»Zoo, Gustaaf, ben je daar eindelijk? Wat een schrikkelijke bui is dat
geweest van middag! Me dunkt, zoo erg heb ik het nog niet bijgewoond:
het geheele huis dreunde, de tuin stond blank en...«
»En mevrouw Verschuere werd bang?«
»Neen, bang was ik niet. Maar ik ben toch geëindigd met het hoofd onder
de kussens te steken en ik was blij toen Sarinah wat voor mijn bed kwam
zitten. Foei, wat een weer!«
»Ja, ’t was erg! Verbeeld je, Verdijk moest in dien regen naar huis om
zijn vrouw... Hij kruipt, zoodra het begint te onweêren, met haar in
een donkere kamer. Heb je ooit van zoo iets kinderachtigs gehoord?«
»Toch lief van hem, vind je niet?«
»Lief misschien, maar niet verstandig. Hij moest haar in die dingen
niet toegeven. Ik ben ten minste blij dat jij zulke dwaasheden niet van
me eischt.«
»’t Zou me niet veel helpen, geloof ik,« antwoordt ze lachend. »Ik zag
je van de secretarie naar de Bruinings rijden,« gaat ze voort; »vertel
me eens, hoe was het er vandaag?«
»Och, ellendig. Hij had juist een van zijn aanvallen. Ik verbeeld me,
Nita, dat de man vreeselijk lijdt. ’t Is een helsche kwaal, die
zenuwhoofdpijn. En natuurlijk, hij wil zich nog goed houden, zijn werk
doen. ’t Loopt hem niet mee, den armen drommel... Als er nu ook maar
eens een raad van Indië dood wou gaan.«
»Foei, man!«
»Daarbij ligt een van de jongens, Jantje meen ik, al drie dagen met
zware koorts en is de juf er van door.«
»Er van door?« vraagt Nita verbaasd.
»Ja,« antwoordt Verschuere, terwijl hij zich neervlijt in zijn
luierstoel, om tegelijk van het zoete nietsdoen, de heerlijk
verfrischte atmosfeer en een geurig kop thee te genieten. »Met een
trompetter natuurlijk.«
»Vind je dat natuurlijk?
»Och, wat zal ik je zeggen? Er schijnt nu eenmaal een geheime
aantrekkingskracht te bestaan tusschen bonnes en trompetters.«
»Dus zit de arme ziel daar met twee zieken en zonder hulp! En al de
andere kinderen, wie zorgt daarvoor?«
»O, die zijn bij goede vrienden. Ik geloof dat de Paerels er een half
dozijn hebben.«
Straks heft mevrouw Verschuere met een verlegen blos het hoofd op van
haar theeblad. »Gustaaf, je weet dat ik nog al een beetje verstand heb
van ziekenoppassen. Wat dunkt je, zal ik niet wat gaan helpen?«
»Dat is geen kwaad idee van je, lieve.«
»Dus je keurt het goed? Laat zien, het is nu vijf uur. Zou je het erg
vinden om van avond eens zonder mij te eten?«
»Wel neen, kind, ik heb dat zooveel jaren moeten doen. Ga gerust je
gang.«
»Zie je, als ik de zorg voor Jantje op mij neem, dan kan zij bij De
Bruining blijven en misschien van avond nog een paar uurtjes slapen. Ik
zou dan niet terug komen voor een uur of elf—of is je dat te laat?«
»Neen, volstrekt niet. Ik kom je halen.«
»Je vindt het toch niet vervelend, Gus?« vraagt ze, als ze terugkeert,
na een oogenblik te zijn weggeweest om de bedienden hare orders te
geven.
»Vervelend? Wel, kind, ik geef algemeen belet, ga in mijn bureau zitten
en doe in dezen éénen avond meer dan anders in drie.«
Ze onderdrukt een zucht, schenkt hem zijn derden kop thee in, vraagt of
ze nog iets voor hem doen kan en stapt in het rijtuig.
Mevrouw de Bruining is bezig met kleinen Jan een ijsbad te geven; het
schijnt zijn koortsig brandend lichaam goed te doen, ten minste hij
ligt onbewegelijk stil met een kalme uitdrukking op het hoogroode
gezichtje.
