EERZUCHT EN LIEFDE.

»Di mana njonnja?«

»Ah! Daar is Gustaaf?« roept mevrouw Verschuere, sluit haar muziekboek

en springt op van de piano.

Dit alles tot groote ergernis van haar neef, die bezig is een stuk met

haar in te studeeren voor de Zondagavondsoirée ten paleize, en juist

hoop begon te voeden dat zekere moeilijke passage beter zou van stapel

loopen dan hij had durven verwachten.

»Dat wil zeggen: nu houden we dadelijk op en kun je wel heengaan,«

bromt hij, terwijl hij met een niet zeer zachte beweging zijn vioolkist

grijpt.

»Foei, James,« werpt Nita tegen; maar ze heeft geen tijd om meer te

zeggen, want reeds gaat ze haar echtgenoot te gemoet.

»Nita,« roept deze met luider stem. »Groot nieuws!«

Als ze echter met een veelzeggend gebaar naar de deur van haar boudoir

wijst, vervolgt hij veel zachter: »Wat, ben je niet alleen? Visite?«

»Neen. ’t Is James maar.«

»Hoe onaangenaam!« zegt hij knorrig. »Hij is er, of hij komt ook

tegenwoordig.«

Een plotselinge blos verft Nita’s wangen. »Is het misschien wat druk?«

vraagt ze met moeilijk verholen voldoening.

»Keur je het niet goed?« Zijn antwoord echter helpt haar spoedig uit

den droom.

»Wel neen; hoe meer hoe liever, als het je afleiding geeft. Maar ik had

je nu iets te zeggen, iets.... dat.... nog geheimblijven moet.«

Juist komt de minder gewenschte bezoeker te voorschijn.

»Goeden morgen, Verschuere. Je bent vroeg thuis van daag, is ’t niet?

Nita, ik laat mijn viool maar staan.«

»Wil je niet blijven rijsttafelen?« vraagt ze met die weifeling in haar

stem, die een uitnoodiging maken kan tot een verzoek om zoo spoedig

mogelijk heen te gaan.

»Neen, dank je. Je denkt dus om die derde bladzijde? Oefen je nog eens

flink van daag, wil je?«

»En wat is het groote nieuws?« vraagt mevrouw Verschuere, als haar man,

die James uitgeleide deed, in drie stappen weer bij haar terug is.

»Wat het is, Nita!« roept hij, en zijn stem beeft van opgewondenheid;

»wat het is? De Bruining gaat weg.«

»Weg? naar Europa? Is hij zóó erg?«

»Ja, hij is gister van Sindanglaya teruggekomen, nog zieker dan hij is

weggegaan. ’t Schijnt dat de angst over Jantje, nu een week of zes

geleden, zijn zenuwgestel den genadeslag gegeven heeft.«

»Kassian!«

»Ja, kassian, maar... ik kom in zijn plaats! De gouverneur-generaal

heeft het me gezegd, Nita! Ik kom in zijn plaats!«

»Werkelijk?« roept ze. »Heeft hij het je gezegd?«

»Ja, ja! Zonder zich een oogenblik te bedenken! Vijf minuten nadat De

Bruining was weggereden!«

»Algemeen secretaris! Maar weet je wel, lieveling, dat dit prachtig

is!«

»Prachtig?... Ongehoord, kind! Op mijn leeftijd! Na zoo kort geleden

pas promotie gemaakt te hebben! ’t Is nog geen twee jaar, waarachtig!

En dat, terwijl er zooveel anderen zijn, die meenden dat ze in

aanmerking zouden komen! »Er zal maar één stem over opgaan, dat begrijp

je.«

»Dat vrees ik ook. Trouwens op de secretarie werd het verwacht. Ze

zullen van protektie spreken, van nepotisme... ze zullen je doopceel

lichten.«

»Neen, dat zullen ze laten! Er is in mijn geheele carrière geen enkele

bladzijde, die me tot oneer strekt; dus dat zullen ze laten!« roept hij

uit met de fierheid van den leeuw die de jakhalzen naderen ziet. »Maar

laat ze hun gang gaan! Laat geheel Indië zeggen wat Indië altijd zegt,

als iemand door inspanning en energie zich er bovenop werkt: dat ik

geboft hebt, schandelijk geboft, brutaal geboft; wat maakt me dat? Laat

zij, die er over schreeuwen, het me nadoen.

