Wanneer mevrouw Van Waliënhove gezegd kan worden met één Buitenzorger
op intiemen voet te verkeeren, dan is dit met den algemeenen
secretaris.
Niet dat ze hem werkelijk genegen is, niet dat ze zich eenige illusie
maakt omtrent de vriendschappelijkheid zijner gevoelens jegens haar,
maar ze weet volkomen wat ze aan hem heeft—en dit is noodig, wil ze
haar vertrouwen schenken.
’t Gebeurt somwijlen dat de heer Verschuere, na een bezoek bij Zijne
Excellentie, een uitnoodiging ontvangt om tot háár te komen; het
verschil van duur der visites aan mijnheer en mevrouw zou aanleiding
kunnen geven tot de vooronderstelling dat het afdoen van
regeeringszaken vlugger gaat dan dat van partikuliere belangen.
Kort na zijn terugkomst van Batavia, waar de gouverneur-generaal met
gevolg een tiental dagen doorbracht, wacht hem een boodschap in de
vestibule; reeds wil hij mevrouws kamenier volgen naar het zitvertrek,
dat ’s morgens beurtelings als kantoor, als gerechtszaal en als
ontvangkamer dienst doet, wanneer deze, met de onbescheidenheid
dienstbaren juffertjes eigen, opmerkt:
»Pardon, mijnheer! In het boudoir... ’t is confidentieel.«
Hoe ongepast ook, haar waarschuwing blijkt gegrond; ’t is
confidentieel, dat ziet hij bij den eersten oogopslag.
De barones—een geheel andere echter dan die bij het groote publiek
bekend—ontvangt hem bleek en zenuwachtig, achteloos gekleed, het altijd
zoo zorgvuldig gekapt haar opgenomen in een lossen wrong.
»Goddank dat u gekomen zijt, mijnheer Verschuere,« en ze drukt hem de
hand, »Goddank!«
»Te veel eer, mevrouw, waarlijk te veel eer!« zegt Verschuere uiterst
hoffelijk, maar daarom niet minder voornemens op zijn hoede te zijn;
het optreden zijner vriendin doet hem aan comedie denken.
»Uw conferentie is afgeloopen? En u hebt een oogenblikje voor mij?«
»Uren, mevrouw.«
Nu gaat ze eerst naar de eene deur, dan naar de andere, overtuigt zich
dat ze niet beluisterd worden en neemt dan plaats dicht naast den
bezoeker om zachter te kunnen spreken.
Ik geloof dat ik moet oppassen, denkt deze: iets meer dan gewoonlijk
zelfs.
»O mijnheer Verschuere,« roept nu mevrouw Van Waliënhove, blijkbaar
afgemat van overspanning neerzinkend in haar fauteuil, »ik weet het
reeds, u zult mij zeer onpolitiek vinden. Als ik u zeg wat ik te zeggen
heb, zult u zich verbazen over zooveel onvoorzichtigheid, aan een derde
te vertellen wat geheim moet blijven: maar... ik ben ten einde raad!«
Die bekentenis van die lippen verbaast hem, ontwapent hem min of meer.
»Mevrouw!« vraagt hij lachend, »u niet politiek? u niet voorzichtig?«
En dan nog ongelooviger: »U ten einde raad?!«
»Ja, ten einde raad. Ik weet niet wat te doen. Den eenen nacht na den
anderen breng ik slapeloos door, zonder een uitweg te vinden. En toch,
die uitweg moet gevonden. Want ofschoon het een familiezaak geldt...
een zeer kiesche...« ze aarzelt en brengt haar waaier in beweging en
drinkt een teug uit het glas ijswater voor haar.
»Ik kan u niet zeggen hoe u mij vereert door uw vertrouwen,« begint
Verschuere langzaam en als woog hij de beteekenis van elk woord vóór
hij het uitsprak; »maar wanneer het een familiezaak geldt, is het dan
wel geraden mij er in te mengen?«
»Ik moet. Ik kan niet anders!«
»Ik waag het, mevrouw, u te herinneren aan het fransche spreekwoord: Il
faut laver...«
»Ja, ik weet wel... ik weet wel!...«
»Ik ben een vreemde.«
»Een vreemde.... ja. Maar zijn het niet allen eenmaal vreemden geweest,
die we later tot onze vrienden maakten?«
Het was onmogelijk zich niet gevleid te gevoelen.
