Het is negen uur in den morgen en nog schijnt de zon niet: een
zeldzaamheid in dit land, waar de Génestet’s dichtregelen ons soms op
de lippen komen, maar dan veranderd in de verzuchting:
»’k Ben u zoo moe, o heete zon!
Och! schijn niet alle dagen!«
Tegen den blauwen hemel legeren zich zilvergrijze wolkjes; er ligt een
fluweelen glans over de aarde, de lucht is doorzichtig, de atmosfeer
frisch en koel.
In den Plantentuin, op het geboomte dat den vijver omgordt, dansen nog
de insecten, anders om dezen tijd van den dag reeds verjaagd door de
hitte, fonkelen nog de druppels op het gebladert, suizelt nog de
morgenwind in den waringin, zich welvend over het koepeldak.
In den koepel heeft mevrouw Verschuere een plaats gezocht. ’t Is om uit
te rusten, want al doen lucht en beweging haar goed, ze vermoeien toch
ook. Het schetsboek ligt open op haar schoot, maar ze werkt niet, en
als ze het eindelijk opent, is het met de zucht van het kind, dat haar
les maar zal leeren omdat ze het boek in de hand en op het oogenblik
niets beters heeft om den tijd mede door te komen.
Juist heeft ze het groepje boomen aan den overkant, met zijn
doorzichtig gebladerte, bestemd om haar heden tot onderwerp voor een
schetsje te dienen, als er een vlugge voetstap weerklinkt op den
begrinten weg. Ze zou geloofd hebben dat het een schooljongen was, die
daar zoo in volle vaart den heuvel kwam afrennen, als ze niet reeds
haar neef had herkend.
»Morgen, Nita! Hoe gaat het?« roept hij van verre en doet wat hij kan
om zijn vaart in te houden.
»Dag, James!« De toon harer stem verraadt hoe verheugd ze is over zijn
komst. »Is me dat nu een manier van je aan te dienen?« vraagt ze
lachend, »als een bal naar beneden te komen rollen? ’t Scheelde geen
zier of je waart in den vijver terecht gekomen.«
»Geen nood. Ik wist dat waar jij waart ik altijd aan je voeten
neerval.«
»Gekheid! in onzen tijd zinkt men neer op ijzeren tuinstoeltjes, niet
aan damesvoeten,« en ze wijst hem een der zetels naast den haren.
»Hoe gaat het, Nita?« vraagt hij klaarblijkelijk zonder haar verstaan
te hebben. »Hoe gaat het?« en hij staart haar niet zonder zekere
bezorgdheid in het gelaat
»O, heel goed!« maar ze ontwijkt zijn blik.
»Hoe voel je je van daag?«
»Wel, hoe zou ik me anders voelen dan uitstekend, op een morgen als
dezen?« is haar wedervraag. »Vin je ook niet? Er zijn van die dagen
waarin men niet denken kan aan de mogelijkheid van deze heerlijke
wereld te verlaten.«
»Aan die mogelijkheid mag je ook niet denken, Nita,« spreekt hij zacht
en er klinkt moeilijk bedwongen aandoening in zijn stem.
Dan zwijgen beiden.
»En je vraagt niet eens hoe ik je hier heb ontdekt?« roept eindelijk
James op den gemaakt luchtigen toon, waarachter we gewoon zijn onze
aandoeningen te verbergen.
»Je ontdekt me altijd; en zou je nu willen dat ik er juist dezen keer
verbaasd over stond!«
»Ik heb Verschuere ontmoet op weg naar het paleis. Hij vroeg me of ik
je wat gezelschap wou gaan houden.«
»Zoo is het gemakkelijk Columbus spelen. Maar—als ik je nu eens zei,
dat ik hier niet gekomen ben om te praten?«
»Dan zou ik dat heel onbeleefd van je vinden.«
»Ja? Dat spijt me. Want wezenlijk, ’t is de waarheid! Zoo’n ochtend als
vandaag, zoo’n zacht licht, heeft men haast nooit hier in Indië; ’t is
een dag uit duizenden om te teekenen. Ik zou er zoo graag van
profiteeren.. Mag ik?«
»Dan zal ik je potlooden punten.«
»Die zijn gepunt.«
»Dan zal ik de bloem plukken die je teekenen wilt.«
»Je treft het niet, James. Ik wil geen bloem teekenen vandaag. Zie je
dat groepje boomen dáár aan den overkant, waar het licht zoo lief
doorheen komt kijken? Nu, daarvan wou ik probeeren een schetsje te
nemen.«
»Dan zal ik je mijn gemakkelijken stoel halen.«
En vóór ze hem heeft kunnen terughouden, is hij den heuvel weer op en
weggerend naar het paleis.
