EEN TROEP BENGELS.

De moeilijkheid, waarin de man verkeerde, die den wolf, het lam en de

kool wilde overbrengen, was niets, vergeleken bij die van mevrouw De

Bruining toen zij, op aandrang der goede vrienden, het plan om in een

hôtel te gaan, had opgegeven en nu bepalen moest, waar zij zouden

verblijven in de laatste dagen voor het vertrek. Natuurlijk kon niemand

de geheele familie tegelijk herbergen, tenzij mevrouw Van Waliënhove;

er kwam dan ook te bekwamer tijd een lief briefje van Clotilde, waarin

ze uit naam van mama het logeergebouw ten paleize ter beschikking der

familie stelde.

»Neen, ik kan veel doorstaan, maar dat niet!« riep Louise.

»Kind! hoe heb ik het nu met je?« vroeg Daniël. Waarop zijn vrouw

neerzonk in den kinderstoel (de eenige die bij de hand was, de anderen

werden gepolitoerd) en hem vroeg, of hij dan niet wist dat daar

tapijten lagen onder de tafels—hierbij doelende op de neiging harer

spruiten om den vloer te beschouwen als een sawah, waarop elke

rijstkorrel honderdvoudige vrucht zou dragen;—of hij dan niet wist dat

er zijden dekens op de bedden waren—met het oog op een andere

eigenaardigheid;—dat sarong en kabaai—haar grootste troost in deze

bange dagen—daar niet vermoed, veel minder gezien mochten worden; dat

Frits slaags zou raken met Oscar en hem zeker onder zou krijgen, wat

ten gevolge zou hebben...

»Goed! goed!« riep Daan, die er in zou toegestemd hebben dat men hem

roosterde, als hij maar niet werd lastig gevallen met de voorbereidende

maatregelen.

»Neen, laten we nu eens kalm beraadslagen,« vermaant Louise, terwijl

zij beproeft zich wat gemakkelijker te vlijen in den kinderstoel.

Daniël onderwerpt zich. De kleinsten moesten bij mama blijven. Dat

sprak van zelf.

In den laatsten tijd verheugde De Bruining zich altijd zeer, wanneer

iets van zelf sprak en dus herhaalde hij vroolijk: »Van zelf.«

»En Jantje. Hij zal volstrekt mee naar mevrouw Verschuere willen, en

Toetie is ook best bij mij. Zij kan niet buiten ons, dat teêre hartje!

Dan heb je kleine Daan!«

»En ik!?« roept De Bruining ongerust, »vergeet mij niet.«

»Ja, dat is waar ook,« zegt Louise en zucht bij het dilemma.

De zieke vergist zich in de beteekenis van dien zucht. »’t Spijt me,

Wies,« zegt hij nederig, »dat ik het je zoo lastig moet maken.«

»Daan!« roept Wies, »foei, hoe kun je zoo iets zeggen?« en ze vliegt

naar hem toe, gevolgd door den tafelstoel, die zich hardnekkig aan haar

vastklemt en de omhelzing, welke plaats heeft, niet weinig bemoeilijkt.

»Dan zouden we dus met ons vijven bij Verschuere gaan. We sturen Frits

en Daan bij mevrouw Paerel...«

»Frits en Daan? Maar lieve man, waar denk je aan? we kregen ze niet

levend terug! Als die twee bij elkaar zijn, verzinnen ze dingen...«

»Wim dan—met de juf?«

»De juf... daar zeg je zoo iets. Waar zullen we die heensturen dat we

het minste last van haar hebben? In ’t hôtel maar.«

»Met Louis?«

»Neen, die sart ze voortdurend.«

»Maar... mijn God, wat moet er dan gebeuren?«

Mevrouw De Bruining ziet, dat mijnheer zijn hoofd vasthoudt. Dit,

gevoegd bij haar steeds moeilijker zitplaats, brengt haar tot een

besluit. Mini en baboe ade, Toetie de teergevoelige en Daan de zieke

zullen haar volgen naar Verschuere, de rest zal bij mevrouw Paerel

worden ingekwartierd. ’t Was wel gevaarlijk, maar in ’s hemelsnaam, de

dokter woonde dicht in de buurt, voor het geval dat er een ongeluk

gebeurde en—dit met een zucht van eerbiedige bewondering—mevrouw Paerel

was zoo flink!

Nita lachte met haar vriendelijksten lach, toen zij de regeling vernam

en verzocht vooral Jantje—die reeds weken bij haar logeerde—tot het

laatste te mogen houden; mevrouw Paerel zag er niets tegen op en zoo

was dus alles tot wederzijdsch genoegen geschikt. Dit nam niet weg,

dat, toen enkele dagen later de familie arriveerde, beide dames zich

voelden als een boer die inkwartiering krijgt.