»Laat ze toonen dat dit zoogenaamde boffen alleen geluk en niet ook

bekwaamheid is!«

»Ja, dat is zoo,« zegt Nita en ziet vol bewondering op naar de fiere

gestalte, die zich daar verheft vol zelfbewuste kracht.

»Nita, denk eens! Zoo’n veelomvattende betrekking, zoo’n rang, zoo’n

traktement! En dan de toekomst. Je weet wat dat beteekent, niet waar...

algemeen secretaris? Het vagevuur, waardoor wij in den hemel komen,

zooals een van je voorgangsters, mevrouw Hagen, het noemt. ’t Is zoo

goed of ik al raad van Indië was en.... eenmaal raad van Indië...«

Ze legt de handen op zijn schouders en kust hem met een langen, innigen

kus, want ze heeft hem lief; en al kan ze zich niet zóózeer verheugen

in de behaalde zegepraal, ze kan deelen in zijn geluk; ja, als ze

staart in dat stralend gelaat, voelt ze iets over zich komen van zijn

opgewondenheid.

»Hartelijk gefeliciteerd, mijnheer de algemeene secretaris. Moge het je

gelukkig maken!«

»Niet minder hartelijk gefeliciteerd, mevrouw de algemeene

secretaresse!« En de armen dicht om haar heen geslagen, beantwoordt hij

haar omhelzing.

Dien avond worden de lampen ontstoken in de voorgalerij van den heer De

Bruining. Trouwens, er komt geen bezoek, want meer nog dan de

duisternis, vreest men in onze vroolijke indische maatschappij de

droefheid.

Achter in de pendoppo zitten ze ter neer, dicht naast elkander, afgemat

naar lichaam en ziel, zooals men wezen kan na het vallen van een

langverwachten slag, en zwijgen. Niet dat het hun aan stof ontbreekt,

maar wijl ze vreezen te spreken; welk onderwerp toch kan in dit

oogenblik worden aangeroerd zonder een pijnlijke snaar te doen trillen

in het ontstemde speeltuig hunner ziel?

Het gejuich van de kinderen in den tuin hindert, het geratel der

rijtuigen, die hun huis voorbijrollen, vermoeit hen; ze keeren zich af

van het schitterend tooneel dat de ondergaande zon biedt, maar

geenszins om, als in vroeger dagen, toen de gloed dier zon bleef toeven

in hun oogen, elkander aan te zien... Zij vreest de verwoesting te

aanschouwen, die het zenuwlijden heeft aangericht in zijn trekken; hij

weet dat er slechts zorg is te lezen op het smalle, bleeke gezicht

naast hem.

Een half uur hebben ze zoo gezeten, stil en rustig—iets ongeloofelijks,

bijna iets onnatuurlijks in den huize De Bruining—als er een lichte

tred wordt vernomen. Louise ziet op in twee groote klare oogen, vol

deelneming, vol medelijden; het is dezelfde blik dien ze ontmoet heeft

aan het ziekbed van haar kind... Met een heftige beweging trekt ze het

blonde hoofd aan haar borst en barst uit in een vloed van tranen, de

eerste die ze weent sedert de dokter het vonnis uitsprak over de

toekomst van man en kind.