Er komt een dankbaar glimlachje om haar lippen spelen, terwijl ze hem
volgt met haar gedachten langs het nu reeds meer door de zon verlichte
pad.
»Goede, beste jongen!« denkt ze. »Wat is hij altijd lief voor me en vol
attenties! Trouwens iedereen is lief voor me. Ik kan niet dankbaar
genoeg zijn voor al de hartelijkheid die me bewezen wordt. Vooral als
ik ziek ben, wat een belangstelling, wat een deelneming! En wezenlijk,
ik stel het geduld van mijn vrienden op een zware proef met dat
altijddurend sukkelen!«
Straks ziet ze den weg op, of James nog niet terugkeert.
»Maar niemand doet toch zooveel voor me als hij,« peinst ze. »Daar
loopt hij nu weer dat geheele eind, om me wat gemakkelijker te laten
zitten; wezenlijk, hij bederft ons kleintje. Eerst dacht ik, dat hij
zoo goed voor me was alleen uit liefde voor pa en ma, want hij
waardeert zoozeer wat ze voor hem deden, als, zegt Gustaaf, menschen
wie een weldaad bewezen werd, zelden doen; maar neen, ’t is werkelijk
genegenheid, een innige, oprechte...«
Eensklaps komt een donkere blos haar gelaat verven: met een ongeduldige
beweging strijkt ze de hand over het gloeiend voorhoofd, maar ze kan
niet tegelijk met de zijden lokken de pijnlijke gedachten wegstrijken,
die daar zoo onverwacht opkwamen.
»Nonsens,« fluistert ze, »nonsens! Een dom praatje, uit de lucht
gegrepen, een praatje dat geen enkelen grond heeft.«
Maar reeds is ze opgesprongen van haar stoel, reeds gaat ze met
onrustige schreden het pad tusschen koepel en vijver op en neer.
»’t Ware te wenschen dat de zoogenaamde »dames van ondervinding« ons
jonge vrouwen haar waarschuwingen bespaarden. Dan zouden we ten minste
kunnen genieten van de conversatie, dan zouden we vrienden kunnen
hebben; nu maken ze iederen man, die geen zestig jaar is, tot een
voorwerp van vrees en schrik!« Dan, terwijl ze eensklaps stilstaat en
met de punt van haar parasol gaten boort in den vochtigen grond: »Ik
moet het uit mijn hoofd zetten; ik moet mijn best doen er niet meer aan
te denken. Zoo’n jongen! Even oud als ik! ’t Idee! Iemand met wien je
honderdmaal kibbelde, dien je dikwijls straf hebt zien geven, dien je
geplaagd hebt met zijn eerste pogingen om een snor te krijgen. Neen, ’t
is al te dwaas! En toch.. van zijn kant.. Dáár, nu krijg ik al een
kleur omdat ik zijn voetstap hoor; dat komt van die onzinnige
praatjes!«
In de stilte had ze hem reeds lang gehoord vóór hij bij haar was, en ze
kon hem dus met een kalm gelaat en vriendelijk glimlachje ontvangen.
»Ga nu eens heelemaal op je gemak zitten. Is het geen heerlijke stoel?
En hier is een bankje en hier een sluimerrol.«
»Soedah!« zegt hij tot den jongen, die hem ’t een en ander nadroeg en
dan met dat kinderlijke in zijn manieren, dat zoo goed staat bij zijn
forsch, krachtig uiterlijk:
»Wat zeg je nu?«
»Dank je, mijn trouwe ridder.«
»Zie je, nu zit je als een koningin met een nederigen slaaf aan je
voeten. Een slaaf, aangesteld om je de potlooden aan te geven, want—ik
heb er nog eens over nagedacht—dat is het wat Verschuere me heeft
opgedragen.«
Ze begint haar werk, maar boomen teekenen is niet gemakkelijk, vooral
als de teekenares in de war geraakt door een paar oogen, die schijnen
te vragen of er op een morgen als dezen niet iets beters te doen is dan
zwarte streepjes maken op wit papier.
