In tegenstelling van den heer Paerel, die ronduit verklaart, dat als de
jeugdige Bruinings nog één dag in zijn huis moeten blijven, hij het
ontruimen zou; in tegenstelling van mevrouw, die Louis zonder eten naar
bed gezonden, Daantje een oorveeg gegeven en de juf flink haar meening
gezegd heeft over bonnes, die, in plaats van te doen waarvoor ze
betaald worden, er ponyhaar en kuren op nahouden, zijn de Verschuere’s
vrij kalm gebleven bij hun wederwaardigheden. En ze waren vele! Maar op
den laatsten avond dreigden ook zij hun geduld te verliezen. ’t Is
echter niet de schuld der logées, als er al te veel van dat geduld
wordt gevergd: hoe toch kunnen die arme menschen vermoeden wat zoo
zorgvuldig is geheim gehouden, hoe toch kunnen zij denken, dat er een
plan bestaat, een plan, tot welks uitvoering allereerst noodig is dat
mijnheer en mevrouw De Bruining »gekleed« zijn!
»Het is kwart voor vijven,« zegt Verschuere, die ongewoon vroeg thuis
kwam en sedert zijn thuiskomst reeds één leitje weggezonden en twee
leitjes ontvangen heeft.
»Ja,« antwoordt mevrouw De Bruining rustig wippend, »nog vroeg hè?«
»Niet zoo bizonder vroeg,« meent Verschuere. Maar de manier waarop zijn
logée zachtjes voortschommelt, bewijst dat ze bij haar eerste meening
blijft.
»Nog een kopje?« vraagt Nita, die, wat haar ook niet elken middag
gebeurt, reeds gekapt en gekleed is, in zooverre ze slechts haar
peignoir voor een japon heeft te verwisselen.
»Ja, zoo straks! Maar er is geen haast bij. Ga gerust je gang met de
bloemen.«
»Ik vrees dat er wèl haast bij is,« waagt Nita op te merken, terwijl ze
dadelijk ophoudt met het maken van een bouquet en inschenkt; »u zult
wel visite krijgen.«
»O, dat wel! Maar niet zoo vroeg.«
»Zoo vroeg? ’t Is vijf uur vóór we allen gebaad en gekleed zijn...«
»Wat ben je onrustig, Verschuere, met die warmte.... ik wou dat we een
flinke donderbui kregen,« zegt De Bruining.
»Een donderbui? Om alles te doen mislukken?« roept Nita, onvoorzichtig
als vrouwen zijn kunnen.
»Wat?« vraagt Louise, »wat zou mislukken?«
»Och... alles... de oogst bijvoorbeeld.«
»De oogst? Hoe meer regens de sawahs nu krijgen, zooveel te beter!« en
De Bruining vraagt zich af, of het mevrouw Verschuere is die zoo’n
domheid zeggen kan.
Als Wies één zwak heeft, dat zelfs Daan erkennen moet, dan is het dat
ze nooit een trekpot kan verlaten vóór die tot den laatsten druppel
geledigd is; als men den heer De Bruining iets ten laste kan leggen,
dan moet het zijn dat hij sedert het overdragen zijner betrekking
onbeschrijfelijk lui is geworden; en met deze gegevens, gevoegd bij de
drukkende atmosfeer, die heden heerscht, ziet het er somber uit voor
het plan, tot welks uitvoering allereerst vereischt wordt dat mijnheer
en mevrouw De Bruining gekleed zijn.
»Nu wordt het toch onze tijd! Hemelsche goedheid, ’t is half zes,«
roept opeens de gastheer met luider stem en springt, schijnbaar
ontsteld, overeind, in de hoop ook hen te doen verschrikken.
»Nog tien minuten er voor,« constateert De Bruining met een blik op de
hangklok en blijft rustiger dan ooit liggen.
Op dit kritiek moment daagt er ontzet. ’t Is in de persoon van mevrouw
Verschuere’s neef.
Hij overziet den toestand met een blik, den toekomstigen veldheer
waardig.
»U hier, mevrouw De Bruining?« vraagt hij. »O! daarom hoorde ik zeker
dat arme kindje van u zoo schreien. ’t Scheen of er niemand bij was
en«.. Maar hij kan zwijgen; reeds heeft de moeder den trekpot in den
steek gelaten.
»Mijn waarde heer De Bruining—neen, dank je Verschuere, ik zal niet
rooken—misschien doe ik u geen ondienst met u te waarschuwen... ik heb
er zoo iets van gehoord dat Zijne Excellentie voornemens zijn zou u nog
even te bezoeken.«
Met een snelheid, welke men niet bij hem gezocht zou hebben, verdwijnt
ook De Bruining in het bijgebouw, en nauwelijks is hij verdwenen of er
ontstaat een luid geroep om bedienden, beantwoord door een trouwe
opkomst en gevolgd door een groote drukte.
