De metalen gong, die den paleisbewoners verkondigt dat het uur voor den
maaltijd daar is, doet zijn zwaren slag weerklinken door de avondlucht;
met de stipte orde, waaraan mevrouw Van Waliënhove hen gewende, staakt
ieder onmiddellijk zijn bezigheden en spoedt zich naar de eetzaal.
Vroegere landvoogden vonden het een niet gering bezwaar aan hunne
betrekking verbonden, dat het huiselijk leven zoozeer leed onder die
betrekking; de heer van Waliënhove beschouwt het als een voordeel. Want
zijn gezin is niet van de gelukkige, waar een bezoek, hoe welkom ook,
altijd een stoornis blijft, waar gasten, hoe beminnelijk ook, kunnen
heengaan zonder een ledig achter te laten; waar de huisvader, als hij
geen vreemden vindt, in de handen wrijft en mama glimlachend naar hem
opziet met de woorden: »Ja, heerlijk onder ons!«
Toch scheelt het heden avond niet veel of men is »en famille«. De
logées zijn met den laatsten trein vertrokken en worden eerst over
eenige dagen door anderen vervangen. Hooglaan, de adjudant, die,
evenals Van Suylichem in het paleis gehuisvest, ook wanneer hij geen
dienst heeft, aan de avondtafel deelneemt, nam een uitnoodiging aan bij
den referendaris Verdijk. Mevrouw Verdijk had reeds gedurende vijf
dagen een verjaardineetje willen geven, maar dit tot heden moeten
uitstellen, daar het elken middag onweerde en dan kwam ze niet te
voorschijn uit haar donkere kamer.
Een oogenblik van verademing kan overigens niet onwelkom zijn, want de
laatste logées zijn menschen geweest die veel drukte, ja zelfs een
weinig emotie aanbrachten.
De eerste, een Amerikaansche, gaf evenveel stof tot verbazing als tot
vroolijkheid. Dat ze een reis rondom de wereld maakte en reeds
halverwege was, kon als verontschuldiging dienen voor den ontredderden
toestand harer garderobe; dat ze de dochter was van een groot generaal,
voor de dapperheid waarmee ze heenstapte over alle bezwaren, zich
overgaf aan de meest gewaagde excentriciteiten; dat ze buitengewoon
leelijk en niet bepaald jong was, voor het reizen met twee
jongelui—trouwens ten paleize genegeerd;—maar dat ze in een
afgrijselijk amerikaansch-engelsch doorratelde van den morgen tot den
avond, daarvoor was geen verontschuldiging.
Een dag na deze niet zeer bekoorlijke verschijning arriveerde een
Italiaan, markies Aréoli. Hij was door zijn gouvernement voorzien van
hetgeen noodig is om aan alle hoven een goede ontvangst te vinden, maar
de beste aanbeveling droeg hij bij zich in zijn persoonlijkheid.
Beide gasten dweepten met de tropische natuur en konden niet genoeg
genieten van Buitenzorg’s heerlijke omstreken. Er werden tochtjes
gemaakt, grooter uitstapjes bedacht, feestjes georganiseerd... meerdere
leden der familie Van Waliënhove namen daaraan deel; en ging de
Amerikaansche—misschien met het oog op haar medereizigers, die een goed
heenkomen hadden gezocht in het hôtel—eer weg dan ze voornemens was
geweest, de marchese bleef een week langer dan zijn oorspronkelijk plan
scheen.
Het is voor niemand in de onmiddellijke omgeving der familie een geheim
waarom zijn vertrek tot tweemalen toe werd uitgesteld. De heer
d’Hannecour, die in zijn hoedanigheid van intendant alles weet—en weten
moet, wil hij zich niet de ongenade zijner zeven dames op den hals
halen—berichtte dezen morgen naar huis: »Aréoli is sinds een half uur
bij Zijn Excellentie.« Van Suylichem, die heden dienst heeft, deed hem
uitgeleide; hij riep hem bij het afscheid toe: »à bientôt, j’espère«,
wat dezen veel te denken geeft. Zóó veel, dat hij niet kan nalaten
freule Clotilde met meer dan gewone belangstelling gade te slaan,
wanneer ze een oogenblik na hem de eetzaal binnentreedt. ’t Doet hem
genoegen dat ze er zoo blozend en tevreden uitziet in haar wit gazen
kleedje met roode geraniums, volstrekt niet als een Ariadne treurend om
het vertrek van den geliefden Theseus.