»Dat zal je opluchten, Wies!« zegt De Bruining en ze laten haar rustig

uitweenen. Straks, als de beide dames wat tot kalmte zijn gekomen,

begint hij zacht: »’t Is goed, dat u hier zijt, mevrouw Verschuere; we

hadden behoefte aan iemands deelneming,« en dan terwijl hij haar hand

drukt: »’t is lief van u, mevrouwtje, om te midden van uw nieuw geluk

aan ons te denken.«

»O, natuurlijk deden we dat. Verschuere was ook graag meegekomen,

maar... hij had het zoo druk.«

»Het kan geen kwaad dat hij niet meekwam,« antwoordt De Bruining. »’t

Is geen opwekkend gezicht, mevrouw, voor iemand aan wien juist het

spelen van een der hoofdrollen is opgedragen, dat laatste bedrijf van

het drama, dat men een indische carrière noemt.«

»Een drama?« herhaalt de bezoekster.

»Wat is het anders? Eindigt het wel eens anders dan treurig met ons

indische ambtenaren? Suikerlords en koffieplanters gingen vroeger—en

gaan nog wel eens een enkele maal—naar het vaderland terug met een

verworven fortuin; wij doen het óf met een geknakte gezondheid, óf, wat

misschien nog erger is—met een verloren reputatie. Want houdt ons

lichaam het uit, dan overleven wij onzen roem. Zijn we niet, als de

boomen in het bosch, reeds lang vóór we het vermoeden, gemerkt om

plaats te maken voor degenen die naast ons opgroeien? Komen niet

voortdurend jongeren, met nieuwe denkbeelden en nieuwe plannen, te niet

doen wat wij hebben gedacht en gewild? Worden we niet meest op stal

gezet, lang vóór we vermoeid zijn of versleten, alleen omdat anderen

aan de beurt zijn?«

»Wind je nu niet op, Daan!« fluistert zijn vrouw.

Hij hoort niet; hij gaat voort, maar nu niet langer op den matten toon

van daareven: »Weet u, mevrouw, waaraan onze Oost me dikwerf denken

doet? Aan de vrouwen der parijsche demi-monde, zooals de

romanschrijvers ons die schilderen. Als zij, blijft ze altijd jong en

altijd schoon. Als zij, lokt ze ons door die eeuwige jeugd en

schoonheid. Eenmaal tot haar gekomen, bedwelmt ze ons, dwaze

jongelingen, kortzichtige mannen, verrukt ons door haar pracht, haar

weelde, haar genot... we wijden haar al onze liefde, al onze energie,

onze beste krachten... ze beantwoordt onze teederheid, o ja! ze schenkt

alles wat ze te geven heeft, en het is meer zelfs dan we verwachten,

tot... het oogenblik komt waarop we niet meer bieden kunnen wat we

eenmaal boden... dan laat ze ons gaan! En met de zelfde hand, waarmee

ze ons het afscheid toe wuift, wenkt ze anderen—andere dwaze

jongelingen en kortzichtige mannen, die verheugd komen toesnellen om op

hunne beurt hun noodlot te ondergaan.«

Mevrouw De Bruining is onrustig geworden. Hij moet kalm blijven, heeft

de dokter gezegd, vóór alles kalm! Ze tracht de bezoekster te

waarschuwen door wenk en blik.

»Is u niet wat somber gestemd?« vraagt deze, en zonder antwoord af te

wachten gaat ze voort: »Trouwens, ’t is geen wonder. Niets wat ons zoo

melancholiek maakt als geschokte zenuwen en vooral heden, nu het

besluit werd genomen...«

»Je hebt ’t zeker al gehoord, Nita; hij heeft een spoedcertificaat?«

»Weet u wat ik geloof, mijnheer De Bruining?« zegt Nita met een

glimlachje. »Uw vrouw doet die vraag om er op te wijzen dat het nu geen

tijd is om ons te verdiepen in beschouwingen over Indië. Nu, ik zal,

tot de orde geroepen, dadelijk beginnen met een heel zakelijk gesprek.

Ja, ik wist van dat spoedcertificaat, ik begreep dat u het erg druk

zoudt krijgen met pakken en naaiwerk en vendutie houden, en daarom kwam

ik u maar dadelijk vragen, waarmede ik u helpen kan.«

»Lief kind! Zeker kun je me helpen. We moeten warme kleeren hebben...

het is December als we aankomen... Arme kinderen!«

»Arme ouders,« denkt Nita, terwijl haar verbeelding haar die aankomst

voortoovert.