»Mevrouw,« zegt Verschuere met een lichte hoofdbuiging, »ik ben geheel
tot uw dienst.«
»Dank u. Ik mag dus op u rekenen? Mijnheer Verschuere, ik zal nooit
vergeten... dat u me uit deze moeilijkheid redden wilt;« en ze reikt
hem de hand en brengt met de andere den zakdoek aan de oogen. »O, ik
wist wel,« gaat ze voort, »dat als ik iemand bereid zou vinden om ons
een groot verdriet te besparen, u het zijn zoudt.«
Niettegenstaande deze verzekering is mevrouw Van Waliënhove nog verre
van gerust: ze weet het, ze speelt een hoog spel; één niet genoegzaam
beheerschte trek in haar gelaat, één onvoorzichtig woord zou voldoende
zijn om in den man tegenover haar den koel berekenenden tegenstander te
doen ontwaken.
Dus, in plaats van recht op haar doel af te gaan, neemt ze een kleinen
zijweg. Ze weet het, hij hangt met hart en ziel aan haar echtgenoot: ze
weet, hij is een bewonderend vereerder van den man, die in zoo ongewone
mate het geheim bezit om te verzoenen met zijn hooge betrekking.
»Ik zou zoozeer wenschen,« begint ze, »dat juist in deze dagen de
gouverneur-generaal niet behoefde te worden lastig gevallen met
huiselijk verdriet. Hij heeft zonder dat onaangenaams genoeg. U weet
het, de voorstellen door zekere partij in de Tweede Kamer gedaan, zijn
hem een doorn in het oog, het drijven dier partij verontrust hem...«
»En geen wonder!«
»Wat hem misschien meer leed doet dan hij wel zou willen bekennen, ’t
is dat uw oom zich sedert kort geschaard heeft aan de zijde dier
drijvers. Hij zou zoo gaarne blijven vasthouden aan het denkbeeld dat
vriendschap en goede trouw bestaanbaar zijn met staatkundig leven. Ik
vrees echter dat de minister van koloniën hem spoedig genezen zal van
zijn illusie.«
»Dwalen we niet een weinig van ons onderwerp af?« vraagt de algemeene
secretaris, die het dezer dagen niet aangenaam vindt om over de door
zijn oom gehuldigde politiek te moeten spreken.
»Misschien. Men zegt dat het een zwak is van ons dames, nooit voet bij
stuk te houden. Maar op één punt zijn wij het toch reeds eens geworden.
’t Is dat Zijne Excellentie niet geplaagd mag worden met familiezaken.«
»Neen, zeker niet... maar wat is de quaestie, mevrouw?«
»De quaestie is deze,« spreekt mevrouw van Waliënhove, terwijl zij de
scherpe, zwarte oogen vast op haar vertrouwde vestigt, »de quaestie is
deze: Clotilde heeft een ongeoorloofden minnehandel aangeknoopt met...
den gouverneur.«
De verachting, waarmee ze dat woord uitspreekt, maakt haar weder geheel
tot de barones, die het groote publiek kent.
»Onmogelijk!«
»Onmogelijk, zegt u?«
»Vergeef me, mevrouw, maar tot zoo iets is Van Beevelant niet in staat.
Daarvoor is hij te veel fatsoenlijk man.«
»Fatsoenlijk man! Hij!«
»Ik meen hem wel een weinig te kennen.«
»Misschien dat hij fatsoenlijk is zooals alle mannen fatsoenlijk
zijn—tot er een vrouw in ’t spel komt.«
»En freule Clotilde zou het meisje zijn om hem te brengen tot... hier
moet een vergissing plaats hebben!«
»Ik vergis me zelden, mijnheer Verschuere.«
»De uitzondering bevestigt den regel, mevrouw Van Waliënhove.«
Het blijft een oogenblik stil in het boudoir. Dan schijnt een der beide
partijen een plotseling besluit te nemen.
»Ik zie het al weer,« roept mevrouw Van Waliënhove, »men kan zijn
vertrouwen niet ten halve schenken. Daarom een bekentenis die, wanneer
de toestand haar niet zoo dringend eischte, nooit over mijn lippen zou
zijn gekomen. U hebt u soms verbaasd,« gaat ze voort, terwijl ze de
uitwerking van elk woord op zijn gelaat bespiedt, »u hebt u soms
verbaasd over mijn gestrengheid tegen Clotilde?«
»Ja... soms wel.«
»Uw vrouw—en velen met haar—hebben hun bevreemding te kennen gegeven
over het feit, dat wij besluiten konden haar in Europa achter te laten.