Maar wie had nu ook kunnen vermoeden, dat Louise, na vier weken lang

niet anders gezien te zijn dan gebogen over kisten en koffers, beladen

met stapels kleeren, gewapend met spijker en hamer, verward in kluwens

bindgaren of struikelend over bergen scheurpapier, wie had kunnen

gelooven dat Louise nog altijd niet gepakt zou zijn?

Wie ook had kunnen vermoeden dat de kinderen hun verhuizing zouden

inrichten op de manier van Noach; dat Daantje zijn pratenden béo met

zich zou voeren, dat Louis de reis zou aanvaarden met een

kattéehaantje, dat Frits op den voet zou gevolgd worden door twee

blatende geitjes en Willem door een paar jonge honden?

»Mijn hemel! wat komt dáár aan?« riep mevrouw Paerel, toen de stoet de

kanarielaan afkwam en zij ze reeds in de verte hoorde. »Maar zijn ze nu

heelemaal gek geworden?« vroeg ze, toen zij kon onderscheiden wat de

kinderen meebrachten.

Het verhinderde niet dat zij ze hartelijk welkom heette.

»Alle kinderen binnen en alle beesten naar den stal,« sprak ze

vriendelijk, maar toch op den toon waaraan haar parelsnoer geleerd had

te gehoorzamen.

Dit scheen echter geenszins in de bedoeling te liggen; de jonge

Bruinings keken haar eerst verbaasd en vervolgens, toen het bevel

herhaald werd, uitdagend aan, drukten hun lievelingen vaster aan de

borst, herhaalden het woord »beesten«, alsof dit een vreeselijke

beleediging was, in één woord gedroegen zich alsof ze lid waren van een

maatschappij voor dierenbescherming.

»Komaan, laten we eerst die kip maar eens wegbrengen.«

»’t Is een haan!« riep Frits met de grootste verachting voor zulk een

vergissing.

»Nu, dien haan dan.« En toen Louis weigerend het hoofd schudde, voegde

ze er lachend bij: »Hij slaapt toch niet bij je in bed?«

»Zeker; altijd.«

Mevrouw Paerel schrikt niet gauw, maar dit antwoord, gegeven alsof het

van zelf sprak, brengt haar toch min of meer van haar stuk. Na eenige

aarzeling besluit ze echter haar gewone taktiek te volgen en met

redeneeren te beginnen, om eerst, als redeneeren niet baat, tot krasser

maatregelen over te gaan. Zij verzamelt—niet zonder eenige vrees voor

zekere gebeurlijkheden—de kinderen met hun beesten rondom zich en

begint, onder het klagelijk geblaat der geitjes, het nijdig gebrom der

honden en het gekakel der kippen:

»Zeg er eens, jullie vindt het zeker erg naar, dat je arme, goeie papa

zoo zenuwachtig is in den laatsten tijd?«

»Ja,« roept Frits, »hij kan niets verdragen; ma roept maar altijd dat

we stil moeten zijn.«

»Juist. Je begrijpt dat het heel treurig zou zijn als de papa van mijn

jongens ook zoo werd.«

»Nu, dat zou je voelen,« merkt Daan op, tot den oudsten Paerel gewend;

»ze slaan er maar op, hoor! als ze dat hebben.«

»Omdat ik de ziekte van je papa voornamelijk toeschrijf aan het rumoer,

dat bij jullie altijd in en om huis was...«

»Hou je mond, kwaje meid,« roept nu de béo; en mevrouws juf, die

uitmuntend gedisciplineerd is, doorleeft een vreeselijk oogenblik.

»Omdat ik bang ben dat mijnheer Paerel anders dezelfde ziekte krijgen

zal, heb ik verboden dat op mijn erf ooit eenig leven gemaakt wordt.«

Hier kraait de haan. Maar als een tweede Petrus stoort ze zich daaraan

weinig en gaat voort: »Er zijn maar twee soorten van beesten, die hier

mogen komen: visschen en konijnen; alles wat schreeuwt, kraait, miauwt,

blaft of blaat wordt onmiddellijk verwijderd.«

Daar ze ziet dat haar toespraak niet den minsten indruk maakt, slaat ze

opeens een graftoon aan: »Ze blijven hier nooit een nacht, want de

jongens hebben last om, zoodra het donker wordt, ze te verwurgen of

dood te slaan.«

Nauwelijks heeft mevrouw Paerel uitgesproken, of Louis, die op haar

schoot leunde, springt ontzet achteruit; een gehuil als van halve

wilden stijgt op uit de groep, een stem, nu niet van de béo, zegt

duidelijk hoorbaar: »wat een gemeen mensch!« Teekenen worden gegeven,

en zonder een woord te spreken rennen ze weg, met de beschermlingen

onder den arm, de voorgalerij uit, de kanarielaan weer in.