Reeds tweemaal heeft mevrouw Verschuere alles weer uitgeveegd, reeds
driemaal een nieuw potlood gevraagd.
James begint uit alle macht punten te slijpen.
»Je bent toch een voorbeeldige neef,« zegt Nita, die hem gadeslaat,
achterovergeleund in haar stoel, want het werk, dat maar niet slagen
wil, vermoeit haar; »ik mag wel zeggen de voorbeeldigste van alle
neven.«
James breekt de punt. »Ik wou,« begint hij op den knorrigen toon, dien
hij vroeger tegen zijn speelgenoot durfde aanslaan, »ik wou dat je je
af kondt wennen om altijd zoo over dat neefschap te praten.«
Verwonderd ziet ze hem in het gelaat.
»Hindert je dat?« vraagt ze. »En ik, die me nog wel verbeeldde dat je
er trotsch op waart me tot je nichtje te hebben!«
»Dat ben ik. Bij anderen. Maar als we zoo met ons beiden zijn... laten
we elkaar dan noemen, niet bij den naam dien we toevallig dragen door
familierelatie, maar«—en zijn stem is nu niet knorrig meer, doch zacht
en teeder—»bij de namen die ons hart ons ingeeft.«
Agnita schrikt van de wijze waarop hij dit zegt. En als ze heeft
neergezien in het gelaat, dat hij tot haar opheft, als ze dien warmen
blik heeft ontmoet, dan vindt ze op eens dat de »dames van
ondervinding« nog zoo groot ongelijk niet hebben met haar te
waarschuwen voor mannen beneden de zestig jaar.
Sedert ze zoo zwak werd, bezorgt de minste schrik of aandoening haar
hevige hartkloppingen, en ze kan dan ook nu niets anders doen dan de
handen op de borst drukken, voor zich zien en wachten.
»Wil je me dat pleizier doen, Nita?« vraagt hij na een pauze.
Ze heeft nu haar stem terug en antwoordt met goed geveinsde kalmte:
»Zeker. Ik zal je niet meer neef noemen maar James. Is dat goed? Want
Van Suylichem vind ik te deftig en ik kan toch moeilijk, zooals de
kolonel, tegen je zeggen: »Mijn waarde jonge vriend, à propos, hoe
staat het met Euphrosine?««
»Waarom vraag je dat, Nita?« en hij springt op van zijn zetel en er
fonkelt een toornig licht in zijn oog. »Je weet heel goed dat er niets
bestaat tusschen mij en dat vervelend creatuur.«
»Foei, James, praat je op die manier over een dame? Bedenk wat mama
altijd zei: al kan een jong mensch een liefde niet beantwoorden, hij
moet de vrouw, die hem onderscheidt, dankbaar zijn voor die
onderscheiding.«
»Ook als het Euphrosine d’Hannecour is en men de onderscheiding met
vele voorgangers deelt?«
Zij antwoordt niet en ook hij laat Euphrosine verder rusten. Dat arme
zieltje heeft alweer de rol vervuld, die de dames d’Hannecour
aangewezen schijnt in de Buitenzorgsche wereld; ze diende als
bliksemafleider; de blos is geweken van Agnita’s gelaat, ze heeft haar
hartklopping bedwongen; James kijkt niet teeder meer.
Maar als hij voor het koepeltje op en neer loopt, een deuntje neuriënd,
terwijl zij met nieuwen ijver begint te schetsen, dan trekt hij zoo’n
ongelukkig gezicht, dat ze medelijden krijgt en vergeet hoe gevaarlijk
zij hem weinige minuten geleden heeft gevonden.
Dat vervelend gebabbel over hem, denkt ze. Nu ga ik overal iets achter
zoeken. Hoe dikwijls heeft hij mij lief aangekeken, hoe dikwijls heeft
hij me gezegd dat hij van ons hield, dol van ons hield... en dan heb ik
het altijd natuurlijk gevonden. Nu... mijn hemel, wat moet hij wel
gedacht hebben toen hij me zoo zag kleuren? Ik heb me eenvoudig
bespottelijk gemaakt... het best zal zijn dat ik op de een of andere
manier mijn congesties in het gesprek te pas breng.
