vertrouwen niet ten halve schenken. Daarom een bekentenis die, wanneer

de toestand haar niet zoo dringend eischte, nooit over mijn lippen zou

zijn gekomen. U hebt u soms verbaasd,« gaat ze voort, terwijl ze de

uitwerking van elk woord op zijn gelaat bespiedt, »u hebt u soms

verbaasd over mijn gestrengheid tegen Clotilde?«

»Ja... soms wel.«

»Uw vrouw—en velen met haar—hebben hun bevreemding te kennen gegeven

over het feit, dat wij besluiten konden haar in Europa achter te laten.

Wij beproefden nooit ons daaromtrent te verantwoorden. Maar, mijnheer

Verschuere, u zijt te scherpziende om niet te begrijpen dat we daarvoor

andere redenen hadden dan alleen den wensch Clotilde’s opvoeding in

Duitschland te acheveeren.«

»Ik erken dat ik wel eens naar een andere reden gezocht heb.«

»En die reden lag voor de hand, niet waar? de jaloezie der

stiefmoeder!«

»O mevrouw!«

»Brisons la-dessus. Er is iets anders. Clotilde heeft dien tijd

doorgebracht op een instituut, bekend om de afzondering, waarin de

meisjes daar gehouden worden, bekend om de ultra-orthodoxe ideeën die

daar heerschen... Dat kon toch in de jaloezie der stiefmoeder geen

reden vinden?«

»Neen zeker niet,—al zou men aan die jaloezie gelooven,« voegt hij er

haastig bij, meer beleefd dan oprecht.

»De wereld,« gaat mevrouw voort, nog steeds in de rol der beleedigde

onschuld, »de wereld heeft mij veroordeeld, omdat ik wenschte mijn

dochter getrouwd te zien. Neen, ontken het niet! Clotilde’s

tegenwoordig gedrag rechtvaardigt mij genoeg, maar zooals gewoonlijk

oordeelde de wereld voorbarig... Ik spreek het niet tegen... ik zag

haar gaarne spoedig getrouwd.... mijnheer Verschuere; er zijn jonge

meisjes voor wie een vroegtijdig huwelijk gewenscht is... Het spijt me

te moeten bekennen dat mijn dochter tot die soort van meisjes behoort.«

Een oogenblik begint de barones te vreezen dat ze te ver gegaan is.

Verschuere ziet haar aan met ongeloovigen blik en zwijgt.

»U twijfelt?«

»Neen, mevrouw. Als u het zegt moet het natuurlijk waar zijn. Ik sta

alleen verbaasd over mijn weinig doorzicht. Ik toch heb freule Clotilde

altijd beschouwd als een jonge dame naar lichaam en geest volkomen

gezond.«

»Ja, dat verwondert me ook van u,« zegt de stiefmoeder volstrekt niet

uit het veld geslagen. »U ziet anders zoo scherp. Maar begrijp mij wel.

Clotilde weet zich volkomen te beheerschen, ze toont op dit punt—als op

meer andere—een buitengewone wilskracht. Daarom—ofschoon deze richting

van haar karakter ons veel zorg heeft gebaard—maken we er haar

geenszins een verwijt van: men kan de natuur leiden, niet dwingen, en

misschien is het een erfdeel harer moeder... dat moet een ziekelijk,

geëxalteerd schepseltje geweest zijn.«

»Ja...a?« vraagt de algemeene secretaris met tergende verbazing.

»Ja wist u dat niet? Enfin, het is ook zoo lang vóór uw tijd geweest.

Maar om tot Clotilde terug te keeren, er is een paar jaar geleden een

historietje gebeurd met een student... een neef van ons... Enfin, u

spaart me de bijzonderheden?«

»Pardon, mevrouw. Als het niet te veel van u gevergd was, zou ik ze

gaarne hooren.«

Daarop heeft ze niet gerekend. Toen ze daareven den neef fingeerde, in

een wanhopende poging om Verschuere te overtuigen, toen dacht ze dat

hij te veel man van de wereld was om, waar zij iets verzwijgen wilde,

haar tot spreken te dwingen.