Alle jongens en meiden komen toeschieten: een grijpt het theegoed weg,
een ander zet de stoelen en tafels ter zijde, een derde maakt alle
deuren en vensters open, een vierde komt aandragen met groote bladen
vol champagneglazen, een vijfde begint de lampen te ontsteken, alles
onder leiding van James, die beloofd had een handje te komen helpen en
zijn belofte schitterend gestand doet.
Ook Hooglaan komt nu aangetreden—hij kon onmogelijk zoo haastig toilet
maken als zijn collega—en met zijn afgemeten pasjes, zijn zwaaiend
badientje en keurige kleeding zou hij reeds van verre een zeer goeden
indruk maken, zoo niet, met dezelfde kleine pasjes, allen achter
elkaar, zes inlanders hadden voortgestapt, wat hem deed gelijken op den
aanvoerder van een troep ganzen. De zes inlanders waren de dragers van
zes reusachtige bouquetten.
»Van mevrouw van Waliënhove?« vroeg Nita, toen ze uit haar voorgalerij
den stoet zag naderen.
»Neen! Die neemt het zeer kwalijk, dat, als zij een afscheidsdiner
geven wil, De Bruining het wagen durft zóó ziek te zijn dat hij het
niet kan bijwonen. Clotilde stuurt ze. Ik heb haar gezegd dat ze
gelijkt op de toovergodinnen, die, als ze niet zelf komen, zich laten
vertegenwoordigen door haar geschenken. Word ik niet galant? Durf je nu
nog zeggen dat ik den hoftoon niet heb?«
De heer Verschuere daalt nu af naar de ruime gewelven onder het huis,
waar hij zijn wijn bewaart; mevrouw gaat naar haar kleedkamer: bij hun
terugkomst vinden ze de voorgalerij herschapen in een bloementuin,
bestraald door een zee van licht.
»Hoe keurig!« roept Nita. En dan vriendelijk: »Ik wou dat je onze
adjudant waart, James.«
»Ik wou het ook, Nita.«
»Nu, daar behoef je zoo’n sentimenteel gezicht niet bij te zetten! Kijk
eens, Verschuere, ziet het er niet allerliefst uit? Je moogt de heeren
wel eens vriendelijk bedanken... Waar is Hooglaan?«
Deze komt met een min of meer onthutst gezicht Verschuere op zijde.
»Hebt u misschien ook een vrouwelijk wezen bij de hand?« vraagt hij
dezen geheimzinnig.
»Jawel«, zegt Verschuere en wijst lachend op Nita.
Maar zulke aardigheden vallen niet in mijnheer Hooglaan’s smaak.
»Ik bedoel een dienstbare. Om mevrouw De Bruining te gaan waarschuwen.«
»Ik zal haar roepen. Ze zal nu wel klaar zijn, denk ik.«
»Integendeel, mevrouw. Ziet u, ik had misschien niet zoo indiskreet
moeten wezen, maar daareven wierp ik—natuurlijk bij toeval—een blik in
haar voorgalerij en—excuseer mij, mevrouw Verschuere—ik zag daar uw
logée in nachttoilet.«
»In nachttoilet!« herhalen allen verbaasd. »Onmogelijk!«
»Ik verzeker het u.«
»Onmogelijk! Op dit uur van den dag!«
»O ja«, roept Hooglaan nu met zijn meest gemaakt stemmetje, »’t is waar
ook, u noemt dat anders: in sarong en kabaia, meen ik. Maar ziet u, bij
ons op het paleis is de geijkte term....«
Reeds is James uitgebarsten in »dien ruwen lach die zijn collega zoo
agaceert«; reeds heeft Verschuere zich haastig omgekeerd om Mingo te
roepen, wien hij niets te zeggen heeft; reeds is Agnita de trappen
afgevlogen naar de logeerkamer, waar ze Louise vindt.... erger dan in
nachttoilet.
»Mijn hemel! juf, neem Jantje! Maar in ’s hemelsnaam, wat voert u uit,
mijn lieve mevrouw?«
»Jantje heeft zich bezeerd. ’t Ventje....«
»Och, hij doet immers niets anders!« roept Nita, voor het eerst
ongeduldig.
