Genietend van een ananas, zooals slechts Buitenzorg ze oplevert, zitten
de heer en mevrouw Verschuere tegenover elkaar aan het dessert, als
Mingo een leitje binnenbrengt.
»Een verrassing, Nita!« zegt Verschuere na lezing, »we krijgen nog
bezoek van avond, als het je ten minste gelegen komt?«
»Zeker,« en ze begint haar servet op te vouwen, een gewoonte waaraan de
bedienden de totoh herkennen.
»Van wien?«
»Van iemand op wien ik in onzen engagementstijd haast jaloersch was
geworden, zoo had hij je ingepakt.«
»Jaloersch?« en zij ziet hem aan met een blik die, ook al ware zijn
plagen niet geheel scherts geweest, hem volkomen zou hebben
gerustgesteld. »Maar wie is het?«
»Frans van Beevelant.«
»O, dat doet me pleizier! ’t Speet me zoo, dat hij ons reeds tweemaal
niet thuis vond. Dat is toch werkelijk een tref, dat de nieuwe
gouverneur juist een oude vriend moest zijn!... Vin je niet.«
»Ja... betrekkelijk... Ik wil je wel bekennen, Nita, toen hij me
schreef dat hij uit zou komen voor dat baantje, toen vond ik het ver
van pleizierig.«
»Hoe dan?«
»Och, wat zal ik je zeggen? Zie je, je begrijpt die dingen nog zoo
niet, maar oude kennissen in nieuwe omstandigheden, dat kan soms lastig
worden.«
Nita ziet hem een oogenblik peinzend aan, als zocht ze de verklaring
zijner woorden, dan—met de naïveteit, die zoo nadeelig werkt op
Gustaaf’s humeur: »’t Is zoo, ik begrijp die dingen niet, maar
misschien wil je het mij uitleggen?«
»Neen, dat kan ik niet!« roept hij ongeduldig. Maar straks, als ze hem
vragend blijft aanzien: »Kom, Nita, dat begrijp je nu toch ook! Stel je
voor, dat hij hier de positie had ingenomen van vroegere heeren
onderwijzers!«
Nu heeft ze begrepen. Dat bewijst de plotselinge schrik waarmee zij de
oogen tot hem opheft.
»Je zoudt hem toch niet verloochend hebben, niet waar? De vriend van je
jeugd! Zeg, Gustaaf?«
Ze is haastig overeind gerezen en op hem toegetreden; ze heeft zijn
hand gevat en ziet hem in ’t gelaat. Hij laat haar die hand, maar wendt
het hoofd af; ’t is of ze met haar ernstige diepe oogen op de bodem
zijner ziel wil lezen.
»Natuurlijk niet,« zegt hij eindelijk; »dwaas kindje! Om je zoo iets in
’t hoofd te halen!« En na een kleine pauze: »Weet je wel dat mevrouw
Van Waliënhove het niet zeer vriendelijk opneemt, als men beleefdheden
bewijst aan de gouverneurs?«
»Maar daar storen wij ons niet aan! Mevrouw Van Waliënhove kan véél,
maar, niet waar? mijn man overhalen tot iets onedels, dát kan ze niet!«
»Iets onedels... je gebruikt ook dadelijk zulke groote woorden. Dat
moet je niet doen, kindlief, aan een hof. We hebben hier, onder ons,
voor zulke zaken veel zachter termen. Enfin, ik ben blij—om zijnentwil
vooral,—dat Van Beevelant dadelijk op zoo’n piedestal gezet is... ’t is
grappig om te zien wat één woord in zoo’n toestand een verandering
brengen kan, als dat woord maar rolt van machtige lippen. De laatste
gouverneur was ook een aangenaam mensch, een man van studie, van meer
dan gewone kennis; niemand nam eenige notie van hem. Hij is weggegaan,
zooals een knecht weggaat, onopgemerkt: zijn opvolger komt, mijnheer
Van Waliënhove spreekt,—en heel Buitenzorg schijnt nog maar één wensch
te kennen en die is, beleefdheden te bewijzen aan mijnheer Van
Beevelant.«
»Vind je dat grappig, Gustaaf? Ik vind het treurig.«
Hij ziet haar aan met zijn cynisch lachje. »Nita, Nita, wat moet ik
hooren? Onthoud je mijn lessen in de levensphilosophie zoo slecht? Heb
ik je niet gezegd dat, als men in deze kringen wil verkeeren, men de
dingen van de belachelijke zijde moet beschouwen, om niet te bezwijken
van ergernis?«
»Ik vrees dat ik niet erg vatbaar ben voor wereldwijsheid,« zegt ze met
een zucht.