Maar ze aarzelt niet, en herneemt dadelijk met een kalmte, dubbel

bewonderenswaardig omdat ze onder dien doordringenden blik elk woord

moet verzinnen vóór ze het uitspreekt: »Ik zie dat wij, vrouwen, niet

de eenige nieuwsgierigen zijn. Maar u moet uw verwachtingen niet te

hoog spannen; het geval was niet shocking, alleen romanesk. Niets

anders dan een mooie jongen die, bij gelegenheid van een bal masqué,

een ridderkostuum droeg; een meisjeshart, dat, met vacantie thuis van

een strenge school, niet veel noodig had om in vuur en vlam te geraken;

een paar rendezvous, een plan om samen te ontvluchten... Maar gelukkig

werd de correspondentie onderschept en de schaakpartij verhinderd.«

»Zoo?«

»Ze haat hem op dit oogenblik! O, ze zal hem doen boeten voor zijn

ongeloovigheid! De gelegenheid kan komen dat ze hem op hare beurt in de

engte zal drijven... als ze hem niet meer noodig heeft.«

»Waarom vertelt u mij dit, mevrouw? Om me te bewijzen dat Van Beevelant

een gemakkelijke overwinning behaald heeft?«

»Neen, om u voor te bereiden op hetgeen ik nog zeggen moet. Om enkele

feiten verklaarbaar te maken. U gelooft, niettegenstaande al wat ik u

gezegd heb, aan de fatsoenlijkheid van uw vriend, aan de onschuld van

Clotilde... Welnu!«

Mevrouw heeft, terwijl ze sprak, de cassette geopend, die voor haar

staat. Ze neemt bij dat triumfeerend »Welnu« er een briefje uit en

reikt het Verschuere toe.

De algemeene secretaris leest:

»Mevrouw Van Waliënhove om negen uur uitgereden; de freule kon niet mee

gaan: had het te druk met pianostudie. Dadelijk na mevrouws vertrek

zijn O. en F. naar buiten gezonden. Gingen cricketten op het gazon

achter het huis. De freule is toen naar de schoolkamer gegaan. Bleef

daar langer dan een uur te zamen met Van B. Deuren waren gesloten.«

Verschuere moet het biljet tweemaal lezen; dan geeft hij het terug

zonder een woord te spreken.

»En is...« vraagt hij eindelijk een weinig hersteld van zijn pijnlijke

verbazing, »is deze spion te vertrouwen?«

»Waarom noemt u hem een spion? Kan het niet even goed iemand zijn, wien

de eer van ons huis ter harte gaat?«

»Laat ons dit een oogenblik aannemen.—Mag men op zijn getuigenis

afgaan?«

»Denkt u, mijnheer, dat ik alleen op zijn getuigenis—hoe betrouwbaar

overigens ook—een zoo zware beschuldiging zou herhalen. Neen, daarvoor

is de zaak te ernstig! Ik heb Felix ondervraagd en mijn kamenier...

Helaas, het is de waarheid...«

»Maar mijn God!« roept Verschuere, terwijl hij het briefje weer opneemt

en voor de derde maal leest, »mijn God! ’t is ongeloofelijk. De freule

was met hem alleen, zegt u?«

»Ja.«

Ze weet dat het bezoek in de schoolkamer zou zijn opgehelderd, zoo dit

schrijven een datum droeg en Verschuere had kunnen nagaan, dat ze

derwaarts ging om te troosten; daarom heeft ze den datum afgescheurd.

Ze weet dat het een grove leugen is, dit »ja«. Maar ze spreekt het

daarom niet minder vast uit.

»Wilt u nog meer hooren?« En zonder zijn antwoord af te wachten, reikt

ze hem een tweede blad papier toe, beschreven met dezelfde verdraaide

hand.

»Freule eigenhandig bouquet gemaakt van witte rozen. Door Oscar

laten bezorgen op de kamer van den gouverneur.«

»En hier is er nog een.«

»Van Beevelant heden morgen gaan wandelen met Oscar. Quasi

toevallige ontmoeting in het park tusschen hen en de freule, die

met Felix was uitgegaan. Handdrukken. Zacht gefluister. Op een bank

achter het bamboeboschje beschouwing van een portret, dat bij mijn

nadering werd weggestopt. Oscar en Felix vooruitgezonden. Volgden

langzaam. Zochten eenzame wegen.«

»Ja, wat dat laatste betreft, het zou moeilijk gaan in het park drukke

wegen te zoeken!« zegt Gustaaf, en intusschen vraagt hij zich af, wie

het zijn mag, wie hen zoo laag kan bespied hebben. ’t Is geen bediende.

Dan zou hij spreken van jonker Oscar en mijnheer Van Beevelant. Wie kan

het zijn, die ellendeling?