»’t Zou dan ook vreeselijk jammer geweest zijn,« zegt James bij zich
zelven, »als die vreemde snoes zoo’n lief gezellig meisje voor den neus
van de hollandsche jongelui had weggekaapt!«
Want—hij is geheel teruggekomen van zijn eerste meening! hij vindt haar
nu geen halve wilde meer, integendeel, zooals hij zijn nicht
herhaaldelijk verzekert, ze kunnen het best vinden samen.
En de ingenomenheid is wederkeerig. Immers, wanneer hij een
zwartbehangen zaal was binnengetreden, vol gemaskerde saamgezworenen en
in die zaal plotseling dansmuziek vernomen had; wanneer zij in een
onderaardsch gewelf geworpen, daar een helder licht had zien ontsteken,
dan konden de beide jongelui niet gelukkiger geweest zijn met die
ontdekking, dan nu ze elkaar zoo geheel onverwachts vonden in dat
koude, stille paleis, waar de zon niet zorgvuldiger werd buitengesloten
dan men het er de ware vroolijkheid deed.
Met de inconsequentie, ons menschenkinderen eigen, zou baron Van
Waliënhove het zeer kwalijk genomen hebben, zoo een zijner adjudanten
Clotilde het hof had gemaakt. Toch ergerde hij zich ook aan de saaiheid
van den heer Hooglaan, die dagelijks in gezelschap kon zijn van zulk
een meisje, zonder ook maar een oogenblik zijn stijve vormelijkheid te
vergeten. Met blijkbaar welgevallen daarentegen zag hij op welk een
prettigen voet Van Suylichem met zijn dochter omging; met genot
luisterde hij naar dien luiden frisschen lach, die een korten tijd
verstomd scheen, maar sedert James’ komst weer den helderen metaalklank
van vroeger dagen had.
De heer Van Beevelant komt ook met klokslag acht binnen, gevolgd door
de zonen des huizes, een paar knapen zooals moeders zich die droomen,
krachtig van bouw, breed van schouders, vlug van beweging; een paar
knapen zooals vaders ze behoeven om hen jong te houden, knapen om mee
te gaan schermen en roeien en paardrijden, om trotsch op te zijn en
zich illusies over te maken.
Het gezicht van de Landvoogdes staat heden niet vroolijk, maar toch
komt, als zij haar tegemoet vliegen, een lachje de neerhangende
mondhoeken beroeren; de heer Van Waliënhove strijkt de krullen weg, tot
de groote, schrandere oogen hem aanstaren met hun onbevangen
kinderblik.
»Hoe is het gegaan vandaag, Oscar?« vraagt hij zoodra men gezeten en de
stilte, die het ronddienen der soep vergezelt, ingetreden is.
»Zoo tamelijk, papa!« antwoordt deze. »We hadden hollandsche taal en u
weet daar houd ik niet van.« Dan zachtjes: »Hij is vreeselijk streng.«
»Zoo? dat doet me plezier,« antwoordt Zijn Excellentie lachend en kijkt
naar de zijde waar Van Beevelant zit. »Dat zal je goed doen, denk je
niet? en jij, Felix, ben je tevreden over je zelf?«
»Dat kon beter, papa; ’k heb dertien fouten gehad in mijn thema.«
»Dertien fouten!« klinkt het uit drie monden.
»Ja. Maar het gaat toch al beter. Deze zanikt ten minste niet.«
»Jongelui, je vergeet dat ik niet je opinie vraag over mijnheer Van
Beevelant, maar over je zelf.«
»Da’s waar ook, papa,« roept Oscar lachend; en dan met een steelschen
blik naar den gouverneur: »Maar we hebben toch geen kwaad van hem
gezegd.«
Beevelant knikt hem vriendelijk toe, doch daar klinkt het op eens
knorrig: »Wat veel erger is, Felix, je hebt daar een woord gebruikt,
een woord... ik vraag je, kinderen, waar leer je die straattaal, hoe
kom je aan zulke expressies?«...