»Mevrouw Paerel gaat morgen naar Batavia en zal flanel en laken en al

het andere akelige warme goed voor me koopen, en nu had ik al gedacht,

dat, als je het schikken kondt me je naaister af te staan... je kunt

haar toch wel missen?«

»Natuurlijk.«

»Weet je, zij gaat zoo vlug met de machine om en garneert zoo aardig;

anders zou ik het niet durven vragen.«

»Maar mijn lieve mevrouw, ik ben hier gekomen om u te zeggen dat mijn

geheele personeel te uwer beschikking is, en als het u van dienst kan

zijn, mijn eigen persoontje ook.«

»Zeker kan ons dat van dienst zijn. Al was het alleen door ons uw lief

deelnemend gezicht te vertoonen.«

»Hoor eens aan! Men ziet wel dat hij algemeen secretaris af is, hij

heeft weer tijd om galant te wezen,« roept Louise met de goedige

blijdschap eener vrouw die, zeker van haar echtgenoot, hem gaarne zich

aangenaam ziet maken bij andere dames.

»Dan wou ik ook nog even over de laatste dagen vóór uw vertrek spreken;

’t is wel wat haastig, maar ik vrees dat anders een van de vrienden mij

voor is. Mevrouw van Waliënhove zal u natuurlijk noodigen, maar, niet

waar? met zooveel kinderen is het misschien wat lastig logeeren op het

paleis? U weet, wij hebben twee kamers in de bijgebouwen.«

»Nita, kind! men zou zeggen dat je al tien jaar in Indië waart, zoo

hartelijk en hulpvaardig ben je. Doch we wilden maar liever in het

hôtel gaan. We zijn te talrijk om.... Nu, wat is er?«

Dit tot Fritsje, die, buiten adem, met zijn schoenen vol slijk, een

gescheurde kiel, een vuurrood gezicht, komt aanrennen en voortrent tot

hij in zijn vaart wordt gestuit door den wipstoel alsook het daarin

aanwezige lichaam zijner moeder.

Nog vóór ze van den ontvangen schok is kunnen bekomen, tusschen twee

gejaagde ademhalingen in, fluistert hij haar iets toe.

»Wat zeg je?« En ze vliegt overeind met doodsschrik op het gezicht.

»Een dolle hond... groote God! waar? Nita! Daan! Spen! Juf! Boe! grijpt

de kinderen! Grijpt er ieder een! We moeten ze opsluiten!«

Nu was het gemakkelijker gezegd dan gedaan, een Bruining te grijpen.

Nauwelijks zagen ze den even onverwachten als talrijken jachtstoet den

tuin instormen, of het kwaad geweten, dat elk dezer jeugdige bandieten

met zich omdroeg, dreef hem om zijn heil te zoeken in de vlucht.

’t Was te vergeefs dat de rampzalige moeder hen toeriep, hoe geen

ontdekt kattekwaad de reden der vervolging was; te vergeefs dat de

Javaantjes hun hoofddoeken aan de takken der boomen lieten, te vergeefs

dat de baboes haar statige sarongstap veranderden in een gestrekten

draf, te vergeefs dat de juf—als alle juffen van mevrouw De Bruining in

korten tijd corpulent geworden—struikelde over de barrières, die de

vindingrijke knaapjes voortdurend opwierpen, de drijfjacht duurde meer

dan tien minuten.

Toen waren ze allen gegrepen en werden ze, als biggen op een marktdag,

onder even vervaarlijk geschreeuw en met even weinig complimenten,

opgepakt en in veiligheid gebracht; maar het helsch rumoer dat ze

aanhieven, zoodra ze zich opgesloten zagen, overtrof alles wat

verontwaardigde biggen ooit geleverd hebben op dit gebied.

