»Kom, zus, wat zit je hier nu te tjingelen op die vervelende
rammelkast; ga liever met ons mee!«
»Met jullie mee?« vraagt Clotilde, terwijl ze zich vol verbazing
omdraait op haar pianostoel. »Hebt jullie dan geen les vandaag?«
»Neen we hebben vacantie!« juicht Felix, neemt haar hand in de zijne en
wil haar meetrekken.
Maar Oscar, die het noodig vindt een einde te maken aan de ongeloovige
verbazing zijner zuster, verklaart: »Weet je wat het is, Tilde?
Mijnheer heeft een brief gekregen uit Holland en toen zei hij dat we
weg konden gaan.«
Clotilde is opgesprongen van haar tabouret.
»Een brief uit Holland?« vraagt ze. »En.... zei hij toen, dat je weg
kondt gaan?«
»Ja. Maar wat is er, zus? Wat kijk je raar!«
»Begrijp je dat dan niet?« En als de kinderen haar zwijgend blijven
aanstaren roept ze driftig: »Hè, wat zijn jullie toch een paar akelige
ongevoelige jongens!«
»Vin je dat?« vraagt Oscar, niet gewoon zoo te worden toegesproken.
»Kom Fe, dan hebben we hier niets meer te maken.«
Maar ze houdt den knaap terug met een wenk harer oogen.
»Neen, blijf hier... ik meen het zoo niet... jullie kondt niet
weten...« Dan: met een stem, bevend van ontroering: »Mijnheer heeft
zeker slechte tijding.«
»Ja, dat kan wel zijn, hij praatte op eens zoo zachtjes.«
»Herinner je je niet wat ik je laatst gezegd heb? Dat je het hem niet
lastig maken mocht omdat hij verdriet had? Ik wist toen reeds dat zijn
zuster ziek was.«
»Kassian!« zegt Felix. »Zou ze dood zijn?«
»Ik hoop van neen,« fluistert Clotilde nauwelijks hoorbaar. Zóó
ontsteld is haar gelaat, dat Oscar het zachtjes begint te streelen met
de vraag:
»Heb je zoo’n medelijden met hem, zus?«
Clotilde wendt het hoofd af. De ervaring leerde haar dat wilde jongens
scherpe opmerkers zijn kunnen.
»Ja, natuurlijk,« brengt ze met moeite uit. En een oogenblik later als
ze meent haar stem beter in bedwang te hebben: »Jullie dan niet?«
»O, jawel! Maar willen we nu gaan cricketten?«
Ze trekt Felix tot zich en terwijl ze hem de krullen van het voorhoofd
wegstrijkt, vraagt ze verwijtend: »Zou je daar lust in hebben, terwijl
die arme mijnheer Van Beevelant zoo’n verdriet heeft?«
»Maar... we hebben nooit eens vacantie!«
»Hij is heel alleen,« fluistert ze.
Oscar behaalt een overwinning op zich zelf. »Willen we naar hem toe
gaan?« vraagt hij.
»Doe dat... Jij ook, Fe. Kom, doe dat!« Dan, als ze nog aarzelen, met
de vrees die kinderen koesteren voor droefheid, smeekt ze: »Om mij
pleizier te doen!« en nu gaan ze nog wel niet vlug, maar toch gewillig.
Ze blijft onbewegelijk zitten, waar ze daar straks is neergezonken, in
den grooten fauteuil bij den vleugel: haar bleek gelaat steekt scherp
af tegen de helroode zijde; ze klemt de nagels in de polster en trekt
de zware franje uit, de brandende oogen onafgewend gericht op de deur
waardoor de knapen verdwenen.
Niet lang duurt die spanning. Oscar komt naar binnen vliegen met de
hoogroode kleur van een jongen, die een heldenfeit meent te hebben
verricht.
»We hebben het gedaan!«
»Maar hij houdt de deur dicht!« roept Felix.