Mevrouw stoort hem.

»Kent u dit?« vraagt ze, ter nauwernood in staat de vreugde te

beheerschen, die haar bezielt nu ze hem geheel geslagen ziet.

»Freule Clotilde!« roept hij en neemt haar de crayonteekening uit de

handen. »Freule Clotilde geïdealiseerd! Ernstiger! mooier! Maar toch,

hoe sprekend gelijkend!« En hij vergeet een oogenblik, bij de

beschouwing van het bekoorlijk gelaat, dat die teekening niet hem werd

getoond om hem in de gelegenheid te stellen Clotilde’s schoonheid te

bewonderen.

»Mijnheer Van Beevelant heeft er zijn naam niet onder gezet,« zegt de

barones snijdend. »Maar mocht u twijfelen of iemand anders dan een

minnaar, van Clotilde’s gezicht een madonnakopje maken kon, zie dan

maar eens op de achterzijde.«

Und was du ewig

liebst, ist ewig dein!

leest van Beevelant’s vriend.

»Twijfelt u nu nog?« vraagt mevrouw Van Waliënhove met goed geveinsde

droefheid. »Verwondert het u nu nog dat ik radeloos ben?... dat ik uw

hulp inroep om een einde te maken aan dien toestand; om ons huis te

bewaren voor schande en bespotting?«

En als hij, eindelijk overtuigd, het hoofd schudt, gaat ze voort:

»Ik moest kalmer zijn... ik moest flinker optreden... Denk niet,

mijnheer Verschuere, dat deze slag mij onverwacht treft. Ik heb het van

het eerste oogenblik af geweten dat dit komen zou, tenzij een ander hem

voor was bij Clotilde! Ik heb het als bij ingeving geraden, wat het

doel was van zijn verblijf in ons huis. O, ik heb hem dadelijk

doorzien! Iedereen verwonderde zich dat hij zijn vooruitzichten in

Holland had opgegeven, om hier gouverneurtje te komen spelen. Ik niet.

Paris vaut bien une messe. Een paar jaar die betrekking vervuld en dan

terugkeeren als de schoonzoon van baron Van Waliënhove! Hij kende

Clotilde, hij wist dat ze zich geroepen acht op te komen voor de

verdrukte onschuld, hij wist dat, met zijn uiterlijk, de verdrukte

onschuld meer dan ooit op haar bescherming kon rekenen.«

»Maar vindt u dat hij als zoodanig optrad? Hij heeft zich bij ons nooit

beklaagd. Integendeel, hij roemde zijn positie, zijn werkkring, zijn

vlugge, pittige leerlingen vooral.«

»Natuurlijk! Bij u! Daar was ook niets te winnen met zijn

martelaars-air. Maar hier was het goud waard! Hier was het de weg tot

Clotilde’s hart.«

»Misschien zou het van uwe zijde politiek geweest zijn, zoo u hem niet

in de gelegenheid had gesteld als martelaar te poseeren?«

»Ja, dat zou het!« zegt ze met spijtigen toorn. »Ik heb dit later ook

bedacht. Dat zou het. Maar gedane zaken nemen geen keer.«

»Ik wenschte,« begint Verschuere na een lange pauze, »nog even terug te

komen op een woord door u in het begin van ons onderhoud gebruikt. U

spraakt toen van een ongeoorloofden minnehandel. Alles wat u mij tot nu

toe verteld hebt, bewijst wel dat Clotilde den heer Van Beevelant

genegen is, maar—niet waar? men kan bouquetten maken voor een jong

mensch, men kan hem op de wandeling gaarne ontmoeten...«

»Hem opzoeken in de leerkamer?«

»Ja, zelfs toevallig in de leerkamer komen, zonder daarom juist een

ongeoorloofden minnehandel te hebben. Ik erken, het portret van

Clotilde, zóó geïdealiseerd, met dat onderschrift, bewijst dat Van

Beevelant op haar verliefd is. Maar heeft hij haar van zijn liefde

gesproken? Zijn ze tot een verklaring gekomen? Daarvan kreeg ik nog

geen zekerheid. En—om u de waarheid te zeggen—ik betwijfel het. Frans

van Beevelant is iemand, om jaren lang in stilte te kunnen droom en en

dwepen.«

Haastig slaat ze den blik neer: hij mocht eens verraden wat er in haar

omgaat. Ha! waarom kon ze ook geen ander werktuig vinden? Waarom heeft

ze juist hem noodig, hem, met zijn nuchter, scherp verstand, hem, wien

ze niets wijs kan maken.

