JAMES EN NITA.

»Dus je gevoelt je gelukkig, Nita? En je bent volkomen gezond?

Werkelijk?... En Indië bevalt je?«

»Maar James! Dat alles vraag je me nu zeker voor de zesde maal! Zie ik

er dan uit of ik niet volkomen gezond ben? Vin je dat ik niet alle

reden heb om gelukkig te zijn? En wat Indië aangaat, geloof je dat men

het ooit beter zou kunnen treffen in Indië, dan wij het getroffen

hebben met Buitenzorg tot onze eerste standplaats?«

»Dat weet ik wel! Dat weet ik wel! Maar...«

»Nu, ga voort, malle jongen!«

»Je bent toch zoo heel anders dan thuis, Nita!«

»Thuis!« herhaalt mevrouw Verschuere, »thuis!« en ze bukt zich haastig

over de bouquet, die voor haar staat. »Zeg James, geloof je dat er op

de heele wereld een plekje is als ons thuis?«

»Neen, dat is zoo. Dat vinden we nergens terug. Wil je gelooven dat ik

op Atjeh soms, vooral toen ik ziek lag, last had van heimwee, van

heimwee naar onze tuinkamer?«

»En ik dan? Maar niet naar de tuinkamer alleen... naar heel het lieve,

heerlijke oude huis...« en ze leunt achterover in haar stoel met

gesloten oogen, als wilde zij het voor zich doen verrijzen.

»Ja, maar toch meest naar den zolder, is ’t niet? Weet je nog, die

koffer vol boeken met die griezelige spookhistories, die je nergens zoo

prettig bang konden maken als daar?«

»En die kist met oud speelgoed, die mama bij elke schoonmaak wou

leegmaken, en waar we altijd weer wat in vonden dat zonde was om te

worden weggegooid?«

»En de kleerkast met de oude japonnen van je grootmama? Herinner je je

nog, hoe we daar voorstellingen mee gaven uit de bijbelsche

geschiedenis, jij als koningin van Scheba?«

»En jij als Salomo!« valt Nita in en beiden lachen zoo hartelijk alsof

ze nog kinderen waren op den zolder.

»En hoe heerlijk was het zomers in den tuin. Als de kruisbessen rijp

waren... à propos, die oude moerbeiboom, daar achter het schuurtje,

leeft die nog? Oom wou hem toen laten uitroeien.«

»Neen, hij is op algemeen verzoek gespaard, en nu zal hij zeker blijven

staan; je weet dat het mijn lievelingsplekje was.«

»O ja, je kroopt altijd in dien grooten tak, om je lessen te leeren. En

zaten jullie ’s avonds nog zoo gezellig thee te drinken onder den

kastanje?«

»Ja; en weet je, het koepeltje achter in den tuin is vernieuwd.«

»Waar Lotte altijd heenliep in haar engagementstijd? Jullie trouwens

zeker ook?« valt hij zichzelf in de rede. »Dat koepeltje zal wat te

vertellen hebben!«

Zulk een warme blos komt Agnita’s wangen verven bij de herinnering aan

de weelden daar gesmaakt, dat haar neef er den weerschijn van gevoelt

op zijn jong gezicht en zich een verwijt maakt van zijn voorbarige

aanmerking.

»In elk geval van Lotte heel wat meer dan van mij. Zij was zoo lang

geëngageerd, en ik maar drie maanden.«

»Maar drie maanden?«

»Ja; kort, niet waar? Wil je gelooven, als ik nu aan alles terugdenk,

hoe pa en ma me smeekten om het niet te doen, om bij hen te blijven...