Wij beproefden nooit ons daaromtrent te verantwoorden. Maar, mijnheer
Verschuere, u zijt te scherpziende om niet te begrijpen dat we daarvoor
andere redenen hadden dan alleen den wensch Clotilde’s opvoeding in
Duitschland te acheveeren.«
»Ik erken dat ik wel eens naar een andere reden gezocht heb.«
»En die reden lag voor de hand, niet waar? de jaloezie der
stiefmoeder!«
»O mevrouw!«
»Brisons la-dessus. Er is iets anders. Clotilde heeft dien tijd
doorgebracht op een instituut, bekend om de afzondering, waarin de
meisjes daar gehouden worden, bekend om de ultra-orthodoxe ideeën die
daar heerschen... Dat kon toch in de jaloezie der stiefmoeder geen
reden vinden?«
»Neen zeker niet,—al zou men aan die jaloezie gelooven,« voegt hij er
haastig bij, meer beleefd dan oprecht.
»De wereld,« gaat mevrouw voort, nog steeds in de rol der beleedigde
onschuld, »de wereld heeft mij veroordeeld, omdat ik wenschte mijn
dochter getrouwd te zien. Neen, ontken het niet! Clotilde’s
tegenwoordig gedrag rechtvaardigt mij genoeg, maar zooals gewoonlijk
oordeelde de wereld voorbarig... Ik spreek het niet tegen... ik zag
haar gaarne spoedig getrouwd.... mijnheer Verschuere; er zijn jonge
meisjes voor wie een vroegtijdig huwelijk gewenscht is... Het spijt me
te moeten bekennen dat mijn dochter tot die soort van meisjes behoort.«
Een oogenblik begint de barones te vreezen dat ze te ver gegaan is.
Verschuere ziet haar aan met ongeloovigen blik en zwijgt.
»U twijfelt?«
»Neen, mevrouw. Als u het zegt moet het natuurlijk waar zijn. Ik sta
alleen verbaasd over mijn weinig doorzicht. Ik toch heb freule Clotilde
altijd beschouwd als een jonge dame naar lichaam en geest volkomen
gezond.«
»Ja, dat verwondert me ook van u,« zegt de stiefmoeder volstrekt niet
uit het veld geslagen. »U ziet anders zoo scherp. Maar begrijp mij wel.
Clotilde weet zich volkomen te beheerschen, ze toont op dit punt—als op
meer andere—een buitengewone wilskracht. Daarom—ofschoon deze richting
van haar karakter ons veel zorg heeft gebaard—maken we er haar
geenszins een verwijt van: men kan de natuur leiden, niet dwingen, en
misschien is het een erfdeel harer moeder... dat moet een ziekelijk,
geëxalteerd schepseltje geweest zijn.«
»Ja...a?« vraagt de algemeene secretaris met tergende verbazing.
»Ja wist u dat niet? Enfin, het is ook zoo lang vóór uw tijd geweest.
Maar om tot Clotilde terug te keeren, er is een paar jaar geleden een
historietje gebeurd met een student... een neef van ons... Enfin, u
spaart me de bijzonderheden?«
»Pardon, mevrouw. Als het niet te veel van u gevergd was, zou ik ze
gaarne hooren.«
Daarop heeft ze niet gerekend. Toen ze daareven den neef fingeerde, in
een wanhopende poging om Verschuere te overtuigen, toen dacht ze dat
hij te veel man van de wereld was om, waar zij iets verzwijgen wilde,
haar tot spreken te dwingen.