»Dat is lief van je, Nita!« zegt de moeder, als een tengere gestalte
zachtjes neerhurkt op het lage stoeltje bij de badkuip, »dat is lief
van je. Och, zie mijn arme jongen toch eens aan. Wat is hij vermagerd,
niet waar? mijn mollig ventje... Juist, dat laken moet om hem heen
geslagen... Neen, hij zal niet bij je willen zijn. Hij laat zich door
niemand... Ja toch? Hè Nita wat is dat vreemd!«
»Neen, niets vreemd. Alle kinderen houden van mij. En dat treft nu maar
heel gelukkig, niet waar?« gaat ze voort, als ze den zieke in zijn
bedje gelegd en onder de dekens gestopt heeft. »Nu kunt u hem gerust
aan mij toevertrouwen... dat wilt u immers wel doen en ondertusschen
zelf wat rust gaan nemen? U hebt het noodig, mevrouwlief, hoog noodig.«
»O, dat is niets! Ik ben sterk, veel sterker dan iemand denkt.
Misschien dat ik in gewone omstandigheden nu wel wat moe zou zijn, maar
als Bruining of een van de kinderen ziek is, voel ik niets.«
»Gaat u toch maar een oogenblikje liggen... ik zal alles doen wat
noodig is. Ja, ik zie het al. Hij heeft een harde koorts. Nu en dan de
thermometer aanleggen en opschrijven hoe hoog de temperatuur is. Mocht
die nog stijgen dan moet ik voortgaan met de ijsbaden, is ’t niet?
Neen, Jantje, stil liggen, onder de dekens blijven; geef mij maar een
hand, lieveling.«
Reeds heeft mevrouw De Bruining gezien dat Agnita berekend is voor den
post, dien ze zoo vrijwillig op zich neemt, en een gevoel van rust, van
kalmte, gelijk zij dit in geen dagen gekend heeft, komt over haar.
»Ik geloof dat ik zal kunnen slapen,« fluistert ze dankbaar en met een
laatsten blik op haar lieveling verwijdert ze zich.
Toen de heer Verschuere mevrouw kwam halen, bleek het niet gemakkelijk
haar mede te krijgen. Wel was de moeder na de genoten rust weer vol
moed om den nacht in te gaan, maar de patient had zijn bleeke, slappe
vingertjes geklemd om de hand der nieuwe verpleegster en wilde die niet
loslaten.
»Kom je gauw terug?« fluisterde hij.
»Morgen vroeg. Is dat goed?« vroeg ze.
»Zoo lang!« stamelde Jantje. »Zoo heel, erg lang...« En als ze zich
over hem heenbuigt: »Ik zie je gezicht zoo graag! Je lijkt op de engel,
je weet wel de engel op de groote schilderij.«
Den volgenden morgen, toen mevrouw Verschuere kwam om haar taak te
hervatten, vond zij den toestand er niet op verbeterd. De kleine vent
lag stil en bewegingloos in de doodelijke afmatting, die op zware
koorts volgt en voor zijn bedje zat de vader met een gelaat zoo vreemd,
zoo veranderd, dat Nita zich bedwingen moest om haar ontsteltenis te
verbergen. Kon het zijn door de pijnen den vorigen dag geleden? Was het
misschien de angst over het kind, of had hij zelf een ziekte onder de
leden? vroeg zij zich af, terwijl ze hem zwijgend de hand reikte.
Weldra zou ze het antwoord ontvangen op die vraag. Mevrouw De Bruining
trad binnen, schijnbaar kalm.
»Dank je, dat je zoo vroeg komt,« zegt ze met een langen kus. Dan
fluistert ze haar in het oor: »Help me! Hij moet hier vandaan!«
En onmiddellijk daarop gaat ze luider voort: »Nu kun je mijn man
aflossen, hij zit hier al veel te lang zoo.«
Hij hoort haar niet. Zacht legt zij de hand op zijn schouder, maar niet
zoo zacht of hij schrikt van die aanraking.
»Daan, mevrouw Verschuere is hier, zij neemt je post van je over.«
En als hij onbewegelijk zitten blijft: »Kom, lieve, ga even mee naar
buiten... we hebben behoefte aan frissche lucht.«
»Neen ik blijf hier,« spreekt hij schor.
»Dwaasheid! Je moet een oogenblik verademing hebben! Kom man, wees nu
verstandig.«
En als hij zwijgen blijft: »’t Is niet beleefd van je tegenover Nita;
zij komt hier om ons te helpen en nu wil je niet eens van die lieve
hulp gebruik maken.«
Nu ziet hij op met dien vreemden, dwalenden blik, die mevrouw
Verschuere zoo trof bij het binnentreden. Dan, alsof hij Agnita voor
het eerst gewaar werd, wenkt hij haar tot zich en vraagt: »Hij is heel
erg, niet waar?«
»Ja,« zegt Nita kalm, »hij zal onze hulp nog dagen lang behoeven.
