De Hagens wonen op het Koningsplein en ze wonen daar heerlijk. Dames,
wier echtgenooten lid zijn in den Raad van Indië, hebben onder de vele
voorrechten, die haar door haar zusteren vaak zuchtend worden benijd,
dit: ze kunnen haar huis inrichten zooals ze dat wenschen; ze kunnen er
alle moeite en zorg aan besteden, zelfs veel geld er voor uitgeven,
zonder dat telkens als een dreigend spooksel de vraag bij haar oprijst:
voor hoe lang?
Mijnheer Hagen—want hij is het die deze villa uit vele andere koos, die
den tuin opnieuw aanlegde, hier wat bijbouwde, daar wat afnam, hij is
het die Jakatra afliep, om op de zolders der Chineezen het oud
porselein te vinden, waarvoor hij bekend werd; die teekeningen maakte
van ameublementen en ideeën aangaf van versieringen—mijnheer Hagen
heeft ruim gebruik gemaakt van dit voorrecht.
Agnita had groote marmeren ruimten verwacht, vol mooie meubelen, met
reusachtige beelden, reusachtige spiegels en reusachtige gravures, met
kostbare portières en alkatieven, alles geregeld naar traditioneele
wijs: in één woord een huis zooals men er vele vindt in de Koningin van
het Oosten, die er met hun pracht en weelde altijd blijven uitzien
alsof ze in orde gebracht waren voor een bewoner, maar nog niet
betrokken.
De Hagens zijn rijk; mevrouw heeft fortuin, mijnheer een groot inkomen.
Maar ze hebben den takt gehad dit niet te toonen: de eerste indruk,
door hun huis gemaakt, is die van gezelligheid, en pas als men heeft
opgemerkt, hoe zacht het getemperd licht naar binnen valt, hoe kunstig
de hitte is buitengesloten, hoe heerlijk rustig en kalm de omgeving is,
dan pas komt men er toe te bedenken, dat er duizenden moeten besteed
zijn aan de inrichting dezer woning. Mevrouw Te Leurse is het zich
volkomen bewust, dat, wanneer ze niet de hoofdrol vervulde in het
stukje voor Gertrude’s feest, misschien mijnheer, maar zeker niet
mevrouw Hagen haar zou gevraagd hebben om hun logée te willen zijn. Dit
maakt dat zij bij aankomst iets minder zeker van zichzelve blijkt dan
gewoonlijk. Maar er is in de waardige beminnelijkheid der gastvrouw
zooveel geruststellends, in de vroolijke zetten van Gertrude iets zoo
opwekkends, dat ze zich weldra geheel op haar gemak gevoelt.
Straks keert ook de heer des huizes terug: hij is even naar het paleis
gereden, om den Landvoogd te begroeten bij diens aankomst.
»Goed dat u komt, papa: mama en ik hebben het erg druk en we rekenen er
op, dat u zich met de logées occupeert. U zult niet kunnen zeggen, dat
we voor u de minst prettige bezigheid hebben bewaard, is ’t wel?« en ze
knijpt hem in het oor met het weinige respekt en de groote liefde die
indische dochters gevoelen voor indische vaders.
»Je kunt Gertrude immers wel missen vandaag?« vraagt mevrouw met een
blik op de beide dames, een blik zonder eenige jaloezie echter; ze
heeft te veel gezond verstand om, waar ze zichzelve nooit geheel kon
geven, onverdeelde toewijding te vragen.
»Je weet, ik kan haar geen uur missen,« zegt hij met een teederen blik
op het meisje, »zelfs in dit gezelschap. Maar ik weet dat je haar
noodig hebt en protesteer dus niet.«
Reeds heeft hij zijn goedig, vriendelijk gelaat naar de bezoeksters
gekeerd; reeds verheugt hij zich over het buitenkansje, dat hem
verscheidene dagen haar gezelschap zal doen genieten; reeds vraagt hij
zich af wat hij doen kan om haar die dagen aangenaam te doen
doorbrengen.
De vice-president van Indië’s Raad is, meer dan iets anders, een
damesheer. Zijne liefde voor het schoone, die in Europa zich zou
geopenbaard hebben in kunstzin, was hier bewondering geworden voor het
schoonste werk der schepping. Dankbaar erkent hij het vele goede, dat
de aarde hem biedt, maar het beste is toch voor hem het samenzijn met
vrouwen—zoo mogelijk jonge en mooie! Dit is echter volstrekt geen
vereischte. Als ze maar aardig praten kunnen en vriendelijk lachen, als
ze maar verstand genoeg hebben om te begrijpen, dat, zoo hij haar het
hof maakt, dit zonder eenige bijbedoeling is; als ze maar goed—d.w.z.
in overeenstemming met haar uiterlijk—gekleed zijn, dan eischt hij
verder niets.