Maar ze aarzelt niet, en herneemt dadelijk met een kalmte, dubbel
bewonderenswaardig omdat ze onder dien doordringenden blik elk woord
moet verzinnen vóór ze het uitspreekt: »Ik zie dat wij, vrouwen, niet
de eenige nieuwsgierigen zijn. Maar u moet uw verwachtingen niet te
hoog spannen; het geval was niet shocking, alleen romanesk. Niets
anders dan een mooie jongen die, bij gelegenheid van een bal masqué,
een ridderkostuum droeg; een meisjeshart, dat, met vacantie thuis van
een strenge school, niet veel noodig had om in vuur en vlam te geraken;
een paar rendezvous, een plan om samen te ontvluchten... Maar gelukkig
werd de correspondentie onderschept en de schaakpartij verhinderd.«
»Zoo?«
»Ze haat hem op dit oogenblik! O, ze zal hem doen boeten voor zijn
ongeloovigheid! De gelegenheid kan komen dat ze hem op hare beurt in de
engte zal drijven... als ze hem niet meer noodig heeft.«
»Waarom vertelt u mij dit, mevrouw? Om me te bewijzen dat Van Beevelant
een gemakkelijke overwinning behaald heeft?«
»Neen, om u voor te bereiden op hetgeen ik nog zeggen moet. Om enkele
feiten verklaarbaar te maken. U gelooft, niettegenstaande al wat ik u
gezegd heb, aan de fatsoenlijkheid van uw vriend, aan de onschuld van
Clotilde... Welnu!«
Mevrouw heeft, terwijl ze sprak, de cassette geopend, die voor haar
staat. Ze neemt bij dat triumfeerend »Welnu« er een briefje uit en
reikt het Verschuere toe.
De algemeene secretaris leest:
»Mevrouw Van Waliënhove om negen uur uitgereden; de freule kon niet mee
gaan: had het te druk met pianostudie. Dadelijk na mevrouws vertrek
zijn O. en F. naar buiten gezonden. Gingen cricketten op het gazon
achter het huis. De freule is toen naar de schoolkamer gegaan. Bleef
daar langer dan een uur te zamen met Van B. Deuren waren gesloten.«
Verschuere moet het biljet tweemaal lezen; dan geeft hij het terug
zonder een woord te spreken.
»En is...« vraagt hij eindelijk een weinig hersteld van zijn pijnlijke
verbazing, »is deze spion te vertrouwen?«
»Waarom noemt u hem een spion? Kan het niet even goed iemand zijn, wien
de eer van ons huis ter harte gaat?«
»Laat ons dit een oogenblik aannemen.—Mag men op zijn getuigenis
afgaan?«
»Denkt u, mijnheer, dat ik alleen op zijn getuigenis—hoe betrouwbaar
overigens ook—een zoo zware beschuldiging zou herhalen. Neen, daarvoor
is de zaak te ernstig! Ik heb Felix ondervraagd en mijn kamenier...
Helaas, het is de waarheid...«
»Maar mijn God!« roept Verschuere, terwijl hij het briefje weer opneemt
en voor de derde maal leest, »mijn God! ’t is ongeloofelijk. De freule
was met hem alleen, zegt u?«
»Ja.«
Ze weet dat het bezoek in de schoolkamer zou zijn opgehelderd, zoo dit
schrijven een datum droeg en Verschuere had kunnen nagaan, dat ze
derwaarts ging om te troosten; daarom heeft ze den datum afgescheurd.
Ze weet dat het een grove leugen is, dit »ja«. Maar ze spreekt het
daarom niet minder vast uit.
»Wilt u nog meer hooren?« En zonder zijn antwoord af te wachten, reikt
ze hem een tweede blad papier toe, beschreven met dezelfde verdraaide
hand.
»Freule eigenhandig bouquet gemaakt van witte rozen. Door Oscar
laten bezorgen op de kamer van den gouverneur.«
»En hier is er nog een.«
»Van Beevelant heden morgen gaan wandelen met Oscar. Quasi
toevallige ontmoeting in het park tusschen hen en de freule, die
met Felix was uitgegaan. Handdrukken. Zacht gefluister. Op een bank
achter het bamboeboschje beschouwing van een portret, dat bij mijn
nadering werd weggestopt. Oscar en Felix vooruitgezonden. Volgden
langzaam. Zochten eenzame wegen.«
»Ja, wat dat laatste betreft, het zou moeilijk gaan in het park drukke
wegen te zoeken!« zegt Gustaaf, en intusschen vraagt hij zich af, wie
het zijn mag, wie hen zoo laag kan bespied hebben. ’t Is geen bediende.
Dan zou hij spreken van jonker Oscar en mijnheer Van Beevelant. Wie kan
het zijn, die ellendeling?
Mevrouw stoort hem.
