HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT.

Het regende dien nacht alsof het met bakken van den hemel gegoten werd

en de groote parade onderging het lot van meest alle groote parades op

Batavia: ze werd afgekommandeerd wegens de drassigheid van het terrein.

Had men zoo ook de officieele gelukwenschen kunnen afkommandeeren!

Maar die moesten plaats vinden: consuls en hoofdambtenaren in hun van

goud of zilver schitterende galarokken; de leden der rechterlijke macht

met hun toga’s en baretten, hoofd- en subalterne officieren in hun

fraaiste uniformen, referendarissen en commiezen in hun eenvoudigen

zwarten rok, die allen kwamen den Landvoogd, omringd door den Raad van

Nederlandsch-Indië en zijn staf, hun gelukwenschen aanbieden, »met

eerbiedig verzoek ze wel te willen nederleggen aan de voeten van den

troon.«

’t Mocht een buitenkansje heeten, dat de atmosfeer was verfrischt door

de gevallen regens, maar toch bleef het, wat het samentreffen van veel

mannen in lakensche kleeren wezen moet, als het op het heetst van den

dag plaats vindt, doodsbenauwd.

Het diner was druk bezocht: men vergist zich soms in den volksgeest,

vooral wanneer die zich openbaren kan in lekker eten, en bij zulke

gelegenheden zijn ook de bataviasche Hollanders boven verwachting

koningsgezind.

De heeren—voor dames schijnt men het minder noodig te oordeelen den

verjaardag van hun vorst te vieren—de heeren kwamen op als één man.

Volgens deskundigen was de speech van den gouverneur-generaal bijna

even goed als de getruffeerde kalkoen, en die kwam de volmaaktheid

nabij; het vuurwerk was prachtig; er waren duizende rijtuigen en

tienduizende toeschouwers verzameld op het Koningsplein, trouwens

uitgebreid genoeg om het dubbele aantal te bevatten, en de geestdrift

van het publiek, reeds zoozeer opgewekt door de kunstgewrochten van den

grooten Gors, nam nog toe, toen de Landvoogd met zijn familie en gasten

zich op het balkon voor het paleis vertoonde en zijn beide zonen

telkens het sein gaven voor die bewonderende hèèèès en juichende

hààààs, die nu eenmaal onmisbaar schijnen bij een vuurwerk.

Den volgenden dag had de partij bij de Hagens plaats.

Volgens de ouderen van dagen, die slechts konden toezien en bewonderen,

was ze prachtig; volgens de jonge meisjes, die doordansten tot den

anderen morgen, verrukkelijk; volgens de leveranciers een feest zooals

er eigenlijk iedere maand een dozijn moesten gevierd worden; volgens de

jeunesse dorée de prettigste fuif in jaren gegeven; volgens de

ambtenaarswereld een »heele victorie«, want de heer en mevrouw Van

Waliënhove, die anders zelden op partikuliere feesten verschenen,

verschenen hier.

Nooit was in Batavia, waar enkele malen liefhebberijcomedies worden

opgevoerd door de élite der jonge dames, waar zoo natuurlijk en

eenvoudig wordt gespeeld, dat de hollandsche tooneeldirecties er een

lesje konden gaan nemen; waar kosten noch moeite gespaard worden om een

voorstelling te doen gelukken, nooit was er iets geleverd zoo goed als

heden avond.

Amalia vervulde de rol eener schijnbaar ruwe, doch teêrhartige

vivandière; Van Suylichem die van een boerenlummel; Gertrude was een

bekoorlijk dorpskind, en zekere tweede luitenant stelde een gewond,

maar desniettegenstaande zeer verliefd soldaat voor.

’t Stukje was niet bijzonder grappig, maar fijn gedacht: het publiek

beschaafd genoeg om het te waardeeren; als men één aanmerking had

willen maken, dan zou het misschien geweest zijn dat de jonge luitenant

zijn verliefde rol wel wat heel con amore speelde.

Volgens sommigen had ook Gertrude wat koeler kunnen zijn; ’t is waar,

boerinnetjes zijn vrijer in den omgang met soldaten dan jonge dames met

officieren, maar ’t verwonderde het publiek toch.

Alleen mevrouw Ramsberge, die een paar weken geleden een harer dochters

had thuis gekregen, weduwe met een mager pensioentje, drie kinderen en

haar een-en-twintig jaren—alleen mevrouw Ramsberge verklaarde aan

ieder, die het hooren wilde, dat zij er niets verwonderd over was, och

hemel neen, niets!

Dat kwam er van, als men de meisjes niet op haar tijd liet trouwen,

zooals tegenwoordig voor Indië ook al mode scheen te worden; de Hagens

mochten nu dien verjaardag met nog zooveel ophef vieren, ’t was toch

eigenlijk ongehoord dat zoo’n lief, rijk meisje twintig jaar werd

zonder dat er sprake was van een engagement. Mijn hemel, waar moest het

naar toe! ’t Was toch de bestemming! Ja, de dames mochten haar

uitlachen zooveel ze wilden, zij had er een zwaar hoofd in.

Gelukkig kon mevrouw Ramsberge dien avond haar zwaar hoofd gerust

neerleggen. Aan het einde van het souper stond de gastheer op om de

verloving aan te kondigen van zijne dochter Gertrude met den heer

Willem van den Bosch (de verliefde soldaat).

’t Was een goed denkbeeld dit pas aan ’t einde van het souper te doen;

was het aan het begin geweest, de aandoeningen der gasten zouden hen

verhinderd hebben naar waarde te genieten van de goede gaven hun

aangeboden.