»En nu den hond! Het pistool!« schreeuwt Louise hoog boven het rumoer

uit.

Mijnheers jongen brengt het pistool en met den moed, dien de wanhoop en

het leven in Indië geven, snelt mevrouw—nu gevolgd door zeer enkele

harer jongens—den tuin in, het huis door!

Geen dolle hond.

»Waar is Frits? Mijn hemel, waar is dat kind nu gebleven? Fritsje,

lieveling, waar zit je? Als je gebeten bent, zeg het dan dadelijk,

misschien kan het nog worden uitgebrand.«

»Wat toch, ma?« vraagt Frits, terwijl hij van onder het tafelkleed komt

uitgekropen; »wat toch?«

»Kind, waar heb je dien hond gezien?«

»Een hond?« herhaalt Frits. »Een hond?«

»En je komt me zeggen dat er een dolle hond is.«

»Ik?« Frits kijkt zijn moeder aan alsof hij vreest voor plotseling

ingetreden krankzinnigheid. Daar heeft hij een helder oogenblik.

»Meent u wat ik u kwam zeggen, van Toetie? Dat ze weer met een vollen

mond praatte?«

»Jou leelijke klikspaan!« En op Frits’ wijd uitstaande ooren dalen een

paar vegen zoo krachtig als alleen een door schrik en angst overspannen

moeder ze kan toedienen.

Daarna worden de kinderen verlost.

Maar nauwelijks hebben ze de toedracht der zaak vernomen of, woedend

over hun kortstondige gevangenschap, vallen ze als één man aan op het

ongelukkige kind, dat huilend herinnert hoe ma hem gister heeft

opgedragen te waarschuwen, als Toetie weer met den mond vol praat.

Mevrouw Verschuere brengt haar uitgeputte vriendin een glas ijswater.

»Zal ik u ook eens inschenken?« vraagt ze dan, eenigszins verbaasd over

de houding van den heer des huizes, die gedurende het geheele incident

niet uit zijn ziekestoel verrezen is.

»Neen, dank u, ik ben niet geschrikt,« zegt de heer De Bruining kalm.

»Niet?«

»Hebt u de geschiedenis wel eens gehoord van den man met den wolf?«

vraagt hij dan. »Het gaat mij als de boeren: ik ben zoo dikwerf

toegeschoten op een loos alarm, dat ik niet meer aan een ongeluk

gelooven kan.«

’t Duurde lang vóór de gemoederen bedaard waren, lang ook voor het

gelukte de jeugdige Bruiningjes te doen luisteren naar het klokje van

gehoorzaamheid; eindelijk bood Nita aan, daar juf zich zwaar gewond

meldde en de meiden nog niet genoegzaam schenen uitgerust, Jantje naar

bed te brengen evenals toen hij ziek was, en daar Jantje’s ziekte een

groot evenement was geweest in de familie, werd dit beschouwd als een

soort van voorstelling. Gelukkig sliepen de toeschouwers reeds half

onder het kijken en slaagde men daardoor er in, hun verwijdering te

bespoedigen.

Als mevrouw Verschuere in de achtergalerij terug komt is de maan

verrezen; want gelijkt onze hollandsche hemel een slecht beheerd

theater, waar de toeschouwers moeten wachten, wachten tot in het

oneindige, zonder dat het donkere scherm wordt opgehaald, de Indische

is als een feërie: het eene schitterend tooneel volgt het andere

onmiddellijk op: nog ziet men links de purperen sleepgewaden van den

hofstoet die de onttroonde koningin verzelt in de ballingschap als

rechts reeds haar blonde opvolgster nadert.

Nita vindt mevrouw De Bruining nog steeds pogingen aanwendend om tot

kalmte te komen, blijkbaar met geen ander doel dan om die te gebruiken

voor een toornig protest tegen het noodlot.