»’t Kan wel zijn dat hij het van mij heeft, mama!«
»Clotilde!«
»Ja, ik moest me schamen, dat ben ik geheel met u eens.«
»Maar dan begrijp ik niet hoe je...«
»O, ik doe mijn best om ze af te wennen, die leelijke woorden. Maar als
we onder ons jongens zijn ontvalt er me nog wel eens een dat... uw
fijngevoelige ooren kwetst.«
Er is in den toon van het meisje, in de uitdrukking van haar gelaat,
zoodra ze het tot haar moeder keert, iets dat hen, die haar nog niet
lang geleden vriendelijk en zacht, gewillig en onderworpen kenden,
verbazen moet.
Maar voor hen die dagelijks in het huisgezin van den Landvoogd
vertoeven en de verandering langzamerhand zagen komen, voor hen is er
niets vreemds in.
Ze weten dat freule Clotilde verkeert in het geval van den generaal,
die den vijand naderde, de witte vlag reeds van verre uitgestoken, maar
door den onverzoenlijken tegenstander gedwongen tot den strijd, zich
laat meesleepen in de hitte van het gevecht en eindigt met uitvallen te
doen, waar hij eerst slechts verdedigend te werk ging.
»Jullie, jongens, zijt er van morgen weer vroeg op uit geweest, niet
waar?« vraagt de gouverneur-generaal met het doel afleiding te geven.
»O ja, papa, heerlijk!« antwoordt Oscar. »Een rit van twee uur. Berg
op, berg af! De paarden waren moe. Wij in ’t geheel niet!«
»Maar we hadden een honger!« roept Felix. »Ik heb drie spekpannekoeken
gegeten.«
»Spekpannekoeken!« herhaalt de adjudant van dienst.
»Spekpannekoeken.... hé!«
»Houdt u daar ook zooveel van?« vraagt Felix. En het blijkt uit de
uitroepen, die volgen op zijn bevestigend antwoord, hoe hoog de
vroolijke luitenant bij de jongens staat aangeschreven.
»We zullen u waarschuwen, als zus ze weer laat bakken.«
»Dan zult u eens smullen.«
»Maar ze moeten heet uit de pan gegeten worden.«
»Met vreeselijk veel stroop.«
»En in de keuken.«
»In de keuken?« vraagt James teleurgesteld. »Is dat zoo bepaald
noodig?«
»Ja,« zegt Clotilde, »anders smaken ze niet.«
»Maar ik mag niet in de keuken komen.«
»Wij ook niet,« roepen de kinderen. En dan, als uit één mond: »Maar we
doen het toch.«
»Hoort u dat, mijnheer Van Beevelant?«
Het is anders de gewoonte niet van mama, de aandacht der onderwijzers
te vestigen op de tekortkomingen harer zonen. Maar ze beweert dat Oscar
en Felix met zachtheid geregeerd moeten worden, en nu de gouverneur, in
weerwil daarvan, de strengste tucht handhaaft, nu tracht ze hem bij
elke gelegenheid te bewijzen dat de methode, die hij volgt, een
verkeerde is.
»Ja, mevrouw, ik hoor het.«
»En?«
»En ik zwijg.«
»U zwijgt? U begint dus in te zien dat u, met al uw gestrengheid, niets
verder komt?«
»Pardon, mevrouw, ik zwijg, omdat het naar mijn bescheiden oordeel hier
noch de plaats is, noch de gelegenheid om de jongelui te berispen.«
Baron Van Waliënhove ziet zijn vrouw aan, die rood is van moeielijk
bedwongen drift, daarna den gouverneur, wiens hand beeft terwijl hij
een glas water naar de lippen brengt. Zijn gelaat spreekt van bittere
teleurstelling: hij meende alles zoo goed bedacht, zoo juist geregeld
te hebben.
Was bij vroegere gouverneurs niet het groote struikelblok geweest hun
gebrek aan fijne vormen, hun burgerlijk uiterlijk of boersche manieren?
Had ze zich niet geërgerd aan een nauw hoorbaar accent, aan het
smakelooze van hun dassen, aan de kleur van hun handschoenen, aan de
snit van hun jassen zelfs? Had ze niet altijd gezegd dat het een
gentleman moest wezen, aan wien ze de opvoeding harer kinderen
toevertrouwde? En was dit nu geen gentleman door geboorte en karakter,
door voorkomen en manieren?