»Hoe dwingt u mij toch zoo om alles te zeggen?« vraagt ze zacht,

treurig bijna.

»Omdat het mijn vriend is, mevrouw, wien dit gesprek geldt.«

»Nu dan. Ze zijn het zamen geheel eens.«

»En het bewijs?«

»Is—dat ze gister gezien is in zijn armen... op de canapé... in de

muziekzaal.«

»U zegt: ze zijn gezien. Mag ik vragen door wie?«

Mevrouw Van Waliënhove blijft het antwoord schuldig. Neen, ze durft

niet meer wagen! Het spel, dat ze speelt, wordt al te gevaarlijk met

dien geduchten tegenstander. Maar als zij den spottenden blik ontmoet,

waarmee hij op haar antwoord wacht, dan vergeet zij alle

voorzichtigheid om hem die overwinning niet te gunnen en roept: »Ik heb

ze gezien! Ik zelf!«

»U zijt zeker tusschenbeide gekomen?«

»Het spijt mij,« spreekt ze, nu weder geheel zich zelve, »dat u me

niets schijnt te kunnen sparen. Neen, ik ben niet tusschenbeide

gekomen, ik moet vóór alles éclat vermijden. En nu hoop ik, mijnheer

Verschuere, dat u eindelijk tevreden zijt met mijne inlichtingen. Dit

onderwerp is mij zeer pijnlijk; me dunkt u weet genoeg om, als het u

waarlijk ernst is geweest met uw belofte, nu handelend op te treden.«

»Nog ééne inlichting. U beschouwt het als onmogelijk dat Zijne

Excellentie de toestemming geeft tot het huwelijk?«

»Tot een huwelijk van zijn dochter met dien fortuinjager! Maar mijnheer

Verschuere, welk een vraag! ’t is onzinnig!«

»Misschien. Misschien ook niet. De gouverneur-generaal heeft zulke

geheel bijzondere begrippen omtrent liefde en trouwen.«

»U bedoelt zijn romaneske idées!... Maar u weet toch ook dat men

gewoonlijk het romaneske wil voor vreemden, niet voor zijn eigen

dochter.«

»En—vergeef me, mevrouw, het is niet beleefd wat ik u vragen ga... elk

woord wat u gesproken hebt is de waarheid?«

»Ik stem u toe, het is niet beleefd!... Natuurlijk is elk woord dat ik

gesproken heb de waarheid...«

»Wil mij dan zeggen wat u van mij vraagt: u hebt natuurlijk een plan

gemaakt.«

»Ik had gedacht dat u, in naam van uw oude vriendschap, tot Van

Beevelant zoudt gaan...«

»En verder?«

»Dat u hem eens ernstig onder het oog zoudt brengen, hoezeer hij het

vertrouwen hem geschonken heeft misbruikt, en dat hij als man van eer

verplicht is, onder het een of ander voorwendsel, onmiddellijk zijn

ontslag te vragen.«

»U eischt veel, mevrouw! Als ik uwe opdracht vervul, dan is dit ten

koste van onze vriendschap.«

»Dat vrees ik ook. Maar is hij uw vriendschap waard?«

»Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik tot dusverre trotsch was op de

zijne.«

»U moogt er op rekenen dat u de onze er mede zult winnen,« spreekt de

verzoekster.

»Ik heb veel van Van Beevelant gehouden.«

Mevrouw Van Waliënhove houdt zich als of ze dien kreet van het

vriendenhart niet hoorde.

»Mijn echtgenoot zal u zoo dankbaar zijn ... en ik, ik zou alles willen

doen voor dengeen die mij bevrijdde van die vreeselijke nachtmerrie,

een mésalliance in onze familie.«

»Alles? Dat is veel gezegd, mevrouw.«

»Maar ik zweer u dat het me ernst is. Kom, mijnheer Verschuere, laat u

niet langer bidden... Vergeet niet dat, wanneer u door de vriendschap

zijt verbonden aan Van Beevelant, Zijne Excellentie recht heeft op uwe

dankbaarheid.«

»U hebt gelijk, mevrouw. En ik moet gelooven dat Van Beevelant mijn

vriendschap niet waard is... Ik zal doen wat u verlangt.«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 48 / 85 题