»Nita...«
Ze durft hem niet aanzien, ze is bang dat hij op haar gezicht zal lezen
wat in haar hart omgaat.
»Dank je, mijn potlood is nog goed.«
»Ik ben nog iets anders dan een potloodkoker, Nita.«
»Daarvoor heb ik je nooit aangezien, James.«
Dan beginnen beiden te lachen en Nita vermant zich en kijkt hem flink
in de oogen.
In gezelschap zouden ze nu weldra geheel vrij tegenover elkander
gestaan hebben, maar de eenzaamheid van het plekje, waar ze zich
bevinden, de fluisteringen van het geboomte rondom hen, het droomerig
gesuizel van het water, de heerlijkheid van den zoelen morgen, ze
verwarren die onervaren harten meer en meer. James breekt de eene punt
na de andere, Agnita teekent abnormaliteiten inplaats van boomen, ze
wordt zoo onrustig op den gemakkelijken stoel, alsof die met spelden
was bekleed, en als ze eindelijk voor goed is opgesprongen en Van
Suylichem haar begeleidt tot aan het hek harer woning, vraagt ze hem
niet om binnen te komen,—ze verlangt alleen te zijn. Maar nauwelijks is
ze alleen, of ze telt de oogenblikken tot Verschuere thuis kan komen.
Als hij eindelijk verschijnt komt ze hem reeds op de trap tegemoet, en
hij had blind moeten wezen om niet te zien dat er iets aan de hand is.
Hij laat zich dus gewillig naar haar boudoir voeren, en nauwelijks
heeft Mingo hem zijn selterswater gebracht, of hij vraagt: »Wat scheelt
er aan, kleintje? Heeft de wandeling je geen goed gedaan?«
»Neen, kwaad. Niets dan kwaad. Maar ’t was eigen schuld. Ik heb, in
plaats van te genieten van den heerlijken dag, me onpleizierig zitten
maken.«
»Is James dan niet bij je gekomen?«
»Ja, dat was het juist!«
»Wat? James? Maar ... Nita!«
Ze bloost; dan, na zich een oogenblik bedacht te hebben, vraagt ze
vleiend: »Die oppasser, die met zijn dikke portefeuille achter je
aankwam, dat was maar om me bang te maken,—niet waar? Er is geen haast
bij die stukken?«
»Ze kunnen ten minste wachten.«
»Gelukkig want ik heb iets te zeggen, en het zal zeker nogal lang
duren, omdat ik niet weet hoe te beginnen.«
»Met het begin zou ik denken.«
»Maar beloof me eerst, dat je me niet zult uitlachen.«
»En, dan...«
»Alles. Je begrijpt toch, dat ik, na zooveel preliminairen, brand van
nieuwsgierigheid.«
»O, ’t zal je niet meevallen! ’t Is een van die kleinigheden, die een
vrouw geheel van haar stuk brengen en een man volkomen koud laten.«
»In Godsnaam, Nita, begin!«
»Neen, je moet niet doen of het gekheid is. Je weet wel,« en ze ziet
hem nu voor het eerst aan, »dat mevrouw Van Waliënhove me gister meenam
naar haar kamer om die nieuwe waaiers te zien?«
»Ja. Waren ze mooi?«
»Ik geloof het wel. Er was er een bij van negenhonderd francs,
geschilderd met hun wapens in een krans van mosrozen.... maar ik kon
het niet goed zien.... ze bergde alles zoo gauw weer weg. Je moet
weten, die waaiers waren maar een pretext. Ze wou me alleen spreken
over...«
»Waarover?« vraagt hij, nu niet langer met voorgewende belangstelling.
»Ze nam me bij de hand... Erg lief! En toen kwam ze naast me zitten op
de causeuse en bracht het gesprek op James.«
»Op James?«
»Kun je niet raden met welke bedoeling?«
»Maakt James ook al het hof aan Clotilde?«
»Neen. Was het dat maar! Ze beweerde juist, dat James zijn hof niet
maakte. Aan geen enkel jong meisje ten minste. En dit vond volgens haar
zijn oorzaak in... het kwam omdat...«
Mevrouw Verschuere ziet er nooit liever uit dan wanneer ze verlegen is,
en Gustaaf vindt haar onbeschrijfelijk bekoorlijk op dit oogenblik; ze
beproeft namelijk om de gloeiende wangen aan zijn borst te verbergen.