»Heb je dan niet geklopt?«
»Kloppen? We bonsden! Maar hij wou niet antwoorden.«
»Hoorde je niets?«
»Jawel!« antwoordt Oscar. »Ik hoorde... och, je weet wel zooals je
laatst deedt, toen je je voet had gebrand.«
»Hè, zus!« roept Felix, die, hoewel minder gevoelig dan Oscar, veel
zenuwachtiger is, »wat vind ik dat naar om te hooren, zoo’n grooten man
die kermt alsof hij pijn had.«
»Ga maar cricketten,« zegt ze. Het kost haar moeite die weinige woorden
uit te brengen, en als ze haar vragen in hun spel te deelen, kan ze hen
nog slechts antwoorden met een afwijzend gebaar.
De voetstappen der jongens, nu veel vlugger dan daareven, sterven weg
in de vestibule, op de trappen; langzamerhand, naarmate het stiller
wordt in de muziekzaal, voelt ze de kracht om zich te beheerschen
verdwijnen: ze strijkt met de hand over het voorhoofd, ze loopt het
vertrek op en neder, ze haalt diep adem; eindelijk vindt ze woorden
voor de aandoening, die zoo op eens haar kwamen bestormen.
»Ze hoorden hem kermen... alsof hij pijn had!« fluistert ze. »Alsof hij
pijn had! Ze was zijn lievelingszuster... ik weet het van Nita. De
Verschuere’s zijn de eenigen met wie hij spreekt over zijn
familieomstandigheden. Met mij is hij niet vertrouwelijk... o neen! Hij
stoot mij terug... alsof hij bang was voor te veel toenadering. Toch
onlangs, op gevaar af van onbescheiden te schijnen, heb ik hem
gevraagd, wat de reden was van zijn sombere stemming. Toen vertelde hij
me van haar ziekte en van zijn vrees voor slechter tijding... En nu
moet hij zijn smart alleen dragen. Alleen! Ver van allen die hem lief
zijn. Alleen!«
Ze herhaalt dat woord tien, twintig malen, zonder het zelve te weten;
ze voelt slechts, terwijl ze het herhaalt dieper en dieper de sombere
beteekenis er van.
»Hij kermde... alsof hij pijn had! Dat te weten, en hier te staan,
machteloos, werkeloos!«
Als het een vreemde was, zou het gewone medelijden, dat men gevoelt
voor ieder die in droefheid is, haar dringen tot hem te gaan. Als hij
een vreemde was! Hoeveel te meer dan een huisgenoot! Hoeveel te meer
een man, die sedert twee jaren zich aller achting en genegenheid heeft
waardig gemaakt; hoeveel te meer de zoon van haars vaders oudsten
vriend!
»Was papa maar hier! Of Verschuere! Mijn God, waarom is nu ook iedereen
weg! Nita zou nooit zijn meegegaan naar Batavia, als ze had kunnen
vermoeden hoe noodig ze hier was! En Van Suylichem, die juist van
morgen vertrok met verlof naar Soekaboemi. Iedereen weg... behalve
mama!«
Alleen!
Straks vliegt ze overeind. Ze doet een paar schreden. Daar staat ze
stil, het hoofd zinkt haar op de borst, de hand, die ze ophief om de
portière terug te slaan, valt slap neer; ze keert weder naar haar
plaats, langzaam, moedeloos als de gevangene, die een oogenblik zijn
ketenen vergat. Ze heeft alle bewustzijn van tijd verloren, zoo vliegen
haar de gedachten door het hoofd, zoo snel, zoo pijnlijk snel zijn de
kloppingen van haar hart, zoo veel, zoo diep, zoo geheel anders dan
ooit te voren gevoelt ze! Wanneer ze eindelijk ontwaakt, is het door
het geluid van haar eigen stem, die luide het geheim uitspreekt haar in
deze ure onthuld: »O God! heb ik hem dan zóó lief?«
Straks ligt ze op de knieën, het brandend aangezicht verborgen, de
handen gedrukt op de zwoegende borst: alsof de storm, daar opgestoken,
kon bezworen worden door een paar zwakke meisjeshanden!