Hij strijkt haar de blonde lokken van het voorhoofd. »En ik doe
eigenlijk dwaas met er je vatbaar voor te willen maken.... Kom, denk er
niet meer over en zorg dat onze vriend een lekker kop thee vindt. Dan
ga ik een fijne flesch halen.... Waar zijn de sleutels?«
»Laat het een erge fijne zijn,« fluistert Nita, terwijl ze hem haar
mandje toereikt.
»En dat waarom? Om het voorbeeld van de Buitenzorgers te volgen?«
»Neen. Om het weer goed te maken, als er soms een oogenblik minder
vriendelijke gevoelens in je hart zijn geweest.«
Straks, als ze met haar toebereidselen gereed is, steekt mevrouw
Verschuere den arm door dien van haar echtgenoot.
»Kom, willen we hem tegemoet gaan? Het is zoo’n heerlijke maneschijn en
zoo stil.«
Ja, het maanlicht op de groote gazons aan weerszijden van den weg, die
naar het paleis voert, is heerlijk en in de bosschages, de ze omzoomen,
is het stil, maar niet van de groote stilte die straks zal dalen.
Nog dringt het verwijderd gewoel der stad door tot in den Plantentuin,
nog zijn de spelende hagedissen niet tot rust, nog weerklinkt de kreet
der nachtvogels, nog komt uit de open woonhuizen in den omtrek muziek
en zang, kinderlach en vriendengepraat.
Als ze Frans van Beevelant tegemoet treden, arm in arm, roept hij hun
reeds van verre toe: »Gelukkige luidjes, op een avond als dezen niet
alleen te zijn!«
»Tot die gelukkige luidjes behoort u van dit oogenblik af aan ook!«
zegt mevrouw Verschuere en reikt hem de hand met die kinderlijke
goedhartigheid, die haar zoo onweerstaanbaar maakt, »en zult u kunnen
behooren zoo dikwerf u ons komt opzoeken.«
»Laat dat heel dikwerf zijn, Frans,« zegt Verschuere.
Weldra zitten ze rondom de theetafel.
»Ik kom u de groeten brengen van Bloemduin,« spreekt de bezoeker.
»Van Bloemduin?« herhalen beiden.
»Ja, ik ben er even heen geweest vóór mijn vertrek. Ik dacht dat jullie
het prettig zoudt vinden, als ik de familie pas van aangezicht tot
aangezicht had gezien.«
»Dat is... daar herken ik je aan, Frans. Weet je wel, dat je mijn vrouw
daar een enorm plezier mee hebt gedaan? Niet waar, Nita?«
Mevrouw Verschuere zegt niet veel; ze heeft alleen haar gelaat gekeerd
naar den vriend, en ofschoon het een lastige reis geweest is, die reis
naar Bloemduin, vindt hij zich ruim beloond voor zijn moeite. Maar nu
heft ze de oogen op naar haar echtgenoot en hij weet dat ze denkt aan
het gesprek daar straks gevoerd; en meer dan daar straks haar naïeve
vragen hem in verlegenheid brachten, doet het nu haar ernstige, zacht
verwijtende blik.
»En hoe maakten ze het?« vraagt hij haastig. »Was alles wel? De tantes?
En de oude lui?«
»Uitstekend. De tantes schenen me nog iets ouder geworden ofschoon ik
niet had gedacht dat dit mogelijk was. De oude lui zagen er best uit.