»Ik vraag je, Nita! Is dat nu niet verschrikkelijk, zoo’n toestand? Men

heeft geen oogenblik rust. Ik begrijp niet dat er nog menschen zijn met

groote huishoudens, hier in Indië ten minste. Is me dit nu een klimaat

om acht kinderen te hebben?« En als op dezen wanhoopskreet echtgenoot

en bezoekster stil blijven: »Neen ze mogen van Holland zeggen wat ze

willen, het kan er nooit zoo lastig zijn om kinderen te hebben als

hier. Daar kan men ze ten minste opsluiten, in één kamer houden.«

»Of dat nu zoo’n voorrecht is, wordt, geloof ik, wel eens betwijfeld,«

meent Nita te moeten opmerken.

»Maar in elk geval zijn ze onder beter toezicht. Eén hollandsche meid

is meer waard dan tien van die javaansche schepsels.«

»Zoudt u denken?« vraagt Nita, en ze herinnert zich enkele exemplaren

der laatste uitgave van vaderlandsche dienstmeisjes. Maar waartoe de

arme haar illusie ontnomen?

»Ben je nu niet wat onrechtvaardig, kind?« vraagt De Bruining.

Een oogenblik nog moet de veelgeplaagde strijd voeren tegen haar

humeur, dan slaat ze de trouwhartige oogen op naar haar man en zegt:

»Ja, je hebt gelijk, ik moest zoo niet praten. ’t Is heel ondankbaar

van me.«

»Even ondankbaar als het straks van mij was ons goede Oostje bij een

courtisane te vergelijken. U ziet, mevrouw Verschuere, we vervallen

reeds in het zwak van de oudgasten: wijl Indië ons niet alles schonk

wat we vroegen, vergeten we het vele dat het ons gaf en worden

mopperaars.«

»Nu ja, een oogenblikje misschien, maar niet lang; dáárvoor zijn we

hier te gelukkig geweest.«

»Dat zijn we,« zegt Daan.

»Weet je nog,« begint nu Louise, »weet je nog toen we op Trogong waren?

Was dat niet heerlijk? Die frissche, geurige berglucht? Die

vriendelijke bevolking? En hoe goedkoop was het er en hoe mooi! Weet je

nog, ’s morgens als we gingen paardrijden?«

»En ’s avonds, als de maan zoo helder scheen en we zoo poëtisch gestemd

werden?«

»En zoo verliefd!«

»Hemel, ja!« roept hij lachend. »’t Is waar ook, vreeselijk verliefd!«

»Wat hadden we daar toch een mooien groentetuin, Daan! Herinner je je

onze eerste doperwten, die ik niet eten wou, omdat ik vond dat jij er

de helft van hebben moest... toen het bleek dat de spen ze had

opgesmuld? Och, Nita, je hadt eens moeten zien, hoe eenvoudig we daar

leefden en hoe primitief ons huis was. Geen sprake van marmeren vloeren

of gestukadoorde plafonds, hoor... en het was er toch goed wonen, niet

waar, Daan! Ja, ’k weet wel, het lekte een beetje en de deuren sloten

niet al te goed, maar ’t was toch lief.«

»Ja, kind, lief was het,« en van zijn gelaat is de strakke, knorrige

trek verdwenen.

»Was dat uw eerste standplaats?«

»Ja; boven in de Preanger. Een groene vlakte vol witte huisjes. De

prettigste standplaats die we ooit gehad hebben.«

»Zou je denken?« vraagt Louise. »En Batoe, vergeet je Batoe dan? Je

weet niet, Nita, hoe vroolijk het daar in dien Oosthoek lijkt. Ik heb

me dikwerf afgevraagd, of het komt doordat het groen er zoo

doorschijnend is of het licht zoo schitterend, maar zooveel is zeker,

als ik op ons verblijf in den Oosthoek terugzie, is het altijd met

genot!«

»Weet u, mevrouw Verschuere, wat ik later wel eens gedacht heb? Dat het

beter voor ons zou geweest zijn, als we op zoo’n stil, vriendelijk

buitenpostje gebleven waren. ’t Is waar, er gaat niet veel om in zoo’n

leven, maar het is rustig; men kan huiselijk geluk smaken, wat dan toch

bij slot van rekening nog het hoogste geluk is....«

Mevrouw Verschuere zucht.