»Kent u dit?« vraagt ze, ter nauwernood in staat de vreugde te
beheerschen, die haar bezielt nu ze hem geheel geslagen ziet.
»Freule Clotilde!« roept hij en neemt haar de crayonteekening uit de
handen. »Freule Clotilde geïdealiseerd! Ernstiger! mooier! Maar toch,
hoe sprekend gelijkend!« En hij vergeet een oogenblik, bij de
beschouwing van het bekoorlijk gelaat, dat die teekening niet hem werd
getoond om hem in de gelegenheid te stellen Clotilde’s schoonheid te
bewonderen.
»Mijnheer Van Beevelant heeft er zijn naam niet onder gezet,« zegt de
barones snijdend. »Maar mocht u twijfelen of iemand anders dan een
minnaar, van Clotilde’s gezicht een madonnakopje maken kon, zie dan
maar eens op de achterzijde.«
Und was du ewig
liebst, ist ewig dein!
leest van Beevelant’s vriend.
»Twijfelt u nu nog?« vraagt mevrouw Van Waliënhove met goed geveinsde
droefheid. »Verwondert het u nu nog dat ik radeloos ben?... dat ik uw
hulp inroep om een einde te maken aan dien toestand; om ons huis te
bewaren voor schande en bespotting?«
En als hij, eindelijk overtuigd, het hoofd schudt, gaat ze voort:
»Ik moest kalmer zijn... ik moest flinker optreden... Denk niet,
mijnheer Verschuere, dat deze slag mij onverwacht treft. Ik heb het van
het eerste oogenblik af geweten dat dit komen zou, tenzij een ander hem
voor was bij Clotilde! Ik heb het als bij ingeving geraden, wat het
doel was van zijn verblijf in ons huis. O, ik heb hem dadelijk
doorzien! Iedereen verwonderde zich dat hij zijn vooruitzichten in
Holland had opgegeven, om hier gouverneurtje te komen spelen. Ik niet.
Paris vaut bien une messe. Een paar jaar die betrekking vervuld en dan
terugkeeren als de schoonzoon van baron Van Waliënhove! Hij kende
Clotilde, hij wist dat ze zich geroepen acht op te komen voor de
verdrukte onschuld, hij wist dat, met zijn uiterlijk, de verdrukte
onschuld meer dan ooit op haar bescherming kon rekenen.«
»Maar vindt u dat hij als zoodanig optrad? Hij heeft zich bij ons nooit
beklaagd. Integendeel, hij roemde zijn positie, zijn werkkring, zijn
vlugge, pittige leerlingen vooral.«
»Natuurlijk! Bij u! Daar was ook niets te winnen met zijn
martelaars-air. Maar hier was het goud waard! Hier was het de weg tot
Clotilde’s hart.«
»Misschien zou het van uwe zijde politiek geweest zijn, zoo u hem niet
in de gelegenheid had gesteld als martelaar te poseeren?«
»Ja, dat zou het!« zegt ze met spijtigen toorn. »Ik heb dit later ook
bedacht. Dat zou het. Maar gedane zaken nemen geen keer.«
»Ik wenschte,« begint Verschuere na een lange pauze, »nog even terug te
komen op een woord door u in het begin van ons onderhoud gebruikt. U
spraakt toen van een ongeoorloofden minnehandel. Alles wat u mij tot nu
toe verteld hebt, bewijst wel dat Clotilde den heer Van Beevelant
genegen is, maar—niet waar? men kan bouquetten maken voor een jong
mensch, men kan hem op de wandeling gaarne ontmoeten...«
»Hem opzoeken in de leerkamer?«
»Ja, zelfs toevallig in de leerkamer komen, zonder daarom juist een
ongeoorloofden minnehandel te hebben. Ik erken, het portret van
Clotilde, zóó geïdealiseerd, met dat onderschrift, bewijst dat Van
Beevelant op haar verliefd is. Maar heeft hij haar van zijn liefde
gesproken? Zijn ze tot een verklaring gekomen? Daarvan kreeg ik nog
geen zekerheid. En—om u de waarheid te zeggen—ik betwijfel het. Frans
van Beevelant is iemand, om jaren lang in stilte te kunnen droom en en
dwepen.«
Haastig slaat ze den blik neer: hij mocht eens verraden wat er in haar
omgaat. Ha! waarom kon ze ook geen ander werktuig vinden? Waarom heeft
ze juist hem noodig, hem, met zijn nuchter, scherp verstand, hem, wien
ze niets wijs kan maken.