Had ze niet honderdmaal verklaard, dat die »schoolmeesters« bang waren;
dat dáárom de kinderen zooveel durfden? Was het niet altijd haar
ergernis geweest, dat de onderwijzers lichamelijk niet genoeg
ontwikkeld waren om zich te meten met de jongens? En is deze niet een
volleerd ruiter, een uitstekend gymnasticus, een zwemmer die haar zonen
verre achter zich laat?
Toch, hij voelt het reeds, niettegenstaande zijn vermanen, zijn bevelen
bijna, maakt ze ook dezen het leven ondragelijk; hij voorziet het, ook
deze zal op een morgen tot hem komen en vragen wat de anderen gevraagd
hebben: ontslag. En dan—is het vonnis geveld! Dit is zijn laatste
poging geweest; als deze mislukt, mag hij niet langer aarzelen, moet
hij zijn kinderen wegzenden naar Europa. En dit terwijl hij al zijn
politiek talent heeft gebruikt om de onmogelijke positie van den
gouverneur mogelijk te maken; dit, terwijl de zoon van zijn ouden
vriend reeds een plaats won in zijn hart; dit, terwijl de knapen
eindelijk voor hun leermeester gevoelen, wat de grondslag is van
opvoedend onderwijs: eerbied en liefde.
Immers, die met recht gewraakte uitroep van daar straks is in Oscar’s
mond een lofrede. Volgens hem toch »zanikten« al de vroegere
onderwijzers; ja, gerugsteund door mama, heeft hij zelfs beproefd hun
die slechte gewoonte af te leeren, of door ze doodeenvoudig de
gehoorzaamheid op te zeggen, of door ze, tot groote pret der
hovelingen, voor den gek te houden. Wat kan hij haar toch misdaan
hebben, hij die bij andere dames zoo hoog staat aangeschreven?
Wat hij haar misdeed?
Hij is haar niet onderworpen genoeg. Al zijn voorgangers heeft ze in
haar macht gehad. De intendant betaalde hen onder haar goedkeuring het
door haar bepaalde traktement; deze ontvangt het regelrecht uit de
handen van Zijne Excellentie en ze weet niet eens of hij iets ontvangt,
veel minder hoeveel. De andere noodigde ze een enkele maal, als er op
veel invitaties een weigerend antwoord kwam; deze ontvangt op hoog
bevel een kaart voor elke feestelijkheid die plaats vindt; de anderen
bracht ze tot wanhoop door hen tegen te werken bij hun leerlingen, deze
laat zich niet tegenwerken; de anderen vreesden haar, deze ziet haar
aan met zijn vasten blik, en in dien blik leest ze: »Ik ben uws
gelijke, mevrouw Van Waliënhove.«
Daarom heeft ze de anderen alleen gesard en geplaagd, omdat dit zoo
haar welbehagen was; dezen haat zij.
Clotilde heeft de wolk gezien, die zich legerde op het voorhoofd van
den geliefden vader.
»En u vraagt niet eens hoe het met mijn schets is afgeloopen, papa,«
begint ze vroolijk. »Bent u er niet nieuwsgierig naar?«
»Ja, zeker, zeker. Is ze goed gelukt?«
»Dat geloof ik wel. Maar niet, zooals u waarschijnlijk denkt, door het
talent uwer dochter. Mijnheer Aréoli heeft haar afgemaakt.«
Nu ze dien naam noemt, worden drie paar oogen opgeheven van de
doperwten, die juist zijn rondgediend; maar die drie paar oogen
ontmoeten elkaar! Met plotselingen schrik rusten ze weer op de borden
en wordt de jacht op de doperwten hervat.
»Nu, ik wil graag eens zien wat hij er van gemaakt heeft.«
»Dat spijt me: hij heeft ons gezamenlijk werk meegenomen als een
herinnering aan ons gezamenlijk tochtje,« zegt ze met het onschuldigste
gezicht ter wereld.
Terwijl ze spreekt ziet mevrouw Van Waliënhove haar dochter aan,
begeerig om een blos, een teeken van verlegenheid te ontdekken.