Mevrouw Paerel moet bekennen dat ze nog zelden voor zoo’n ondankbaar

publiek gesproken heeft. Maar zij vindt het geval meer grappig dan

onrustbarend en verheugt er zich op om, als Paerel straks thuis komt,

hem er het verhaal van te doen.

»Zij gaan ze denkelijk in veiligheid brengen,« zegt ze kalm tot haar

bonne. »Loopt u ze even na? U behoeft natuurlijk niet te hollen, zooals

zij. En brengt u ze me straks hier zonder de beesten. Dan ga ik in dien

tijd thee zetten voor mijnheer en zal ik zorgen dat ze wat lekkers

vinden als ze terugkomen.«

Maar die zorg was onnoodig; ze kwamen niet terug.

Was mevrouw Paerel ontsteld geweest bij de aankomst harer gasten, niet

minder was mevrouw Verschuere het, toen de eene kar na de andere haar

erf opreed, toen de koelies haar bloempotten omverwierpen bij het

afladen der kisten, toen een der buffels aan haar mooiste klimplant

begon te knabbelen.

Met moeite onderdrukt ze den zucht, die aan haar borst dreigt te

ontsnappen, nu ze haar bijgebouw ziet vol laden met allerlei mogelijke

en onmogelijke voorwerpen, nu ze voortdurend stoot op kinderen en jonge

honden (het was een nest van vijf geweest); ze zwijgt en onderwerpt

zich. Maar toch, als Sarinah Toetie oppakt en wegleidt van een

fantasiestoeltje, waarop dat kind bezig is vette vingers te zetten, als

Mingo de lieve Jantje meeneemt in plaats van hem bij den suikerpot te

laten, dan is ze haar bedienden zeer dankbaar. Ze staat trouwens voor

alles alleen. De Bruining ligt in zijn ziekestoel, doodelijk afgemat na

de inspanning die het overgeven zijner betrekking hem kostte; Louise

heeft het veege lijf uitgestrekt op den divan, vermoeid als slechts een

vrouw zijn kan, die daareven een huis verliet, »klaar voor de

vendutie.« Verschuere heeft gezien waar de logées zijn neergezegen en

zich toen geborgen in het tegenovergestelde gedeelte van het huis, en

de juf is wel meegekomen, maar naar het schijnt met geen ander doel dan

om de badkamer te bezetten.

Nita schenkt thee en limonade—De Bruining zijn alle warme dranken

verboden—en melk voor de jonge honden, en wenscht dat er onweer kwam of

dat de deur van de badkamer openging.

Daar vernemen ze in de verte een verward rumoer: hondgeblaf,

geitgeblaat, kindergeschreeuw, en met een schrik, die in een gewoon

geval onnatuurlijk zou zijn, rijst mevrouw De Bruining overeind en

krijt: »Goede hemel, daar heb je ze!«

Het moet gezegd, de ontmoeting tusschen de jonge honden en hun mama is

hartelijker dan die van ouders en kinderen.

Barsch vraagt de vader: »Wat beteekent dat nu?« en met een hardheid,

die haar straks tranen van berouw zal kosten, roept de moeder:

»Wil je wel eens dadelijk naar mevrouw Paerel gaan, ondeugende

bengels.«

»Ze wil ons niet hebben, pa,« zegt Daan. »Ze zegt dat ze ons van nacht

allemaal zal laten wurgen.«

»Of doodslaan!« voegt Frits hier tot opheldering bij.

»Wurgen? Doodslaan? Wat is dat nu voor nonsens?«

»Ja, pa,« huilt Louis, »ik ben zoo bang! Zij zegt dat op haar erf alles

wat schreeuwt wordt doodgemoord.«

»Maar je behoeft niet te schreeuwen.«

»En als we dan naar bed gaan, pa?« vraagt Louis, nu blijkbaar verbaasd

over zoo’n bewering.

»Dat is waar ook. Dan schijn je ’t niet te kunnen laten. Maar... ’t is

onmogelijk dat die goede mevrouw Paerel zoo iets gezegd heeft.«

»Wat? Goed? ’t Is een vilder! een beestenmoordenaar! We gaan er niet

meer heen!«

Een doodelijke angst grijpt mevrouw Verschuere aan bij deze bedreiging.

Zij stopt de kinderen ieder een koekje in de hand om ze tot zwijgen te

brengen en wendt zich tot de juffrouw, die eindelijk uit de badkamer te

voorschijn kwam.