Alleen, ze misten hun kleintje erg! Ja... ’k begrijp wel, Verschuere;
ik zou het ook niet hebben overgebracht, maar ik kreeg de boodschap
mee:
»»Zeg haar, dat we ons kleintje erg missen; zeg haar, dat er geen dag
voorbijgaat, waarop we haar niet terugwenschen in ons midden.««
»Och, ik wist het zonder dàt wel,« fluistert Nita nauw hoorbaar.
»En waar vond je hen?« roept Verschuere haastig. »In de tuinkamer
zeker? En hoe maakt onze lieve zus Corrie het? En was Jan niet gelukkig
met zijn doctorstitel? En is het al bepaald wanneer ze gaan trouwen?«
Maar vóór Van Beevelant op dien stroom van vragen kan antwoorden,
spreekt Nita weer: »Wie zei het? Papa?«...
»Ja, maar mevrouw, ik bid u...«
»Dat dacht ik wel...« fluistert ze, »arme lieve pa!... En was hij erg
bedroefd, toen hij dat zei... van zijn kleintje?«
De heer van Beevelant is opgestaan; hij zag in den anderen hoek der
galerij een hangplant, die bijzonder zijn aandacht trok.
»Nita, kom, wees verstandig!« en Gustaaf slaat zacht den arm om de
bevende gestalte. »Is dit nu niet wat overdreven, lieve?« gaat hij
zacht verwijtend voort. »Te schreien, omdat je toevallig hoort
uitspreken wat je toch vermoedde, ja wist? Kom, troost je: papa en mama
hebben hun andere kinderen.«
»Maar ze missen me toch; ze missen hun kleintje,« snikt ze.
»Niet zoo erg als ik mijn kleintje missen zou,« fluistert hij.
Van uit den hoek, waar hij nog steeds nieuwe wonderen ontdekt aan de
belangwekkende plant, bespeurt Van Beevelant hoe een plotselinge glans
over het beschreid gezichtje komt, hoe de blos terugkeert, hoe de
tranen als door een tooverslag zijn weggewischt;—als hij ziet hoe ze
glimlacht, terwijl Gustaaf haar iets in het oor fluistert, acht hij het
bestudeeren der plant verder onnoodig.
Nauwelijks is hij gezeten, of hij wordt bestormd met vragen, waarop hij
volstrekt niet bedacht was en waarvan hij enkele maar op goed geluk
beantwoordt; vragen, zooals een kind ze doet aan wie pas het ouderlijk
huis betrad, over kleinigheden, maar kleinigheden welke tot dusver voor
haar het leven uitmaakten.
De bloeiende slingerplanten zich windend om de pilaren en in guirlandes
afhangend van het lage dak, vormen een doorzichtig gordijn voor
Agnita’s woning, maar als dat doorzichtig gordijn een chineesche muur
geweest ware, dan had ze niet meer volkomen de wereld rondom zich
kunnen vergeten, dan nu het geval was, terwijl Van Beevelant vertelde
van die andere wereld, haar thuis.
De thee is weggenomen, de oude wijn fonkelt in de glazen, en nu eerst
vindt Verschuere gelegenheid zijn vriend te vragen naar de betrekkingen
welke hij zelf achterliet.
Zijn antwoord is een onderdrukte zucht. Dan luidt zijn wedervraag: »Hoe
zou het gaan? Wat kan de toestand zijn van een familie, die op één dag
de plannen en illusies van vijf-en-twintig jaar den bodem ziet inslaan?