»Hoe dwingt u mij toch zoo om alles te zeggen?« vraagt ze zacht,
treurig bijna.
»Omdat het mijn vriend is, mevrouw, wien dit gesprek geldt.«
»Nu dan. Ze zijn het zamen geheel eens.«
»En het bewijs?«
»Is—dat ze gister gezien is in zijn armen... op de canapé... in de
muziekzaal.«
»U zegt: ze zijn gezien. Mag ik vragen door wie?«
Mevrouw Van Waliënhove blijft het antwoord schuldig. Neen, ze durft
niet meer wagen! Het spel, dat ze speelt, wordt al te gevaarlijk met
dien geduchten tegenstander. Maar als zij den spottenden blik ontmoet,
waarmee hij op haar antwoord wacht, dan vergeet zij alle
voorzichtigheid om hem die overwinning niet te gunnen en roept: »Ik heb
ze gezien! Ik zelf!«
»U zijt zeker tusschenbeide gekomen?«
»Het spijt mij,« spreekt ze, nu weder geheel zich zelve, »dat u me
niets schijnt te kunnen sparen. Neen, ik ben niet tusschenbeide
gekomen, ik moet vóór alles éclat vermijden. En nu hoop ik, mijnheer
Verschuere, dat u eindelijk tevreden zijt met mijne inlichtingen. Dit
onderwerp is mij zeer pijnlijk; me dunkt u weet genoeg om, als het u
waarlijk ernst is geweest met uw belofte, nu handelend op te treden.«
»Nog ééne inlichting. U beschouwt het als onmogelijk dat Zijne
Excellentie de toestemming geeft tot het huwelijk?«
»Tot een huwelijk van zijn dochter met dien fortuinjager! Maar mijnheer
Verschuere, welk een vraag! ’t is onzinnig!«
»Misschien. Misschien ook niet. De gouverneur-generaal heeft zulke
geheel bijzondere begrippen omtrent liefde en trouwen.«
»U bedoelt zijn romaneske idées!... Maar u weet toch ook dat men
gewoonlijk het romaneske wil voor vreemden, niet voor zijn eigen
dochter.«
»En—vergeef me, mevrouw, het is niet beleefd wat ik u vragen ga... elk
woord wat u gesproken hebt is de waarheid?«
»Ik stem u toe, het is niet beleefd!... Natuurlijk is elk woord dat ik
gesproken heb de waarheid...«
»Wil mij dan zeggen wat u van mij vraagt: u hebt natuurlijk een plan
gemaakt.«
»Ik had gedacht dat u, in naam van uw oude vriendschap, tot Van
Beevelant zoudt gaan...«
»En verder?«
»Dat u hem eens ernstig onder het oog zoudt brengen, hoezeer hij het
vertrouwen hem geschonken heeft misbruikt, en dat hij als man van eer
verplicht is, onder het een of ander voorwendsel, onmiddellijk zijn
ontslag te vragen.«
»U eischt veel, mevrouw! Als ik uwe opdracht vervul, dan is dit ten
koste van onze vriendschap.«
»Dat vrees ik ook. Maar is hij uw vriendschap waard?«
»Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik tot dusverre trotsch was op de
zijne.«
»U moogt er op rekenen dat u de onze er mede zult winnen,« spreekt de
verzoekster.
»Ik heb veel van Van Beevelant gehouden.«
Mevrouw Van Waliënhove houdt zich als of ze dien kreet van het
vriendenhart niet hoorde.
»Mijn echtgenoot zal u zoo dankbaar zijn ... en ik, ik zou alles willen
doen voor dengeen die mij bevrijdde van die vreeselijke nachtmerrie,
een mésalliance in onze familie.«
»Alles? Dat is veel gezegd, mevrouw.«
»Maar ik zweer u dat het me ernst is. Kom, mijnheer Verschuere, laat u
niet langer bidden... Vergeet niet dat, wanneer u door de vriendschap
zijt verbonden aan Van Beevelant, Zijne Excellentie recht heeft op uwe
dankbaarheid.«
»U hebt gelijk, mevrouw. En ik moet gelooven dat Van Beevelant mijn
vriendschap niet waard is... Ik zal doen wat u verlangt.«