»Maar als ik hem liefheb,« fluisterde het in haar, »als ik hem
liefheb... dan mag ik ook tot hem gaan! Dan mag ik het hem ook zeggen
dat hij niet alleen lijdt, dat hier dicht bij hem een hart klopt van
innig medegevoel...«
»Tilly,« vraagt een angstige kinderstem, »Tilly, scheelt je iets?«
Ontsteld ziet ze haar broeder in het gelaat. »Wat doe je hier?« roept
ze dan in zenuwachtige overspanning. »Heeft mama je gestuurd om me te
bespieden?« En als de knaap haar met angstige nieuwsgierigheid blijft
aanstaren: »Ga weg; ga weg, zeg ik je! Ik wil niemand zien!«
»O zus! ik kwam je vragen of...«
»Ga spelen,« roept ze. »Je moest immers volstrekt gaan spelen! Welnu,
doe het dan!«
»Maar.... ik kan niet spelen.... ik denk zoo aan mijnheer....«
In twee stappen is ze bij hem. Ze sluit hem in haar armen, ze kust het
bruingelokte hoofd.
»Lieveling! lieveling!«... en ze barst uit in een vloed van tranen.
»Laten we naar hem toegaan, zus.«
Weinige oogenblikken later staan ze te zamen voor de gesloten deur.
»Mijnheer Van Beevelant!« roept Oscar; maar het blijft stil daarbinnen.
»Wilt u niet open doen? Ik ben het... Clotilde.«
Hij hoort die stem, soms zoo overmoedig, voor hem zacht en smeekend,
die stem, waarin het hem is of hij pas geweende tranen verneemt. Een
smartelijk verlangen doortrilt zijn geheele wezen, een wild,
hartstochtelijk hijgen naar troost; een half waanzinnig smachten naar
een woord van deelneming.
Hij staat aan de andere zijde der deur en beeft waar hij staat. O, al
was het maar voor één enkel oogenblik zijn hoofd te mogen nederleggen
in haar koele, zachte handen, al was het maar eenmaal zijn droefheid te
mogen uitweenen aan dat edele groote hart! haar te mogen zeggen dat hij
haar liefheeft en hoe vermoeid hij is van zijn strijd... die deur te
mogen openen, ze te verbrijzelen, die deur, al de deuren die hem
scheiden van haar!
Hij slaat de hand aan de kruk... Daar, achter hem, ligt de brief,
geschreven met stervende hand, de brief, geheiligd door de tranen der
zusterlijke liefde en ’t is of een onverbiddelijke macht hem drijft om
telkens weer de woorden uit te spreken, die hij daarin las:
»Wees sterk! o Frans, wees sterk!«
»Freule,« spreekt hij, en zijn stem is schor van de bijna
bovenmenschelijke inspanning, die het hem kost zoo te spreken, »u weet
zeker niet dat ik alleen ben?«
»Ja, dat weet ik, en daarom kom ik tot u.«
Dit is te veel. Reeds is de deur geopend, reeds staan ze tegenover
elkander.
Ze heft de oogen naar hem op, en hij weet dat ze geweend heeft om
zijnentwil. Ze reikt hem de hand, en de druk dier hand is hem meer dan
alle woorden van troost en bemoediging zijn konden.
Straks keert hij zich tot Oscar en kust het naar hem opgeheven gelaat.
»U hebt slechte tijding van huis?« vraagt de knaap.
»Zeer slechte.«
»Wat u vreesde is gebeurd?« fluistert Clotilde.
Hij buigt het hoofd.
Als ze zich heeft neergezet op den stoel, dien hij haar biedt, blijven
ze een oogenblik zwijgend tegenover elkander. Dan, met iets plechtigs
in gebaar en houding, rijst hij op en geeft haar den brief zijner
moeder.
En terwijl ze leest bespiedt hij hoe diep medegevoel haar aangrijpt.
Hij heeft het nu zoo bleek en beschreid gelaat lief gehad van het
eerste oogenblik af, waarop hij het aanschouwde, een blozend, lachend
kindergezichtje met kuiltjes, die guitig wegscholen in ronde wangen,
met lokjes, die vroolijk stoeiden rond een onbewolkt voorhoofd, maar
nooit heeft hij haar zoo waarlijk schoon gevonden, of liever nooit
heeft hij haar schoonheid zoozeer bemind als in dit oogenblik.