hoe gelukkig ik was thuis... hoe lief alle menschen voor me waren, dan

begrijp ik zelf niet hoe ik zoo op eens zoo zonder eenige aarzeling heb

kunnen besluiten om van dat alles te scheiden...«

»Kom, Nita, Verschuere zal zeggen dat het geen heel prettige neef is,

die je zoo dadelijk aan het schreien maakt!«

»O, Verschuere komt vooreerst nog niet... en het doet me zooveel goed!«

»Wat? Schreien? Onmogelijk! Je bederft er je oogen mee.«

»Neen, nare jongen, je begrijpt best wat ik bedoel. Nog een kopje

thee?«

»Graag. Je schenkt de thee precies zooals je mama, is ’t niet?«

»Me dunkt, het moet je gaan als mij. Je moet het nooit moe worden om

over Bloemduin te praten?«

»Nooit is wat sterk,« zegt hij plagend. »Maar vooreerst zeker niet. Als

men lang in een vreemd land heeft gezworven onder vreemden... dan is

het zoo’n genot om door een lieve bekende stem over lieve bekende

dingen te hooren spreken,« en hij heft het open gelaat tot haar op met

zoo’n trouwhartigen blik in de vochtige oogen, dat ze zijn hand grijpt

en uitroept: »Ik ben zoo blij dat je gekomen bent... ik voel me hier

soms zoo alleen.«

Van Suylichem durft haar niet aanzien, uit vrees dat zijn gezicht zal

verraden wat in hem omgaat bij dien onvoorzichtigen, veelbeteekenenden

uitroep.

»Is dat je man, Nita?« vraagt hij na een pauze, waarin hij vol warme

vriendschap hare hand drukte. »Ja? die lange heer in ’t wit? Nu, dan

begrijp ik dat je je hartje zoo stormenderhand liet innemen!«

»Niet waar?« zegt ze met een blik vol teedere bewondering op de ranke

figuur, die nader komt, »niet waar? ’t Was de mooiste man dien ik ooit

gezien had!«

De ontmoeting is zooals men het verwachten kan van twee onbekende

neven. Maar de heer James van Suylichem is zoo jong, haast zou men

zeggen zoo’n jongen; de eerste luitenant met de Militaire Willemsorde

op de borst en de klewanghouw in den hals kan zoo meisjesachtig blozen,

zoo jeugdig dwepen, zoo aanstekelijk lachen; zijn heldere oogen

glinsteren van zooveel pret; wat hij zegt—schoon niet altijd hoftaal—is

zoo natuurlijk, zoo kinderlijk eenvoudig soms, dat Verschuere al heel

spoedig zijn gewone terughoudendheid laat varen en zich blijkbaar

amuseert, ja zich laat meeslepen.

Niet voor lang echter.

Nog praat en schertst en vertelt de bezoeker met dezelfde opgewektheid

van daareven, als het gelaat van zijn hoorder de uitdrukking begint aan

te nemen, die Agnita in dit korte jaar van haar huwelijksleven zoozeer

heeft leeren vreezen; hij luistert nog altijd, hij antwoordt zelfs nu

en dan, maar zijn blik dwaalt af, verder en verder af, er komt een

groote, diepe plooi in zijn voorhoofd.

»Heb je nog werk, Gustaaf?« vraagt ze ten laatste.

»Ik durfde er niet van spreken,« antwoordt hij met een dankbaren blik

voor haar oplettendheid. Dan, zich tot zijn bezoeker keerend: »Het

schijnt je misschien niet erg beleefd, Van Suylichem, maar daar we je

heel veel hopen te zien, is het best dat we geen complimenten maken. Ik

heb, als ik zoo den heelen dag op het bureau gezeten heb, behoefte aan

een bad en een oogenblik rust.«

»Natuurlijk!«

»En als je me ’t niet kwalijk neemt, ’t spijt me dat het zoo treft,

maar ik heb van avond nog een zaak af te doen...«

»Van avond nog?« vraagt Nita teleurgesteld.

»Ja, lieve: ’t zijn heeren van den handel, met den laatsten trein van

Batavia gekomen; ze moeten morgen weer vroeg op hun kantoren wezen.«

En met een vluchtig knikje aan Nita’s adres, verdwijnt hij in zijn

kleedkamer.

»Gaat dat nu altijd zoo’n gangetje?« vraagt Van Suylichem, terwijl hij

voor de derde maal de sigaar aansteekt, die onder zijn druk praten

uitgegaan is.

»Altijd,« zegt Agnita met een mislukte poging om er uit te zien alsof

zij het zich niet aantrekt. Dan terwijl ze haar borduurwerk wegbergt:

»Kom, willen we een wandeling gaan maken? Je ziet, manlief heeft me

vooreerst niet noodig.«

»Graag.«

»Wil je naar de muziek bij de Societeit? daar is het Woensdagsmiddags

pantoffelparade. Of naar den tuin?«

»Me dunkt, we hebben nog zooveel te bepraten... Is de tuin daar niet

erg geschikt voor?«

»Ik zie,« zegt hij, als ze een oogenblik later aan zijn zijde gaat, met

een waardeerenden blik op haar toilet, »ik zie, je bent een élégantje

geworden.«

»Neen?« vraagt ze verschrikt, »dat meen je niet. Gustaaf heeft graag

dat ik me goed kleed, maar...«

»Maar,« zegt hij plagend, »de tijd is toch voorbij, toen je geen mooier

jurken woudt dragen dan de kinderen van ’t dorp, omdat je het zoo hard

voor hen vond als ze bij je afstaken.«

»Niemand steekt hier bij me af,« antwoordt ze eenvoudig. »Er heerscht

hier en vooral op Batavia zooveel luxe. Ik verzeker je, de dames zijn

hier niets ten achter bij Holland. Ze laten meestal haar toiletten uit

Parijs komen.«

»Zoo? dat vind ik heerlijk!« roept de jonge luitenant. Dan voegt hij er

lachend bij: »Je kunt wel zien dat ik nog niet getrouwd ben, hè?«

»Nu, óf ik! Ofschoon, ik moet zeggen, Verschuere klaagt nooit over mijn

modisterekening. Integendeel, hij zou, geloof ik, wel willen dat ik op

elke partij iets anders aandeed.«

»Je gaat zeker veel uit?«

»Ja, nog al veel. Maar toch meest op het paleis: Clotilde en ik

musiceeren druk samen.«

»Clotilde? Is dat de boschnimf?«

»De boschnimf?«

»Ja, de boschnimf. Een anderen naam kan ik moeilijk voor haar vinden.

Ik heb haar van morgen gezien: zij vloog letterlijk tusschen de boomen

door, met loshangende haren, den hoed op den rug; twee gillende,

schreeuwende jongens achter haar aan... ’k weet niet of ze

verstoppertje speelden of boompje verwisselden, maar wel dat ik

dolgraag had meegedaan. En musiceer je met die halve wilde?«

»Ze is geen halve wilde, James. Ze is een lief natuurkind. Pas maar op,

dat je je hart niet verliest aan die halve wilde.«

»Geen nood!«

»In ernst, James; wil je gelooven dat ik uit vrees daarvoor lang

geaarzeld heb...«

»Geaarzeld. Waarmee?«

»Om Verschuere te vragen, dat hij zijn best zou doen je hier te

krijgen.«

»Ah, zoo! heeft Verschuere zijn best gedaan om me hier te krijgen?«

vraagt Van Suylichem en, na een pauze, waarin zijn vroolijk gezicht een

teleurgestelde uitdrukking aanneemt, roept hij uit: »Die chef van mij

is er toch ook een!«

»Hoe dan? wat bedoel je?«

»Wel, hij maakte me wijs, dat de legercommandant over me gesproken had,

dat de gouverneur-generaal dadelijk mijn naam had genoemd toen er een

vakature kwam, dat... enfin, ’t doet er nu niet toe...«

»En waarom zou dat niet kunnen wezen? Je hebt je flink genoeg gedragen

om de aandacht op je te vestigen. Daarenboven, Verschuere heeft niet

anders gedaan dan je bij mevrouw Van Waliënhove aan te bevelen.«

»Maar ik ben toch mevrouw Van Waliënhove’s adjudant niet?« vraagt hij

lachend.

Nita acht het best, de beantwoording dier vraag aan den tijd over te

laten.

»We spraken daar over uitgaan,« begint ze. »Ja, we gaan nog al eens

uit. En we zien veel menschen. Maar intieme kennissen hebben we

weinig,« voegt ze er bij met een zucht.

»Niet? Hè, dat verwondert me. Verschuere heeft toch zijn vrienden.«

»Gehad. En een heel enkelen misschien nog... Ach, James, er wordt

altijd beweerd dat in tijd van tegenspoed je vrienden je verlaten, maar

geloof je niet, dat het in voorspoedige dagen nog moeilijker is ze te

behouden? Ik bedoel niet dat de menschen onaardig voor ons zijn, och

neen, we worden genoeg gevleid en ontzien en geëerd! Maar dat noem ik

niet vrienden hebben! Je weet, Verschuere maakt carrière. Hij doet dat

ongewoon vlug. Jongelui, die met hem studeerden, die te gelijk met hem

naar Indië gingen, staan nog op de eerste sport van de ladder, die hij

reeds tot op de helft beklommen heeft. Niet ieder is eerlijk genoeg om

de meerderheid te erkennen van iemand met wien hij op de schoolbanken

zat... niet ieder kan het denkbeeld verdragen dat een tijdgenoot hem

voorgaat. Wanneer we vrienden hebben, dan zijn het niet de vrienden uit

Verschuere’s jeugd.«

»Maar er moeten toch een massa lui zijn, die van jullie houden, die

hier graag komen.«

»O ja, gelukkig. Van Beevelant bijvoorbeeld, die maakt een

uitzondering. En de Hagen’s en Clotilde. En mijnheer en mevrouw De

Bruining en, als het niet een beetje verwaand klonk, zou ik zeggen, de

gouverneur-generaal.«

»Ja, ik begrijp je!... nu gaat me een licht op.«

»Een licht? Wat bedoel je?«

»Neen, neen, niets. Zoo, dus geef je alleen groote partijen?«

Maar zij laat zich niet zoo gemakkelijk van haar onderwerp afbrengen

als daareven.