»Nita-lief, laten we kalm blijven.«
»Kalm blijven! En er komt een serenade!«
»Een serenade!«
»Ja. Baboe! Kassi kous!«
»Een serenade?«
»Ja. Hebt u uw schoenen? O neen, eerst de kousebanden; hier zijn ze.«
»Maar kindlief....«
»Waar is de tournure? Baboe, kassi tournure!«
Jantje gilt—en geen wonder! Zijn wondje bloedt en er is niemand die
naar hem omziet, want nauwelijks heeft juf het woord »serenade«
gehoord, of ze is weggevlogen om haar gezicht te bedekken,—haar eerste
beweging bij elke omstandigheid haars levens—en de anderen zijn bezig
om naar de tournure te zoeken... die, helaas, niemand vindt.
Intusschen beginnen zich hier en daar in den tuin, die tot punt van
samenkomst is gekozen, reeds flambouwen te vertoonen; ze worden
talrijker, steeds talrijker; ze beginnen zich in rijen te scharen; er
ontstaat een geraas van rijtuigen, waarschijnlijk gevuld met dames die
komen »nonton«, een gewoel van het inlandsch publiek dat
samenschoolt—Verschuere laat vragen of de dames gereed zijn......
En de tournure?
»In ’s hemel naam, dan maar zonder,« en drie paar handen gooien mevrouw
De Bruining haar japon over het hoofd.
Er is in de tropische natuur altijd iets, dat aan tooneeldecoraties
denken doet, en dit is nooit sterker het geval dan wanneer er tusschen
het zwartgroen der palmen vuur speelt; de flambouwen geven
wonderschoone vormen aan het majestueuse geboomte, dat ze verlichten
met haar rooden gloed. Als vanzelf rijst De Bruining overeind; als
vanzelf plaatsen de wachtenden in de voorgalerij zich rondom hem: de
muziek komt tot hen. Het wordt doodstil.
»Blijf zitten, mijnheer De Bruining;« zegt James vriendelijk; »u zult
straks nog genoeg moeten staan.«
De vermaning blijkt overbodig: hij zinkt reeds terug in zijn stoel.
»Een serenade,... dat hadden ze niet moeten doen... waarachtig... het
maakt me... Wies! Kom hier bij me.«
»Stil, Daan! Hou je nu bedaard, Daan! Kom, je waart altijd flink...«
Nita, die, terwijl ieder aan champagne dacht, zenuwstillende druppels
gereed maakte, komt nu nader met haar medicijn.
Haastig drinkt hij het glas ledig, maar hij is zoo bleek en zoo bevend,
dat de omstanders vreezen voor de mislukking van het plan.
Gelukkig ontbreekt het in de familie De Bruining nooit aan afleiding.
Juist op het oogenblik dat de stoet het erf opkomt, rent van de andere
zijde Toetie de voorgalerij binnen: zij rijdt paardje op papa’s
wandelstok en—op de plaats, daartoe door een even onzinnige als
onkiesche mode aangewezen—draagt ze mama’s tournure.
Nu is het iets anders een tournure te bezitten en wederom iets anders
die tournure voor het oog der geheele wereld te zien rondrijden in een
voorgalerij; iets anders uw vrouw zoo’n dwaas ding te zien aanbinden en
wederom iets anders te moeten bekennen dat ze dit doet.... de De
Bruinings schamen zich diep.
Mijnheer kan zoo gauw niet overeind komen, maar dit is ook overbodig;
ieder wordt gaarne bereid gevonden het ongelukskind een of meer
gevoelige vermaningen te geven, terwijl ze de trap letterlijk afrolt
onder de vereende duwen van alle aanwezigen.
Het incident heeft goed gedaan. Als er achtereenvolgens een vijftigtal
heeren binnenkomen in zwarte jassen en met gelegenheidsgezichten, is
het voorwerp hunner hulde ten minst in staat ieder hunner de hand te
drukken en te danken zonder die dwaze tranen, die hem tegenwoordig te
pas en te onpas in de oogen komen.
Aan den heer Verdijk, den pas benoemden gouvernements-secretaris, is
opgedragen het woord te voeren.
»Zul je het vooral kort maken?« fluistert Verschuere hem toe; »de man
is op van de zenuwen.«
Het is zijn voornemen kort te zijn, niet zoozeer uit medelijden met den
jubilaris—welke feestredenaar heeft ooit medelijden met zijn
slachtoffer gehad?—maar omdat hij moeielijk spreekt en door het minste
of geringste in de war raakt. Toch maakt hij het nog veel korter dan
eerst zijn plan is geweest.
»Mijnheer De Bruining! Uit naam van Buitenzorg’s burgers, uit naam van
de ambtenaren der secre...« Pif! paf! pif! paf! pif!
Men hoopt dat het op zal houden, dit onzinnig pif! paf! en men wacht.
Men wacht. Maar het wordt harder, steeds harder, de slagen schijnen
vertien-, verhonderdvoudigd te worden.