»Ik zou mettertijd een goed resident geworden zijn, geloof ik, en zij

juist de residentsche, die men in de binnenlanden hebben moet,

hartelijk en gul en niet te veeleischend. Want, is ’t wel, Wies,

trotsch of heerschzuchtig zou je niet geworden zijn?«

»Ik geloof het niet,« zegt ze, lachend bij het denkbeeld.

»Wij waren geen menschen voor Batavia, voor Buitenzorg; wij behooren

niet aan een hof; wij behooren thuis, bij elkaar, bij onze kinderen,«

zegt Daan.

»We hebben één troost, man; we hebben er nooit naar gejaagd! Niet waar,

ik klaagde niet over de eenzaamheid, ik haakte niet naar conversatie of

partijen. Kun je je dat voorstellen, Nita, dat het ons nooit ontbrak

aan bezigheid of discours? En hij had overal tijd voor. Om met me te

gaan wandelen, om me voor te lezen, om den tuin in orde te brengen, om

de kinderen bezig te houden.«

»Deedt u dat wel eens?« vraagt Nita ongeloovig. »De kinderen bezig

houden!«

»Of ik dat deed!« roept De Bruining, en ’t is of hij wel tien jaar

jonger wordt bij de herinnering; »vraag eens aan Louise, of ze ooit een

juf had, wie ze kinderen zoo gerust durfde toevertrouwen als aan mij.«

De donkere wolk, die het woord »juf« altijd op het gelaat van mevrouw

De Bruining te voorschijn roept, blijft ook nu niet uit, terwijl ze met

een diepen zucht antwoordt:

»Dat zou al een heele schrale lof zijn, Daan! Neen, je waart toen...

och, wat was je een goed vadertje in dien tijd! Als ik denk, hoe weinig

je je de laatste jaren met de kinderen kondt bemoeien, dan verwensch ik

ze uit den grond van mijn hart, die hooge betrekkingen, die de vaders

aan hun huisgezin ontrukken.«

»En de moeders groote tractementen bezorgen,« merkt hij lachend op.

»Dat moet je niet vergeten.«

»Dat is zoo,« stemt Louise toe.

»En toch, ik wil je wel bekennen, kind, als ik alles nog eens bedaard

naga, dan zijn de beste souvenirs die ik meêneem uit Indië, de

souvenirs aan het vredige, stille leven in de heerlijke natuur.

Waarachtig, ik kon ze soms benijden, die jonge controleurs, die me hun

opwachting kwamen maken, als ze met hun jonge vrouw naar de

binnenlanden trokken... Ze vermoedden niet wat ze gingen genieten van

het jonge leven en de jonge liefde, door niets afgeleid door niets

gestoord... Ja, men ziet het te laat in, maar dat zijn de beste jaren,

dat is de gelukkigste tijd; dat is de idylle van het indisch

ambtenaarsleven.«

Weer zucht mevrouw Verschuere.

»Ga je reeds weg, Nita? Nu, mijn hartelijken dank voor je lief bezoek.

Je ziet hoeveel goed je ons gedaan hebt.«

»Mijn groeten aan Verschuere, mevrouw, en feliciteer hem van mij. ’t Is

een prachtige promotie, die hij in korten tijd maakt... Onthoud wat ik

u voorspel, mevrouwtje, hij brengt het nog verder.«

»Ik zal morgen de naaister zenden; en stuur mij een paar kinderen; dat

zal u rust geven. Nu, adieu!«

»Wat was mevrouw Verschuere stil,« zegt De Bruining, als ze is

weggereden.

»Arm kind!« fluistert Louise; »arm, lief kind! Ze verlangt naar de

idylle!«

Wie zou het geloofd hebben op Buitenzorg, dat dien avond mevrouw De

Bruining mevrouw Verschuere beklaagde?

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 36 / 85 题