»Welk licht gaat je op, James?«

»Die ongelukkige gewoonte om mijn mond voorbij te praten!« zegt hij

knorrig tot zichzelf. En luide: »Ik zie dat men met je op zijn tellen

passen moet, Nita! Wel... een licht over enkele gezegden die ik zoo te

hooi en te gras hoorde op Batavia...«

»Over Verschuere? Heb je over hem hooren spreken? Veel? Op een

hatelijke manier? zeg!«

»Natuurlijk heb ik over hem hooren spreken,« antwoordt hij met zijn

gullen lach. »Dat mag toch wel, hoop ik?«

Maar zij lacht niet mede. Er zetelt een zwaarmoedige trek om den lieven

mond.

»Is het zoo het praatje van den dag?« zegt ze meer tot zichzelve dan

tot hem. En na een korte pauze: »Dan zul je ook wel gehoord hebben,

waaraan hij zijn promotie te danken heeft?«

»Aan zijn bekwaamheid natuurlijk,« zegt James, maar terwijl hij het

zegt, herinnert zijn gezicht haar aan het gezicht, waarmee hij in zijn

jongensjaren een noodleugen debiteerde.

»Neen!« roept ze uit met een heftigheid, die hem niet weinig verbaast

in zijn zachtmoedig nichtje, »neen, spreek maar geen onwaarheid om mij

te sparen. Denk je dat ik het niet weet? Denk je dat het alleen voor

mij een geheim kan blijven wat ze zeggen? Niet waar, het is zijn oom,

de minister van koloniën, die hem voorthelpt? Niet waar, hij heeft

kruiwagens?«

En als James, die nog leeren moet hoe men zich uit moeielijkheden als

die, waarin hij nu verkeert, redt, een veelbeteekenend stilzwijgen

bewaart:

»Alsof hij van een minister afhing, alsof hij kruiwagens zou behoeven

om vooruit te komen! Alsof hij, met zijn doorzicht, met zijn kennis,

met zijn energie, niet bestemd was om al de sukkels, die hem bekladden

omdat ze hem niet evenaren kunnen, voorbij te streven!«

Nog vóór ze geheel heeft uitgesproken is haar toehoorder midden op den

weg blijven staan. Vol verbazing staart hij haar in het van

verontwaardiging gloeiend gelaat.

Door zijn houding wordt ze attent gemaakt op haar heftigheid en ze

zwijgt plotseling stil; dan vraagt ze, half verlegen: »Willen we een

oogenblik rusten? Ik heb zoo druk gepraat, dat ik buiten adem ben.«

»Nita,« zegt James met ongewonen ernst, als ze gezeten zijn op de bank

onder de waringin, »Nita, neem me niet kwalijk dat ik je daar zoo

onbeleefd stond aan te gapen, maar wezenlijk... ’t was me te kras!«

»Wat? Dat een vrouw, die haar man liefheeft, zich ergert als hij

belasterd wordt?«

»Weet je wel zeker, dat het alleen ergernis is over dien laster? Nita,

men zegt dat in de indische ambtenaarswereld het niet alleen de mannen

zijn die een rol spelen, dat ook de vrouwen zich mengen in den strijd.

Ik dacht dat het alleen een zeker soort van vrouwen waren, vrouwen die

haken naar hooger rang, naar grooter inkomen; maar dáár behoor jij niet

toe, niet waar? je hebt me gezegd dat je rijk genoeg waart, en veel te

hoog naar je zin... Ben je dan eerzuchtig geworden?«

Een treurig glimlachje komt om haar lippen spelen, terwijl ze hem in de

oogen ziet.