En zooals nu de beide jonge vrouwen daar zitten op dat aardig
canapeetje, met de granaatroode portière tot achtergrond, frisch en
jeugdig, in de doorschijnende witte kabaia, waarvoor ze haar reistoilet
verwisselden, vindt hij het een waar genot naar haar te kijken, met
haar te praten en te schertsen.
Hij heeft van morgen reeds vroeg en buitengewoon hard gewerkt om zich
ongestoord aan dat genot te kunnen wijden. Want hij heeft het altijd
druk op zijn manier. Lang vóór de zon aan den hemel staat, ziet men hem
in den stormpas het Koningsplein omloopen en na middernacht kan men hem
nog vinden in zijn voorgalerij, verdiept in lectuur of muziek. Hij is
een man van orde: klokslag zeven—wanneer hij reeds gebaad, gewandeld en
ontbeten heeft—verdwijnt hij in zijn bureau en behartigt de belangen
des lands tot klokslag elf, behalve des vrijdags, wanneer hij diezelfde
belangen in de vergadering van den raad behandelt. Wanneer hij niet
werkt moet Gertrude bij hem zijn. Gertrude is voor hem de vervulling
van den wensch, die gedurende twintig jaren zijn gemoedelijk hart
vervulde; den wensch naar eene gezellige vrouw.
Als zijn dochter er niet lief had uitgezien of minder talentvol geweest
ware, dan zou hij dit alleen jammer gevonden hebben; was ze ongezellig
geweest, hij zou het beschouwd hebben als een vreeselijke
teleurstelling, als een ramp bijna.
Maar gelukkig, Gertrude aardde naar hem, en vader en dochter amuseeren
zich koninklijk te zamen. ’t Is waar, ze laat hem allerlei werkjes
doen, die eigenlijk beneden zijn waardigheid zijn: patronen teekenen,
charades uitdenken, menu’s schrijven zelfs! Maar er komen ook dagen dat
ze onder zijn leiding leert en zich inspant om te begrijpen; er komen
dagen dat ze samen gaan schetsen of zich opsluiten in de zitkamer, half
boudoir, half atelier.
De Hagens hebben iets uitgedacht, dat aan het meest prozaïsch gedeelte
van een indische woning, de achtergalerij, een poëtisch waas schenkt en
het de »loofhut« genoemd. De loofhut schijnt een prieel, maar is
eigenlijk een serre, ongewoon hoog van verdieping: ze vormt den
overgang van het huis naar den tuin. Daar hebben ze hun planten en
vogels, hun kleine fonteinen, lieve marmergroepjes, heerlijke
luierstoelen, aardige rieten tafeltjes; daar brengen papa en dochter te
midden van hun bloemen al de uren door, die ze maar kunnen uitsparen op
hun altijd bezetten tijd; dat noemt Hagen zijn Capua; daar beweert
Gertrude dat ze verliefde denkbeelden krijgt en zich zachter gestemd
gevoelt jegens haar pretendenten; daar gaat mevrouw zoeken, als ze
behoefte gevoelt aan het bijzijn van haar dochter, wat zeer dikwijls,
of aan dat van haar echtgenoot, wat zeer zeldzaam gebeurt; daar worden
alleen enkele intiemen toegelaten, maar die er toegelaten worden vinden
het de bekoorlijkste plek van geheel het fraaie huis.
Des avonds, als de familie Hagen met mevrouw te Leurse naar de opera is
gegaan, na te vergeefs beproefd te hebben de Verschuere’s over te halen
om hen te vergezellen, troont Agnita haar man mede naar die loofhut.
De volle maan giet haar schijnsel door het bladerdak, Nita draait de
gaspitten neer en het wordt koel en stil rondom hen, terwijl de
fonteinen klateren en de bloemen geuren, door het avondwindje bewogen.
»Zitten we hier nu niet oneindig prettiger dan in die volle, warme
opera?« vraagt ze dan vleiend.
»O, voor mij,« antwoordt Verschuere, terwijl hij met een zucht van
genot zich uitstrekt in zijn luierstoel, »voor mij is het een ware
verademing na den dag die achter me ligt. Maar je hadt toch eigenlijk
mee moeten gaan, Nita... Geloof me, ik zal geen amusant gezelschap voor
je wezen.« Met moeite onderdrukt hij een geeuw. »En ’t kan misschien
wel aardig zijn,« voegt hij er dan lusteloos bij.
»Aardig? Ja, voor anderen; maar niet voor ons. Dáárvoor hebben we
diezelfde Romeo en Juliet te prachtig zien opvoeren in Parijs! Weet je
nog? ’t Was den eersten avond dien we doorbrachten in de opera. Voor
geen geld zou ik den indruk willen verliezen, dien ik toen heb
meegebracht.«
»Daar is wel iets vóór te zeggen.«
»Mevrouw te Leurse vond het een dwaas idee van me, dat kon ik merken.