Straks slaat hij den arm om Oscar heen. Hij zag hem onrustig worden, en
ach! hij wil hen zoo gaarne nog een oogenblik houden; hij zou alles
geven om de weemoedige zaligheid van dit uur te doen voortduren. Maar
Oscar, die de schoolkamer altijd vervelend vindt, oordeelt dat het er
heden, met »die stilte en dat huilen en die lange gezichten«, niet is
om uit te houden.
»Kun je het niet begrijpen, Oscar,« vraagt hij zacht, »dat ik erg
bedroefd ben? Jij, die ook zooveel van je zuster houdt?«
Daar barst Oscar geheel onverwacht los in het luidruchtig gehuil, dat
bij jongens van zijn leeftijd de geliefkoosde uiting van smart schijnt.
»O, mijnheer.. ’t was gemeen.. we hebben er spijt van.. geloof me,
mijnheer, Fé ook! Hij vindt het ook een gemeene streek.«
»Wat? Wat toch?«
»Dat we u, bij al uw verdriet ook nog het leven hebben zuur gemaakt met
al onze luiheid en onzen onwil.«
»Maar mijn jongen, je kondt immers niet weten...«
»Jawel,« gilt Oscar, »we wisten het wel! Zus had het ons gezegd! Zus
had ons gevraagd goed voor u te zijn.«
»Hebt u hun dat gevraagd, freule?«
Weer ligt haar hand in de zijne. Straks, als hij plotseling die hand
loslaat en opspringt en met groote stappen het vertrek op en neer gaat,
roept ze hem tot zich.
»Ik dank u voor de lezing van dien brief. Ik dank u zeer. Hoe
stichtelijk is alles wat uw moeder schrijft over haar. Wilt u mij niet
wat meer van haar vertellen? Zou het u misschien geen goed doen, als u
over haar spreken kondt?... Dat is haar portret, niet waar?... Zij was
zeker mooi, is het niet? Met die expressie zou zelfs een minder fijn
besneden gezicht mooi zijn geweest.«
»Ik weet niet of ze mooi was... Zij had dat eigenaardige in haar oogen,
wat alleen lieve vrouwen hebben en wat ons aan haar schoonheid zou doen
gelooven, ook al waren ze leelijk. Eigenlijk is ze maar heel kort jong
en mooi geweest; toen kwam de slag, die zulk een groote verandering
bracht in onze omstandigheden. Van dat oogenblik af was ze oudste
dochter, oudste zuster; niets anders. ’t Scheen haast of zij alleen de
kracht in zich voelde om de bitterheid der teleurstelling voor ons
allen dragelijk te maken: ik weet dat ze het als haar roeping
beschouwde. En het is haar bijna gelukt. Als ik nu terugdenk aan dat
blijmoedig lachje, aan die heldere stem, aan die onverstoorbare goede
luim, waarmede zij bij mama den moed opwekte, waarmee ze papa midden
tusschen zijn klagen en brommen, kon doen lachen, dan is het me alsof
we nooit ongelukkig geweest zijn.«
»Uw mama schrijft, dat het heengaan haar zwaar is gevallen. Ik kan mij
dat nu begrijpen... als men zulk een heerlijke roeping heeft te
vervullen.«
»Ja, ’t was niet om haar zelfs wil. Zij wist wel, dat het leven haar
niet meer geven zou wat de illusie is van een jong meisje... maar ze
moet ten volle hebben begrepen hoe onmisbaar ze was! Ja,« barst hij
eensklaps los, terwijl de lang bedwongen tranen hem langs de wangen
stroomden, »wèl onmisbaar. Ik ten minste gevoel een leegte zoo groot;
voor mij is het een gemis zoo vreeselijk... ’t Schijnt overdreven, niet
waar? Maar vergeet niet, dat wij te zamen achterbleven, toen pa en ma
van verlof terugkeerden naar Indië. De verhouding van twee kinderen,