»Omdat mijnheer Van Suylichem verliefd is op mevrouw Verschuere,« aldus
vult hij den nog altoos onvoltooiden volzin aan. »Is ’t niet zoo?«...
en hij heft haar hoofd op van zijn borst. »Mijn schuchter duifje! Moet
je dáár zoo over blozen? Vin je dàt zoo verschrikkelijk?«
»Jij dan niet?«
»Wel neen. Laat me je zeggen, kind, dat ze reeds meer dan een half jaar
bezig is mij hetzelfde in het oor te blazen.«
»Ja?« vraagt ze verbaasd. »Is ’t mogelijk?«
»Je begrijpt, onze intimiteit met Van Suylichem is haar een doorn in
het oog. Versta me wel. Niet onze intimiteit meer dan een andere. Maar
elke vriendschap, elke liefde, elke goede verhouding. Je hebt wel eens
gehoord van salamanders, die in het vuur leven?«
En als ze, in gedachten verzonken, blijft zwijgen: »Ik heb het maar
niet verteld, omdat ik je het genoegen van James bij je te zien niet
verbitteren wilde, maar het hindert haar, dat al haar insinuaties bij
mij niets helpen; nu zal ze eens probeeren wat ze bij de andere partij
vermag.«
»Je moet het ergste nog hooren: ik ben van morgen in den Tuin op het
denkbeeld gekomen, dat er wel iets van aan kon zijn.«
»Waarvan?« vraagt hij streng. »Dat hij hier te veel aan huis komt, of
dat hij verliefd op je is?«
»Neen, ’k weet wel, ’t is ongerijmd... Maar... hij was toch erg vreemd
van morgen.«
»James? och kom, Nita!«
»Om nu maar eens één ding te noemen: hij vroeg me om niet meer zoo
telkens neef te zeggen.«
Verschuere lacht hartelijk. »En is dit alles?« roept hij. »Wel, kind,
ik kan me heel goed voorstellen, dat hij het vervelend vindt: ik vind
het ook vervelend; niets stijver dan dat neef en nicht.«
»Maar,« herneemt Nita, steeds met meer aarzeling, want ze gevoelt dat
ze zich bespottelijk maakt in de oogen van haar echtgenoot, »maar...
hij vroeg me om hem te noemen met den naam dien mijn hart me ingaf.«
»En dat mag een heel hartelijke naam zijn,« zegt Verschuere met voor
hem ongewonen ernst. »Geloof me kind, je bent nog jong, je weet nog
niet, hoe zeldzaam vriendschap is, ten minste zoo’n trouwe
hondenvriendschap als de zijne; maar waarachtig, iemand die van je
houdt zooals James van ons doet, dat vin je maar eens of tweemaal in je
leven, en als je het vindt, kun je het niet genoeg waardeeren.«
»Maar hij was toch heel vreemd van morgen.«
»Kom, haal je nu niet zulke dwaasheden in het hoofd! Hij was vreemd van
morgen, zeg je? Maar weet je wel zeker dat jij niet vreemd waart? ’t
Heeft je natuurlijk verlegen gemaakt, dat gebabbel! Als je morgen wordt
verteld, dat Hooglaan op je verliefd is, dan vin je overmorgen, dat
Hooglaan heel vreemd doet.«
Ze lacht als een kind dat pas van een groote vrees werd bevrijd.
»Dáárvoor zou toch veel moeten gebeuren, geloof ik. Die stijve Klaas!«
»Niet zoo stijf of hij maakt tegenwoordig druk het hof aan... Maar kom,
je hebt nu je hart uitgestort... en ik heb nog een massa werk. Zullen
we gaan rijsttafelen?«
Ze legt haar arm in den zijnen en naar hem opziende, schertst ze:
»Wat men van je zeggen kan, Gus, niet dat je een Othello-natuur hebt.«
»Misschien wel, lieve, als ik niet zooveel te doen had. Othello was met
verlof, meen ik, toen hij Desdemona wurgde.«