Clotilde weet het en vindt er een ondeugend genoegen in om haar moeder
geheel in het duister te laten omtrent haar ware gevoelens.
»Mogen we opstaan, papa,« vraagt Oscar eenige oogenblikken later, als
aan het dessert wordt begonnen.
Het is een gewoonte van den heer des huizes om op dit oogenblik den
kinderen hunne vrijheid terug te geven: van al het vervelende zijner
tegenwoordige leefwijze vindt hij de langdurige desserten het
vervelendst, en hij acht het niet noodig ook hen daaronder te doen
lijden.
Ze loopen dus wat rond en verdwijnen meestal onopgemerkt, nadat
Clotilde hen heeft bediend van de vruchten. Heden avond blijven ze
langer dan gewoonlijk. Ze staan achter Clotilde’s stoel en ze moet hun
nu dit, dan dat aanreiken. Het verveelt haar trouwens niet licht; ze
houdt van de vroolijke deugnieten, ze knijpt ze graag eens in de
vleezige bruine wangen of bedenkt met hen het plannetje voor den
volgenden morgen. Van avond echter vindt zij ze lastig. Voortdurend
staan ze te fluisteren en te gichelen, telkens trekken ze aan het
kleedje, dat niet veel trekken verdragen kan.
»Wat bedisselen en besmoenzelen die jongens daar toch achter ons?«
vraagt ze eindelijk, ongeduldig geworden, aan den heer Van Beevelant
die naast haar zit.
»Mijnheer, een nieuw werkwoord: besmoenzelen!« roept Oscar en hij
barst, tegelijk met zijn broer, uit in vroolijk gelach.
»Bedaart wat, jongens,« vermaant de gouverneur zacht. En als dat niet
baat: »Komaan, gedraag je wat betamelijker in presentie van je ouders.«
»En van je zusters sleep,« voegt Clotilde er bij, met een bezorgden
blik op de luchtige massa tulle en kant die van haar stoel afhangt.
Daar er geen gasten zijn wordt het dessert zooveel mogelijk bekort en
het diner dat nooit lang duurt, is heden binnen het uur afgeloopen.
»’t Is een prachtige avond«, zegt James, die een gunsteling is van de
barones en wat meer durft dan een ander. »Als de dames nog gingen
toeren, zou ik gaarne een plaatsje verzoeken in haar rijtuig.«
»Wat dunk je, Clotilde?« vraagt haar mama met een vrij vriendelijk
lachje, want een tête a tête wordt evenmin door haar als door haar
dochter gewenscht. »Zullen we dezen indiscreten mijnheer dat pleizier
maar eens doen?«
Zijne Excellentie keert zich tot den gouverneur: »Ik ga een wandeling
maken, mijnheer van Beevelant; het zal mij aangenaam zijn als u me wilt
vergezellen«, en na een lichte buiging verwijdert hij zich met zijne
vrouw.
De adjudant van dienst biedt de dochter des huizes den arm. Maar op het
oogenblik dat ze dien wil aannemen, slaakt ze een gil.
De heer en mevrouw Van Waliënhove, die juist de deur bereikt hadden, de
maître d’hôtel die haar buigend openhield, de bedienden die en haie
geschaard stonden om hen te laten voorbijgaan, allen kijken om, en ze
zien.... de freule rug aan rug met den gouverneur.
»Clotilde?!«
»Ja, mama! Help dan toch!«
»We zouden immers gaan rijden. Waarom kom je niet mee?«
»Ik kan niet.«
»Mijnheer van Beevelant, ik wacht u,« klinkt een gebiedende stem.
»Excellentie, duizend excuses«, stamelt van Beevelant, maar blijft
onbewegelijk staan.
Reeds zijn de landvoogd en mevrouw op hun schreden teruggekeerd: het
raadsel is opgelost zoodra zij nader treden.
Aan de beide rokspanden van den heer van Beevelant is de dunne stof,
die dienen moet om Clotilde’s pouffe en sleep te vormen, met tal van
spelden vastgehecht en zóó vastgehecht, dat bij de minste beweging van
een hunner een onheilspellend kraken vernomen wordt.
Als door eenzelfde gedachte bezield, zoeken aller oogen de beide
knapen: ze zijn spoorloos verdwenen.