Daarom moeten allen, die hem behouden willen, hun krachten sparen.« Dan
treedt ze voor het ledikant, legt het hoofdje terecht op het kussen,
schuift de klamme blonde krullen terug van het bleekblauw gezichtje en
wuift het koelte toe.
»Dag... engel!« fluistert Jantje en een zwak glimlachje komt om zijn
lippen spelen.
»Zie!« zegt Nita zacht en wijst op dat lachje. De vader rijst langzaam
van zijn stoel om haar zijn plaats te geven. Maar hij heeft geen drie
stappen gedaan of hij wankelt. Reeds is mevrouw De Bruining
toegetreden; ze vangt hem op in haar armen; en nu, op haar schouder
geleund, barst hij los in een snikken zoo droef, zoo weinig bedwongen,
zoo onmannelijk, dat Nita niet om durft zien naar die beiden, dat ze
het hoofd dieper en dieper buigt over den kleinen zieke, dat ze zich
uren ver wenscht, liever dan getuige te zijn van dit tooneel.
De strijd om het zwakke kinderleven duurde vier lange dagen, vier
eindelooze nachten.
Hij werd gestreden met de kracht, die slechts aan vrouwen gegeven is;
vereend bevochten moeder en vriendin den dood, voet voor voet drongen
ze hem terug uit het vertrek aan welks drempel hij grijnzend stond;
geen oogenblik lieten ze de plaats ledig bij het kleine bedje, waaraan
hij zich scheen te willen neerzetten, al de wapenen, die wetenschap en
liefde hebben uitgedacht, keerden ze tegen hem.
Eindelijk—aan den morgen van den vijfden dag—liet hij zijn prooi los en
de moeder kuste de handen die haar kind hadden verpleegd en bevochtigde
ze met haar tranen en Jantje fluisterde: »Dag, engel,« en de heer De
Bruining bracht haar naar het rijtuig en zeide niets, omdat hij niet
durfde spreken; maar zij zag hem in het gelaat en wist wat hij had
willen zeggen.
Toen Verschuere dien middag terugkeerde van de secretarie, trof hem de
stilte op zijn erf. Er was geen menschelijk wezen te zien; deuren en
vensters waren gesloten, de putemmer, anders in altijddurende beweging,
hing rustig aan den haak, de naaimachine ratelde niet, kokkie’s sissen
en braden werd evenmin gehoord als spen’s messenslijpen; kebon zat,
niet als meest op dat uur, de oorverscheurende muziek te maken, die het
weg krabben van het gras uit het kiezel veroorzaakt, de kinderen van
Mingo en Sarinah speelden niet voor de bijgebouwen.
Van zelf verzachtte hij zijn tred, en als hij zoo de achtergalerij komt
binnensluipen, ziet hij in het halfdonker, dat daar heerscht, een
gestalte van den grond oprijzen.
»Stil, als het u belieft, mijnheer! Mevrouw slaapt!« fluistert Sarinah
en neemt haar plaats weder in op het matje voor Agnita’s kamerdeur.
»Mevrouw slaapt,« fluistert ook Mingo ter verontschuldiging; hij heeft
het selterswater, dat hij zijn heer altijd komt brengen bij diens
thuiskomst, buiten ontkurkt.
»Mevrouw slaapt,« schijnt het wachtwoord, dat allen drijft om zacht te
spreken, om onhoorbaar te loopen, om voorzichtig te zijn in elke
beweging.
»Ze moeten haar die rust wèl gunnen,« denkt Verschuere, »ze moeten haar
wèl genegen zijn, de bedienden; voor de meeste mevrouwen hebben ze
zulke attenties niet.«
Trouwens—niet de bedienden alleen. Daareven heeft hij dokter Bosschaert
gesproken. Wat was hij vol lof! Wat roemde hij haar kalmte, haar
geduld, haar zachte fermiteit! En die arme De Bruining... hij wordt al
zenuwachtig van louter dankbaarheid, als hij haar naam maar noemt. Ook
Van Beevelant. Verschuere zocht hem gister in zijn eenzaamheid op en
telkens herhaalde hij ’t, hoezeer hij haar miste aan tafel, in huis.
