AAN HET STATION.

’t Is op den morgen van den achttienden Februari aan het station te

Buitenzorg ongewoon vol en druk. Tevens ongewoon deftig, zooals blijkt

uit het gelegenheidsgezicht der spoorbeambten met hun nieuwste petten

op en hun mooiste jassen aan.

Maar hoewel de gouverneur-generaal, vergezeld van familie en gevolg,

hoewel nog verscheidene andere dames en heeren dien morgen naar Batavia

vertrekken, zouden de reizigers alleen niet zooveel geloop en

geschreeuw veroorzaken: ’t zijn hun koffers en kisten.

Het aantal daarvan schijnt legio. En toch zijn het alleen de koelies,

die zich verbazen over de massa bagage; ieder ander kent de oorzaak van

het verschijnsel: er worden feesten voorbereid op Batavia.

En welke feesten! Dezen zelfden avond zal er galavoorstelling zijn in

de opera: morgen zal ’s Konings verjaardag gevierd worden met de

gebruikelijke plechtigheden: groote parade, groote officieele

ochtendreceptie, groot vuurwerk op het Koningsplein, groot diner ten

paleize!

Maar dit is niet alles.

Gertrude Hagen viert op den avond na het koningsfeest haar twintigsten

verjaardag met een comedievoorstelling en bal; en de invitaties, reeds

veertien dagen geleden rondgezonden, wekken bij het pretlievend publiek

de beste verwachtingen.

Daareven hebben drie equipages de paleisbewoners gebracht: intendant en

adjudanten zijn reeds ter plaatse, met hunne vrouwen en dochters,

voorzoover ze die bezitten.

In de gereserveerde wachtkamer troont de barones op de ottomane,

geflankeerd door haar beide zonen, die bij hooge uitzondering het

reisje mogen mede maken, om morgen de parade en het vuurwerk te zien.

Ze zitten op heete kolen, de arme jongens, want daar buiten spelen drie

jeugdige Bruinings haasje over. Hun vader, die in druk gesprek met

Zijne Excellentie de salon op en neer loopt, ziet het gevaar, waarin ze

verkeeren van door handkarren te worden overreden of door vallende

kisten verpletterd te worden misschien wel, maar is te zeer gewoon zijn

zonen in gevaar te zien om zich daarvan veel aan te trekken; hij brengt

al gestikuleerend zijn kuif tot een ongekende hoogte, pluist al

redeneerend zijn bakkebaarden uit tot een verbazende breedte en windt

zich zoo verschrikkelijk op over een vrij onbeteekenende zaak, dat de

landvoogd hem van ter zijde met bezorgdheid gadeslaat en zich afvraagt

hoe lang het nog duren kan vóór de reactie op ’s mans overspannen

toestand volgt en een verblijf in Europa noodzakelijk wordt.

Toen freule Clotilde uit haar poneywagen sprong en mama zoo deftig zag

zitten op de ottomane, heeft ze dadelijk aan den gouverneur van haar

broers gevraagd, of hij óók niet vond dat de lucht drukkend was in de

wachtkamer. Nu trippelt ze in haar kort, vlug reistoilet met hem het

perron op en neer; en terwijl ze links en rechts groet, als wilde zij

vergoeden wat mama in vriendelijkheid te kort schiet, volgt menig

waardeerend woord het aardig persoontje, rust menig welwillende blik op

het blozende gezichtje, dat zoo guitig onder den grooten stroohoed

uitkijkt.

Van de zes juffers d’Hannecour zullen niet minder dan vijf door hare

tegenwoordigheid de feestelijkheden opluisteren, een voornemen dat al

weer niet genoeg op prijs wordt gesteld: immers geen van de jongelui

voegt zich bij het belangwekkend groepje dat ze met haar vijven vormen.

Als eindelijk Van Suylichem haar zijn diensten gaat aanbieden bij het

bezorgen der dertien valiezen, koffers en doozen, die ze met zich

voeren, dan is dit alleen omdat zijn nichtje hem, half lachend, half

knorrig, gevraagd heeft waarom hij toch niet naar de jonge meisjes

ging, in plaats van altijd de oude getrouwde dames op te zoeken.

De andere »oude getrouwde« dame, wier gezelschap Van Suylichem boven

dat der jonge meisjes verkoos, is Amalia Te Leurse, een schoonheid, die

heden blijkt beter te voldoen bij gaslicht dan in den schellen gloed

van een indischen morgen. De mooie luitenantsche schijnt zich hiervan

bewust en heeft haar gezicht niet alleen bedekt met veel poudre de riz

en een weinig rouge, maar nog daarenboven met een coquet voiletje.

De heer Te Leurse vertoonde zich even aan het station: dienstzaken

houden hem terug te Buitenzorg. Maar, zooals Amalia reeds meer dan

tienmalen aan de heeren, die haar kwamen groeten, verzekerd heeft,—hij

hoopt voor de soirée bij de Hagens over te komen; ze kan ook moeilijk

bekennen wat de waarheid is: dat ze geen geld genoeg in huis hadden om

voor beiden de reis te betalen!