Clotilde is rood als een pioenroos, mevrouw bleek van ergernis, de heer
Van Waliënhove vindt de zaak hoogst ongepast; dat bewijst de strenge
uitdrukking van zijn gelaat; alleen Van Suylichem heeft moeite om
ernstig te blijven.
»Maar mijn hemel, zal dan niemand ons helpen!« roept Clotilde juist op
het oogenblik dat haar kamenier, door een der bedienden gewaarschuwd,
komt aanvliegen.
»Ik hoop, freule,« begint van Beevelant, zoodra zijn rokspanden hem
weer toelaten zich tot haar te wenden, »dat u de verzekering zult
willen aannemen van mijn innig leedwezen over het gebeurde.«
Clotilde, nog steeds vuurrood van verlegenheid, schikt, om zich een
houding te geven, het verkreukeld kleedje terecht.
»U waart er zoo goed het slachtoffer van als ik,« zegt ze dan.
»U zult mij genoegen doen, mijnheer van Beevelant, met de jongelui
voorbeeldig te straffen,« begint de gouverneur-generaal.
»Dit is mijn voornemen, Excellentie.«
Er is in den toon der beide heeren iets dat mevrouw van Waliënhove doet
vreezen voor haar lievelingen.
»Nu, we moeten een grap niet zoo hoog opnemen,« haast ze zich uit te
roepen; »die arme kinderen mogen tegenwoordig ook niets misdoen of ze
worden »voorbeeldig gestraft«. En zoo erg is dit nu toch waarlijk
niet.«
»Niet erg, mevrouw?« vraagt van Beevelant. En, als zij lacht: »Ik waag
het in dezen met u van meening te verschillen: ik vind het zéér erg.«
»Hebben uw rokspanden zóóveel geleden?« vraagt mevrouw Van Waliënhove
op den toon, die haar vijanden doet zeggen dat ze een scheermes heeft
op de plaats waar haar tong moest wezen.
»Niet zooveel als mijn japon, mama. Maar aan zulke nietigheden denken
we niet, is het wel, mijnheer van Beevelant? ’t Is de verlegenheid
waarin ze ons brachten, het gek figuur dat ze ons lieten slaan.«
»Komaan! ’t was niet prettig voor je, dat erken ik, en als het met een
ander geweest was... iemand die... maar met mijnheer van Beevelant!«
»U bedoelt?« vraagt deze, schor van ingehouden drift, doodsbleek
geworden onder den smadelijken toon, onder den minachtenden blik. »U
bedoelt?«
»Vraag niet, mijnheer van Beevelant!« roept Clotilde en onwillekeurig
doet ze een stap voorwaarts, als om zich te stellen tusschen hem en
haar moeder; »vraag niet! Het is onnoodig dat mama duidelijk maakt wat
ze bedoelt—omdat ze zich vergist. Zij meent dat het mij in groote
verlegenheid zou gebracht hebben, wanneer de broêrs hadden goedgevonden
hunne aardigheid te verkoopen met een ander, gister bijvoorbeeld, niet
waar, mama? met markies Aréoli?«
»Ja juist.«
»Dit verwondert me van u, die anders zoo scherp ziet. Me dunkt, u moest
weten dat, terwijl markies Aréoli mij geheel onverschillig is, ik zeer
veel prijs stel op de goede opinie van mijnheer van Beevelant.«
»Ik erken, Clotilde, dat je me verbaast.«
»Ik moet u nog meer verbazen, mama«, spreekt het meisje met lippen die
trillen, met oogen die vonken schieten van verontwaardiging; »ik moet u
zeggen, dat het me grieft en ergert iemand, dien ik hoogacht, het
voorwerp te zien van grofheden.«
Nu gebeurt er iets, waaraan mevrouw van Waliënhove jaren later niet kan
terugdenken zonder zich af te vragen, hoe het mogelijk is geweest dat
ze niet tusschenbeide kwam, iets dat alleen een man van zulk een
ridderlijke figuur en zulke volmaakte vormen als van Beevelant doen kan
zonder zich belachelijk te maken: hij laat zich neer op ééne knie,
neemt freule Clotilde’s hand en drukt die eerbiedig aan zijn lippen.