»Als u eens even naar mevrouw Paerel gingt en vroegt wat er gebeurd

is?«

»Ja, mevrouw, zoodra ik gekleed ben.«

Daar de juffrouw juist even lang noodig heeft om zich te kleeden als om

te baden, geeft dit voornemen weinig uitzicht op een spoedige

oplossing, maar gelukkig komt op dit oogenblik de bonne van mevrouw

Paerel. Ze heeft hard geloopen; zij is niet corpulent, zooals die der

De Bruinings. Met enkele woorden teekent ze den inval der kinderen,

mijnheers gevoeligheid voor hanengekraai, mevrouws afschuw van jonge

honden; dan wendt ze zich tot de jongens en verhaalt van de

lekkernijen, die hen wachten als ze medegaan.

»En mijn geitjes?«

»En mijn haantje?«

»En de béo?«

»Ja die kunnen niet mee.«

»Dan gaan wij ook niet.«

»Mijn God, mijn hoofd! Wies, wat moet er gedaan worden? Schaf dan toch

raad, Wies!«

Haar goede genius herinnert op dit oogenblik aan mevrouw Verschuere,

dat men van twee kwaden het minste moet kiezen, en daar de treurige

waarheid zich meer en meer aan haar opdringt dat ze òf de beesten òf de

kinderen zal moeten houden, besluiten ze tot het eerste.

»Zie maar of je hier niet een plaatsje voor hen vinden kunt. Mingo,

help de jonge heeren eens.«

»We zullen den béo hier in de achtergalerij hangen,« zegt Frits

dankbaar, »dan hebt u er nog wat aan, hij is zoo aardig!«

»Nita, je bent een engel!« zucht mevrouw De Bruining.

»Hoe je mond, kwaje meid,« roept de béo.

»Nu, hebben we ’t u niet gezegd? Is hij niet aardig?« gillen de

kinderen. Maar daar papa luide begint te kermen van vermoeienis, geven

ze eindelijk aan de roepstem der bonne gehoor en verdwijnen.

Het blijkt in den loop van den avond dat deze aardigheid van den béo

zijn eenigste is en misschien beter op haar plaats in zijn vroegere dan

in zijn tegenwoordige betrekking; hij is namelijk lang in het bezit

geweest van een gepensioneerd onderofficier, die naar de wijze des

lands leefde.

De avond ging vrij rustig voorbij. Er kwam een leitje van mevrouw

Paerel, dat de ouders, zoo mogelijk, nog meer verbaasde dan verheugde:

het meldde toch dat de kinderen in de rust waren en zich zeer goed

gedragen hadden.

Het lekkere dineetje—er was in den laatsten tijd niet veel werk gemaakt

van de tafel thuis—fleurde den zieke wat op; de gedachte, dat ze morgen

geen huishouding meer zou hebben, maakte mevrouw De Bruining vroolijk;

Verschuere, de eenige van het gezelschap die niet moe was, deed de

anderen hun vermoeidheid vergeten en men wenschte elkaar in vrij

prettige stemming goeden nacht.

Die wensch zou niet vervuld worden. Even na het slaan van twaalven werd

eerst mevrouw en kort daarop ook mijnheer Verschuere gewekt door een

klagelijk schreien. Nita dacht aan den zuiling, Gustaaf aan katten.

Eindelijk begrepen ze dat het de geitjes waren.

Er is niets onvermoeider dan een blatende geit, of ’t moesten twee

blatende geiten zijn. Ze hielden niet op met blaten, en hield er eens

eene op, dan vulde de andere onmiddellijk de pauze aan.

Het »hou je mond, leelijke meid,« dat de béo nu en dan ten beste gaf,

was het wakend echtpaar wel uit het hart gegrepen, maar toch hadden zij

het best zonder dezen tolk hunner gevoelens kunnen doen, en meermalen

gaf Verschuere, die zijn onmacht om de geiten te grijpen maar al te wel

inzag, den wensch te kennen om ten minste dat »zwarte mormel« den nek

om te draaien.

Tegen den morgen schenen de beesten eindelijk uitgeput, maar dat

plotseling stilzwijgen vervulde Nita met angstige vermoedens omtrent

hare bloemen. En nu begon de haan te kraaien, zooals alleen een

katteehaan kraaien kan. De »ellendeling«, gelijk Verschuere hem noemde,

wekte al zijn collega’s uit de buurt, met dit gevolg dat kwart vóór

vijven de nieuw benoemde algemeene secretaris stond te bonzen op de

deur van Mingo’s kamer, rillend van de morgenkoude en in het humeur van

een indisch man, die op is en nog geen koffie heeft.

»Is er brand, toewan?« vraagt Mingo slaapdronken, terwijl hij zijn

hoofddoek omknoopt.

»Neen, veel erger! Roep al de jongens! de spen allereerst om me koffie

te geven te geven en breng die monsters weg.«

»De logées?« vraagt Mingo met het onveranderlijk gezicht van den nooit

verbaasden Javaan.

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 38 / 85 题