Als Batavia ooit verbaasd stond, dan was het in dit oogenblik. Gertrude

Hagen geëngageerd met Van den Bosch, een tweeden luitenant! En was het

nog een tweede luitenant geweest van adel, een tweede luitenant met

fortuin, of ten minste een vreemdeling! Maar—iedereen wist dadelijk

alles van hem af—’t was maar een Hollander, niet eens een Engelschman,

en daarbij een doodeenvoudige jongen, de zoon van een arme

domineesweduwe, ergens in den achterhoek!

Niemand kende beter den bataviaschen geest dan de heer Hagen; niemand

had op meer recepties gebogen voor mooie jonge bruidjes naast bruigoms

die haar vader konden zijn; niemand wist zoo goed als hij, hoe de

handelsgeest is gedrongen in de harten, en de zucht naar weelde de

zucht naar liefde beheerscht.

Hij had voorzien hoe het engagement zijner dochter zou worden

opgenomen; hij vermoedde welk een opschudding het brengen, welk een

gepraat het geven zou; dáárom was alles zoo diep geheim gehouden: hij

had het publiek willen stellen voor een voldongen feit, wel wetend dat

niets zoo geschikt is om aan gebabbel een einde te maken, dan de

zekerheid dat gebabbel aan de zaak niets veranderen kan.

Ofschoon anders volstrekt niet ongevoelig voor de openbare meening,

bekommerde hij er zich overigens weinig over of de keuze, door zijn

kind gedaan, werd goedgekeurd door de groote menigte... Hoe was zijn

huwelijk toegejuicht in der tijd! Hoe dikwerf was hem gezegd dat hij en

zijn meisje een paartje waren als voor elkaar geknipt; hoe hadden

familie, vrienden en kennissen alle krachten ingespannen om die

verbintenis tot stand te brengen; hoe was zijn eigen moeder, die toch

raden kon wat hij behoefde om gelukkig te worden, er mede ingenomen

geweest!

Batavia mocht zich verbazen zooveel het verkoos, het liet hem koud.

Immers, Batavia kon niet weten hoe nu twee jaar geleden, toen hun

eenige dochter terugkeerde uit Europa, de heer en mevrouw Hagen te

zamen neerzaten, voor het eerst sedert langen tijd hand in hand, voor

het eerst sedert langen tijd bezield door dezelfde gedachte.

»Wat is ze mooi, onze lieveling,« had hij gezegd.

»En lief. En zoo eenvoudig,« had zij gefluisterd, den vochtigen blik

naar hem opgeheven. »Het zal moeite kosten haar tot de overtuiging te

brengen dat ze trouwen moet om positie, om geld...«

»Maar moeten we haar tot die overtuiging brengen?« had hij gevraagd.

Toen had ze zich tot hem gekeerd met een kreet van vreugde.

»Hagen, is je dat ernst? Zou je dat waarlijk willen doen? Haar

vrijlaten in haar keus? Haar laten trouwen wien ze liefheeft? Zou je me

dat willen beloven? Ons kind een kans geven om gelukkig te worden?«

Neen, Batavia kon niet weten hoe de trotsche vrouw, zoo gewoon te

bevelen, hem dit had gesmeekt; ’t kon niet weten wat hem door de ziel

was gegaan van bitterheid en smart, toen ze hem dat vroeg, als het

hoogste wat ze kon vragen voor haar kind: een huwelijk uit liefde, uit

vrije keuze! Het wist niet hoe hij had geantwoord, terwijl hij zich

afwendde, opdat ze niet zien zou hoe ze hem griefde.

»Zou ik anders kunnen, Mathilde, na onze ervaring? Wees gerust, de

dochter zal gelukkiger zijn dan de moeder, zij zal trouwen wien ze

liefheeft.«

Het was een tweede luitenant geweest. Een arme, eenvoudige tweede

luitenant. Maar toch een tweede luitenant zooals er niet veel gevonden

worden: een jeugdige god Mars, die er krijgshaftig uitziet in zijn

uniform en zoo mogelijk nog knapper in zijn politiek; een lieve,

vroolijke jongen met een open gezicht en heldere oogen, even frisch van

hart als jong van jaren, rein gebleven van de smetten der wereld,

zooals het enkele bevoorrechte moeders gegeven is haar zonen te

bewaren.

De gasten zijn vertrokken, de logées naar hunne kamers gegaan, de

lampen gedoofd, en weer zitten de heer en mevrouw Hagen in de

liefelijke stilte van de loofhut. Ze hebben den dank ontvangen van die

beide overvolle harten; ze hebben opgezien in die gezichten blozend van

liefde, in die oogen stralend van geluk; uit de verte komen de kussen

tot hen, gewisseld in de zoete weelde van het ongestoord samenzijn; en

voor het eerst sedert den dag waarop eerzuchtige ouders en kunstige

drogredenen hun verbintenis tot stand brachten, gevoelen ze voor

elkander wat zooveel doet vergeven: een diep, oneindig medelijden.

»Ik ben je zeer dankbaar, Louis,« fluistert ze zacht en drukt de hand

die in de hare ligt.

»Wat zijn ze gelukkig... de kinderen! Er was een tijd, niet waar Tilde,

er was een tijd—toen we nog geen van beiden vermoedden dat ons huwelijk

een... vergissing zou blijken; maar zoo, zooals zij zijn, ik herinner

’t me niet goed, maar... zijn we ooit zóó geweest?«

»Arme man!« zegt ze zacht.

Straks schrikken de jongverloofden op.

»Hoorde ik daar niet een kus, Willem?« vraagt Gertrude. Maar Willem

antwoordt lachend, terwijl hij haar op nieuw in zijn armen sluit: »Het

zal de echo van onze kussen geweest zijn, lieveling!«

En hij vermoedt niet hoezeer hij de waarheid spreekt.

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 32 / 85 题