»Vier koffers?« vraagt Nita, die in haar eenvoudig blauw kleedje aan

een vergeet-me-niet doet denken, zooals ze daar staat en, geheel op den

achtergrond, door weinigen wordt opgemerkt, sedert Verschuere haar

verliet om mevrouw Van Waliënhove goeden morgen te gaan wenschen. »Vier

koffers? Voor u alleen?«

Mevrouw Te Leurse legt haar uit, dat ze het onmogelijk met minder doen

kan. »Rekent u zelve maar eens na. Twee toiletjes alleen voor het

comediestuk. Eén voor het bal. Eén voor de opera...«

Agnita luistert maar half toe; ze herinnert zich hoe eenvoudig mevrouw

Te Leurse gekleed ging toen ze pas op Buitenzorg kwam; hoe stil ze

leefden in hun kleine woning; hoe geheel anders Te Leurse er uit zag

dan nu heden morgen met dat strakke gezicht en die treurige vermoeide

oogen.

Mevrouw Heijlerts, alleen bestand tegen het klimaat van Batavia wanneer

er op Batavia een pretje is, geeft, zooals ze daar staat onder haar

donkerroode parasol, het schitterend bewijs, dat ze gedurende een

tweejarig verblijf in de wereldstad der parisienne »le talent

d’accommoder les restes« moet hebben afgezien. Gisteravond laat kwam ze

van Soekaboemi, in gezelschap van den heer Van Sonnefelt, die gaarne

enkele dagen der week dáár doorbrengt; en zooals gewoonlijk is ze ook

nu het middelpunt van een kring van heeren.

Men amuseert zich in dien kring, want zij plaagt den adjudant van Zijne

Excellentie, die aan zijn betrekking verschuldigd meent te zijn, nooit

uit de plooi te geraken, met een voorval, dat zijn reputatie van

deftigheid in groot gevaar brengt, ja, de getrouwde heeren noopt om

zich meesmuilend een weinig van den armen doodverlegen Hooglaan af te

wenden, dan vraagt ze den heer Paerel met het vriendelijkste gezicht

ter wereld, of ze eens een enkele alinea zou mogen schrijven in de

»Annales du jardin botanique«; en als deze, niets kwaads vermoedend,

gaarne daarin toestemt, begint ze: »Il fleurit au Jardin botanique une

fleur aussi rare que belle, désirée par toutes les dames, destinée à

une seule...«

Paerel wordt boos, vooral om de hilariteit die er op volgt. Immers

ieder weet welke de prachtige nieuwe bloem is, in de kassen getrokken

en bij geheime dagorder onbereikbaar gesteld voor alle plantlievende

dames, behalve mevrouw Van Waliënhove.

Rustig en genoeglijk wordt de komst van den trein afgewacht; alleen de

heer d’Hannecour agiteert zich; hij wenkt den stationschef, die wel

andere dingen te doen heeft dan zich te laten wenken, en als deze

eindelijk nader komt, bijt hij hem toe, dat men Zijne Excellentie niet

wachten laat, waarop de man naar de klok wijst en verzoekt, den

intendant te mogen doen opmerken dat niet de trein te laat, maar de

landvoogd te vroeg is. Toch blijf de kolonel zich warm maken. ’t Is dan

ook zoo’n gewichtige morgen in zijn gewichtige betrekking, die morgen

waarop het hof naar Batavia gaat! ’t Is dan ook zoo’n zware taak, die

rust op de schouders van hem, den intendant der gouvernementshôtels! En

niemand schijnt het te willen gelooven of begrijpen. Zelfs de

adjudanten niet! Zie hen eens aan! Zou men niet meenen dat ze voor hun

pleizier meegingen? ’t Was om dol te worden.

De rit van de residentie naar de hoofdplaats in de geurige frissche

morgenlucht, is een waar pleiziertochtje. Slechts wanneer men Batavia

nadert en de warmte de bezoekers als het ware tegenkomt, beginnen de

dames meer werk te maken van waaiers en flacons dan van het gesprek;

vooral mevrouw Heylerts is veel minder opgewekt dan daareven. Maar

algemeen vermoedt men dat dit slechts ten deele aan de warmte moet

worden toegeschreven; een naderende ontmoeting met mijnheer Heylerts

maakt haar altijd stil. Er zijn verscheidene heeren aan den trein in de

zwarte jas en met den hoogen hoed, die in dit klimaat altijd, maar

vooral ’s morgens om tien uur, een krankzinnigen indruk maken. Ook de

heer Heylerts bevindt zich onder hen, maar hij toont zeer weinig haast

om zijne wederhelft met zich te voeren.

Wie onder al de dames en heeren heden het meest de aandacht trekt, is

Gertrude Hagen, die haar logées, de Verschuere’s en mevrouw Te Leurse,

kwam afhalen, en er zoo ongewoon lief uitziet, zoo geheel blosjes en

lachjes schijnt, dat men zich afvraagt of ze misschien heden jarig is;

maar in den datum van een feest vergist men zich te Buitenzorg niet!

Clotilde neemt haar een oogenblik ter zijde en de vriendinnen hebben

het zoo druk te zamen, dat ze vergeten hoe het rijtuig wacht—in dat

rijtuig de barones! Juist op het oogenblik als deze een adjudant zendt,

slaat de freule Van Waliënhove beide armen om juffrouw Hagen’s hals en,

ten aanschouwe van het geheele publiek, kust ze haar dat het klapt.

»Zul je je dan nooit leeren gedragen!« roept de barones, zoodra haar

dochter tegenover haar zit.

»Ik vrees van niet, mama,« zegt Clotilde. Maar meteen buigt ze zich

over naar haar vader en fluistert hem iets in het oor, om dan in de

kussens terug te zinken met de vermaning: »Aan niemand vertellen,

hoor!«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 28 / 85 题