Maar je bent het met me eens, niet waar? Wanneer men eenmaal het
hoogste genoten heeft, dan kan het mindere niets geven dan ergernis.
»Dat is zoo. Maar kindlief, mevrouw te Leurse beschouwt het uitgaan van
een geheel ander standpunt. Zij gaat niet om muziek of zang; zij gaat
om te genieten van den opgang dien ze maken zal in dat prachtige gele
toilet.«
»Wat stond het haar goed! Wat was ze mooi van avond!«
»Ja heel mooi!« en weer geeuwt hij.
»Me dacht, het zou zooveel prettiger zijn ons samen alles nog eens te
herinneren: ’t is een van mijn gelukkigste avonden geweest.«
»Ja? Hoe dat zoo?«
Een glimlach komt om haar lippen spelen, terwijl ze zich naast hem zet
op den langen stoel. »Ik was toen toch nog erg romantisch, Gus. ’k
Herinner me, dat ik telkens mijn oogen toedeed om den tenor niet te
zien en me te kunnen verbeelden, dat het mijn Romeo was die sprak.«
Hij antwoordt door een kus te drukken op het gelaat dat ze naar hem
opheft. »Dwaas kindje,« zegt hij eindelijk na een lange pauze, nauw
hoorbaar.
Het ruischen der fonteinen klinkt droomerig door de stilte, tot
eindelijk de muziek van hare stem die verbreekt.
»Wanneer men zich er eens goed in wegdenkt, Gus, wat is het dan toch
een vreemde wereld. Daar zaten nu in die loges honderden vrouwen,
gedecolleteerd en geblanket, vrouwen voor wie het woord liefde zijn
heilige beteekenis verloren heeft; daar zaten die oude heeren met hun
kale hoofden, die viveurs met hun vermoeide gezichten... en hoe werden
ze allen geboeid, ja, tot schreiens toe bewogen door een stuk, dat
eigenlijk niets anders is dan de verheerlijking der eerste liefde!«
»Weet je nog,« vraagt ze dan en streelt de hand die zij in de hare
houdt, »hoe wij onder den indruk waren, in welk een teedere stemming
wij thuis kwamen? Weet je nog... den volgenden morgen zouden we naar
Versailles gaan; we vergaten het. Zeg, Gustaaf? Verschuere?«
»Wat? Zei je iets? O, neem me niet kwalijk, lieve! Ja, ’t was beeldig;
ze zong uitstekend en...«
»Ben je zoo moe? Zoo moe, dat je inslaapt terwijl ik...«
»Neen ik sliep niet! ’k Was maar wat aan het dommelen. Geloof me, ’k
heb alles gehoord wat je zei. ’t Is zoo, de tenor was wat dik!«
»Wil je niet liever naar bed gaan, beste?«
»Neen, volstrekt niet.«
»’t Was zeker een erg vermoeiende dag.«
»Ja; je weet, ik ben vanmorgen al vroeg begonnen. We hebben tot zes uur
doorgewerkt, van dat we aankwamen af, en ’t is hier zoo schrikkelijk
heet op dat Batavia.«
Ze legt haar hand op zijn arm. »Kom, span je maar niet in om wakker te
blijven. Je hebt de rust verdiend. Neen... ik zou nog niet kunnen
slapen; ik heb niets uitgevoerd vandaag en van middag een lekker dutje
gedaan.«
Ze bracht hem zelve weg naar de logeerkamer, keek zorgvuldig of de
klamboe zoo goed gesloten was dat zelfs het kleinste muskietje er niet
in kon doordringen, onderzocht of de deuren en ramen wel wijd genoeg
openstonden om den noodigen tocht door te laten en wenschte hem goeden
nacht.
Nu ging ze terug naar de loofhut en zat op het plekje van daareven...
maar hoe geheel anders!
De maan is schuilgegaan en het is er vol schaduwen. Ze beproeft zich
voor te houden, dat het Gustaaf’s schuld niet is als het avondje,
waarvan zij zooveel heeft gehoopt, op een teleurstelling uitliep; ze
vermaant zich om het toch te waardeeren dat ze zoo’n degelijk man heeft
die niets hoogers kent dan zijn werk; ze berispt zich omdat ze niet,
als hij, eerzuchtig zijn kan en het goedkeuren dat hij, door zich te
onderscheiden, aanspraak tracht te krijgen op promotie; ze scheldt
zichzelve kinderachtig veeleischend, ondankbaar; ze tracht mevrouw De
Bruining na te spreken, die betrekkelijk kalm verklaren kon: »Ja, zie
je, onze mannen, dat zijn eigenlijk onze mannen niet; die zijn van de
secretarie, en ze neemt zich voor, evenals zij, afstand te doen ten
behoeve dier secretarie.«
Maar dan wordt het opeens kil en donker in de loofhut.