De vreeselijke waarheid dringt zich aan de wachtenden op. Het moet een
dier lange trossen voetzoekers zijn, zooals de Chineezen ze ontsteken
bij hun feesten, en die, eenmaal ontstoken, klappen en klappen tot de
laatste is opgebrand.
Met den moed der wanhoop zet Verdijk borst en longen uit. »Van de
ambtenaaren der secretarie, die u hierbij het bewijs geven«.... een
dikke rookwolk.... de spreker kan niet voortgaan.
Pif! paf! Verdijk staat De Bruining, De Bruining staat Verdijk aan te
zien, alle gelegenheidsgezichten zijn uit de plooi, sommigen om te
proesten van den rook, anderen om te proesten van lachen, velen om
ssst! te roepen, alsof mortions zich tot zwijgen laten brengen vóór ze
hebben uitgeraasd!
Gelukkig komt Verdijk op den inval om het huldeblijk—een
prachtalbum—maar zonder speech over te reiken.
»Muziek!« roept een stentorstem boven het rumoer uit, en nu roept
iedereen om muziek en dadelijk klinkt het:
»Lang zal hij leven!«
’t Ziet er niet naar uit of die wensch vervuld zal worden, als een half
uur later de voorgalerij is leeggestroomd en het verdwijnen van al die
bekende, bevriende gezichten hem zich zoo eenzaam voelen doet, dat hij
omziet naar zijn reisgezellin op den tocht door het leven, om in een
innige omhelzing de zekerheid te erlangen, dat die toch niet zoo
eenzaam zal zijn als hij een oogenblik heeft gemeend.
»Papa! U bedankt iedereen behalve ons!« en op eens duikt Frits op uit
den donkeren tuin, vergezeld van een Paerel.
»En waarvoor moet ik je bedanken, jongelief?« vraagt papa aangedaan:
hij gelooft zich het voorwerp van een niet genoeg gewaardeerde attentie
zijner kinderen.
»Wel, voor dat vuurwerk! Vond papa het niet mooi? Wat paften ze, hé?
die mortions?«
»Hebt jullie dat gedaan?« vraagt de vader met onverholen afschuw.
»Ja. ’t Was voor twee kwartjes,« spreekt de jeugdige Paerel fier.
»En,« voegt Frits er bij, terwijl hij zijn vuile zwarte hand uitsteekt,
»als pa er ons niet voor bedankt, zou pa ons dan het geld willen
teruggeven.«
»Zijne Excellentie!«
Hij komt onverwacht, onverzeld; alleen om zijn secretaris nog eens te
groeten; om mevrouw een gelukkige reis te wenschen; hij blijft slechts
kort; maar iedereen weet het, het is iets zeer buitengewoons wat de
gouverneur-generaal hiermede doet; een blijk van waardeering, van
vriendschap bijna.
De arme De Bruining kan geen woord zeggen op zijn hartelijk: »Tot
weerziens!« en als hij het beproeft, dan barsten de tranen los, die
dwaze tranen, den geheelen avond zoo manmoedig teruggedrongen.
»Ik zal dus naar Bloemduin gaan, Nitalief?«
»Ja, en u moet hen alles vertellen. Van mijn huis en mijn tuin en mijn
bloemen. En hoe goed ik het heb getroffen met mijn bedienden. En dat ik
weer muzieklessen neem! Daar was papa erg op gesteld, moet u weten.«
»En dat je zooveel studeert en zoo’n geleerde dame wordt.«
»Neen, zeg hun dat maar niet.... ze mochten eens vragen met welk
doel... dan moet u hun ook van Gustaaf vertellen: dat hij alles voor
mij is; alles ten minste wat hij in zijne betrekking voor me wezen kan;
en ook hoe James hier elken dag komt en welk een prettige afleiding me
dat geeft. U zult hun zeggen, dat ik gelukkig ben, niet waar?«
»Moet ik dat zeggen, lieve?«
»Ja,« en ze ziet Louise vast in de oogen, »dàt moet u zeggen: gelukkig
en gezond!«
Dan vallen de vriendinnen in elkanders armen en weenen.
Den volgenden morgen..... ach, we maken het elkaar wèl zwaar, het
heengaan, wij Indischlui, met onze afscheidspartijen en
afscheidsbezoeken, met ons komen aan den trein en ons uitgeleide doen
naar de boot, met onze handdrukken en kussen, met ons wuiven tot het
laatst.
Maar toch, we zouden het niet willen missen, ’t weemoedig genot van ons
nog eens te overtuigen, dat er waren die ons liefhadden op het
smaragden-eiland: we zouden haar niet willen missen de herinnering aan
die oogenblikken, die ons zoo zenuwachtig maakten; immers, we hebben
den tijd om onze zenuwen weer tot rust te laten komen in Holland—waar
men er niet zooveel van vergt.