»Ik wou dat het waar was, James: ik wou dat ik eerzuchtig zijn kon.«

»Kun je dat wenschen?« barst hij los. »Werkelijk? Zou je ook willen

behooren tot die schepsels, die geen rust of duur hebben zoolang ze

niet boven al haar vriendinnen verheven zijn? zou je ook zoo’n min

wezen willen zijn, dat, getrouwd om de goede positie, haar man opzweept

om die positie altijd nog maar te verbeteren?«

»Als ik eerzuchtig werd, James, dan zou het niet zijn om mijnentwil.

Maar wees gerust, ik zal het nooit kunnen wezen...« En na een oogenblik

van stilte: »Daarvoor moet men een geheel andere vrouw zijn. Daar heb

je bijvoorbeeld mevrouw Heijlerts, van wie men zegt dat ze mijnheer

Heijlerts gemaakt heeft wat hij is...«

»Een uil?« vraagt James naïef.

»Directeur. Mevrouw Heijlerts is geestig; ze heeft talenten; ze kan

over bijna elk onderwerp meepraten: ze is een vrouw van algemeene

ontwikkeling, volkomen op de hoogte van indische toestanden...«

Verrast, ontsteld bijna, springt van Suylichem op van zijn zitplaats.

»En om zulk een vrouw te worden van algemeene ontwikkeling, volkomen op

de hoogte, om zulk een vrouw te worden doet mijn nichtje haar best?«

»De hemel beware me! Wat een idee van je! Hoe kom je daaraan?«

»Hoe ik er aan kom? Wel, Nita, waar zat je van morgen in te lezen? In

een werk van vijf deelen over de indische staatsinrichting, niet waar?

En wat heb je me daar straks gevraagd? Je op de hoogte te brengen van

den Atjeh-oorlog, je het voornaamste van de Atjeh-literatuur te leeren,

en toen ik je gezegd heb, dat er veel moed en veel geduld toe noodig

was om daar door heen te worstelen, toen heb je me geantwoord, dat je

over veel moed en veel geduld te beschikken hadt.«

»Dat heb ik,« zegt ze met hooger blos en neergeslagen oogen.

»En merkte ik van middag niet met hoeveel belangstelling je het

hoofdartikel in het Bataviaasch Handelsblad las, en hoe je kleurde van

boosheid omdat het regeeringsbeleid daarin wordt gelaakt?«

»Heb ik gekleurd?« vraagt ze. »’t Is wel mogelijk.«

»En liet je je niet ontvallen dat je de kamerdebatten volgt? Ik vraag

je, de kamerdebatten! Alleen een vrouw, die een eerzuchtig doel heeft,

is daartoe in staat!«

»Ja,« zegt ze met een stem en een blik die hem op eens doen begrijpen

dat hij dwaalt, »ja, ik heb een doel. En,« voegt ze er bij met een

blos, »het is een heel eerzuchtig doel ook, geloof ik.«

Er volgt een lange stilte.

»Begrijp je wat mijn doel is, James?«

»Ik vermoed het, Nita.«

»En je vindt het een goed doel, niet waar? O, je weet niet welk een

treurige ontdekking het is voor een vrouw, die ontdekking dat ze haar

man niet boeit. Je weet niet hoe het me ontmoedigt, als ik bemerk dat

Verschuere naar me luistert meer uit vriendelijkheid, dan omdat hij er

lust toe heeft. Soms, als hij naast mij gaat, gevoel ik dat hij zich

inspant om zijn gedachten bij mijn gesprek te houden, dat het hem

niettegenstaande alle inspanning mislukt... Wil je gelooven dat ik er

om geschreid heb... heete tranen? Maar dat was vóór dat ik tot mijn

besluit gekomen was...«

»En je besluit?«

»Mijn besluit is om mezelve meer geschikt te maken voor zijn

gezelschap. Je begrijpt, James, ik bedoel niet evenveel van alles af te

weten als hij! Ik zal al heel blij zijn als ik zijn gesprek volgen, met

hem over dezelfde onderwerpen denken kan. Ik studeer druk, soms vier,

vijf uur per dag... Geloof je niet, dat als ik van het een en ander wat

op de hoogte ben, hij lust zal krijgen om met me te praten over wat hem

interesseert, van gedachten met me te wisselen, me beter in te

lichten?«

»Zou die belooning je groot genoeg zijn om er de Atjehkwestie voor te

bestudeeren en de kamerdebatten voor door te worstelen?« En als ze het

onnoodig vindt zoo’n overbodige vraag te beantwoorden, voegt hij er

lachend bij: »Wat zijn jullie vrouwen toch onverstandige engelen!«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 24 / 85 题