die ver van vaderland en familie, te zamen opgroeien onder vreemden,
wordt zoo innig. ’t Was zoo’n moedertje voor me. Ze kon zoo dapper
opkomen voor mijn rechten, al was ze jonger en zwakker dan ik. Arme,
lieve Louise! Al mijn grootsche plannen heeft ze aangehoord met haar
zachten, hoopvollen glimlach, al mijn teleurstellingen met me
gedragen...«
»En u zegt, dat het leven haar niet veel schonk?« vraagt Clotilde
opeens. »Een broeder te hebben, voor wien men alles zijn kan...«
»Ja, dat moet u een geluk toeschijnen!«
Er volgt een lange pauze.—»Is het u nooit in de gedachten gekomen,«
vraagt Clotilde eindelijk met droeve, zachte stem, »is het u nooit in
de gedachten gekomen, mijnheer van Beevelant, dat, bij al mijne
schijnbare voorrechten, ik eigenlijk bitter weinig bezit van datgene
wat voor andere meisjes het leven vervult. Geen zuster met wie ik
sympathiseeren kan, geen broer die mijn troost of deelneming behoeft,
geen moeder...«
Er is in het gelaat, dat ze naar hem opheft, iets zoo onbeschrijfelijk
nederigs, iets zoo kinderlijk smeekends, dat het hem roert tot in het
diepst van zijn gemoed. Met uitgestoken handen, met geheel de
aandoening, die hem het spreken belet, uitgedrukt in den warmen blik
vol liefde, treedt hij op haar toe... Bij die plotselinge beweging
vallen eenige dichtbeschreven vellen papier op den grond. »Wees sterk!
o Frans, wees sterk!«
Hij is sterk. De handen zinken slap neder, de gloed en de liefde wijken
uit het neergeslagen oog, hij bukt zich.
»Dit is haar laatste brief,« zegt hij zonder te durven opzien naar het
arme, droevige gezichtje... »Ik wenschte dat ik u kon laten lezen wat
ze schrijft. Wilt u gelooven,« gaat hij nu bedaarder voort, »dat het
deze brief is, waardoor ik me heb kunnen doordringen van de waarheid
die ik maar niet bevatten kon, dat ze niet langer op aarde is? Terwijl
ik las, was het me alsof die woorden tot me kwamen uit hooger, reiner
sfeer, alsof het niet een sterfelijk wezen was dat tot me sprak, maar
een engel...«
Hij heeft het hoofd gebogen over die laatste herinnering aan de
geliefde doode: zacht treedt Clotilde nader, legt de hand op zijn
schouder en fluistert: »Al ben ik uw zuster niet, al kan ik u niet zoo
begrijpen misschien, als u me een weinig vertrouwen wildet schenken...
misschien zou ik u wat kunnen troosten, langzamerhand...« En als hij
zwijgen blijft, trillend onder de aanraking der aangeboden hand: »U
zijt zooveel voor mijn broers: ik zou, nu Louise is heengegaan, zoo
gaarne iets voor u zijn.«
Hij heeft het hoofd opgeheven, hij ziet rondom zich, hijgend als het
wild, dat, opgejaagd, te vergeefs een uitweg zoekt: nu grijpt hij naar
den brief als zijne laatste redding.
»Clotilde! je zoudt niet willen, dat ik deed wat zij mij smeekt nooit
te doen... nooit, nooit. Je zoudt niet willen dat ik haar liefde
onwaardig werd...!«
Ze blijft zwijgen, verschrikt door dien hartstochtelijken toon, door
dien wilden blik vol zielsangst.
»Clotilde,« klinkt het weer, maar nu zoo toonloos, dat ze moeite heeft
te verstaan: »Ik ben zoo zwak, ik smeek je...«
Onhoorbaar wenkt ze Oscar en verlaat met hem het vertrek. Maar als nu
de deur dichtvalt tusschen hen, dan weten ze het: al de deuren der
wereld kunnen hen niet meer scheiden.