Hij, die toch van kind af aan gewoon was edele, lieve vrouwen rondom
zich te zien, hij sprak over Agnita met een vereering... Gelukkig dat
kleine Jan gespaard bleef, ’t is toch bij al zijn ondeugendheid zoo’n
lief ventje!
Wat een idee van het kind, dat er een engel stond bij zijn bed! Of
neen! zoo’n heel dwaas idee toch niet! Ze heeft van die oogenblikken...
Eensklaps springt hij op van den stoel, waarop hij in gedachten
verdiept is neergevallen; hij gevoelt een onweerstaanbaren lust om naar
binnen te gaan, maar Sarinah zit daar!... Hij grijpt het eerste het
beste boek uit den trommel van het leesgezelschap. Maar hij kan er zijn
aandacht niet bij bepalen. Nu werpt hij zich op den divan en kijkt van
onder de half geloken oogleden naar de bedienden die langzamerhand
beginnen met tafeldekken en hij vindt het prettig als hij ziet dat spen
weer twee couverts legt.
Wat was het ongezellig de laatste dagen! Gelukkig dat ze straks weer
over hem zal zitten aan tafel.
Misschien... ’t zou wel eens kunnen zijn dat ze liggen bleef, dat ze
zich te veel vermoeid had; gister en eergister reeds zag ze er slecht
uit. ’t Is eigenlijk een dwaasheid geweest, hij had het haar niet
moeten toestaan! Is het niet mooi genoeg dat hij De Bruining’s werk
doet? Moet Nita nu ook met dat van mevrouw belast worden?
»Makanan soedah klaar!« komt Mingo berichten.
Mijnheer staat langzaam op, maar och, hij heeft geen lust om alleen te
eten... als ze niet zoo licht sliep, zou hij wel even... maar ze
schrikt altijd wakker van zijn stap...
Sarinah kijkt toe, terwijl haar heer heel voorzichtig zijn schoenen
uittrekt, maar als hij de kamerdeur nadert is zij verdwenen, met de
bescheidenheid die zoo menige hollandsche dienstbode van de inlandsche
zou kunnen leeren.
»Ben jij dat, Gustaaf?« en Nita strijkt met liefkoozende hand over zijn
vol fraai hoofdhaar.
»Ik heb je toch niet gewekt?«
»Neen, ik lag er juist over te denken om op te staan en weer te
presideeren aan je rijsttafel.«
»Heerlijk!« en ofschoon dit niet bepaald noodzakelijk is, haast de heer
Verschuere zich aan spen te berichten dat njonnja aan tafel komt.
»Weet je wel,« vraagt hij, zoodra ze tegenover hem gezeten is, »dat ik
in de laatste dagen trotsch begin te worden op mijn vrouw?«
»Wezenlijk?« en ze ziet naar hem op met een gelukkigen lach.
»Zeker. Iedereen is vol van je lof. Zelfs mevrouw Van Waliënhove kon
van morgen niet nalaten me te zeggen, hoezeer zij je lieve hulp aan de
Bruinings bewezen, waardeerde en de Gouverneur-generaal...«
»Domme man,« roept ze uit en beproeft achter een vroolijk lachje haar
teleurstelling te verbergen, »moeten mijnheer en mevrouw Van Waliënhove
je dat zeggen? Moeten vreemden je vrouw prijzen, om je op het denkbeeld
te brengen dat ze toch werkelijk wel eenige verdienste heeft.«
Hij schrikt van dien uitroep, omdat er zooveel waarheid in is.
»Komaan« zegt hij, »je bent oververmoeid en daardoor zwartgallig.
Straks moet je maar eens een flinken dut doen. En morgen... Wat zou je
denken van een Zondag in Soekaboemi? Met den trein hier heel vroeg
vandaan?«
»Maar Gus! Meen je het?«
Hij ziet verlegen voor zich. Dat opgetogen gezichtje beschaamt hem;
menige vrouw is niet zoo dankbaar voor het kostbaarst geschenk als zij
voor het genot van één dag met hem te mogen samen zijn.
»Meen je het wezenlijk, Gus?«
Arm, lief kind! hij moet haar eens meer een pleizier doen. Maar als ze
wist dat hij de beide laatste nachten aan zijn schrijftafel doorbracht,
om eens één dag vrij te zijn—zou het dan nog een pleizier voor haar
wezen?