’t Is geen kleinigheid gepensioneerd te worden! Vraag dat de
oud-officieren en oud-ambtenaren in Holland maar eens!«
»Geen kleinigheid vooral, om van het mager pensioentje te gaan leven,
juist op het oogenblik dat het volle traktement zoo noodig zou zijn om
de opvoeding, begonnen in de verwachting van dat traktement en daarnaar
geregeld, te voltooien. Toch, mama is moedig genoeg; de meisjes doen
haar best... Werkelijk, het zou niet zoo treurig behoeven te zijn als
het in den laatsten tijd was, wanneer papa er maar toe komen kon, zijn
lot wat geduldiger te dragen.«
»Zulk een lot geduldig dragen! geen wonder waarachtig dat hij het niet
kan!« roept Verschuere. »De kranigste officier van de armée te zijn, op
het punt te staan gouverneur van Atjeh te worden, genoemd te worden als
de aanstaande legerkommandant, en dan te worden getroffen door zoo’n
ellendigen kogel, die even goed wat hooger of lager had kunnen komen,
en nu het te moeten aanzien hoe anderen je plaats innemen... Geen
wonder dat hij zulk een lot niet geduldig dragen kan!«
»Je hebt gelijk, ’t is hard. Ik, die het alles zoo van nabij gezien
heb, zal de laatste zijn om het tegen te spreken. Maar hij behield nog
zooveel; de herinnering aan een eervolle militaire loopbaan,
belangstelling in alles wat het leger betreft, het talent om zijn
denkbeelden kenbaar te maken in zijn geschriften.«
»Dit neemt niet weg dat zijn carrière gebroken is. En wat troost een
man dáárover?«
»De liefde van vrouw en kind!« spreekt een stem, die nu méér dan ooit
als muziek klinkt.
»Denk je dat, Nita?« vraagt Verschuere zacht. Dan knikt hij haar toe,
alsof ze een kind ware, nog niet in staat om de treurige waarheden des
levens te bevatten, en keert zich tot Van Beevelant.
Er is maar een enkel woord noodig om den schat van herinneringen, in
beider hart bewaard, aan het licht te brengen. Ze hebben naast elkaar
gewoond in het kampement te Magelang, toen hun beider vaders nog jonge
kapiteins bij het indische leger waren, en nooit is eenig kampement
meer geplaagd door twee ondeugende jongens. Ze zijn toevallig terecht
gekomen op dezelfde school in Haarlem, en nooit heeft men op een school
zoo goed geleerd, niets te zeggen ten nadeele van Indië, dan toen zij
daar de eer van Indië ophielden en desnoods met de vuisten verdedigden.
Zij kwamen te zamen aan de akademie, en wie hen daar kenden, ’t zij
professoren of studenten, die spraken zelden meer over de
»achterlijkheid« van indische jongelui.
Eindelijk breekt Nita den stroom van grappige verhalen en jolige
herinneringen af.
»Vertel me eens, hoe gaat het met uw zuster Louise? Is ze weer geheel
hersteld?«
»Ze is beter, veel beter dan toen u haar ontmoette, maar ze kan maar
niet weer op krachten komen. De doctoren rekenden op den zomer; ze zou
dan eens een reisje gaan maken, een zachter klimaat opzoeken... ik hoop
er het beste van. Maar Verschuere zal u wel eens gezegd hebben welk een
vroolijk, prettig gezin het onze vroeger was... Mijn arme zuster moet
zich van jongs af de toekomst gedroomd hebben als vrouw en moeder...
soms vraag ik me af, of het haar niet te zwaar valt afstand te doen van
al datgene wat ze thuis heeft leeren beschouwen als het beste wat de
wereld geeft.«
»Arm kind!« fluistert Nita.
»Ja, wel arm kind! Om u de waarheid te zeggen heb ik met haar meer
medelijden dan met papa; zij is nog zoo jong! En voor haar is de
carrière—om het zoo eens te noemen—niet minder gebroken dan voor hem.
Was ze in Indië gebleven, dan had ze een keus kunnen doen uit de beste
partijen; daar op ons dorpje zal ze geen echtgenoot vinden naar haar
smaak. Ze weet dat en ik vermoed dat het haar een teleurstelling is.
Dit moet ik tot haar eer zeggen, ze houdt zich goed. Zij is wel niet
zóó vroolijk meer als vroeger, maar altijd blijmoedig, opgewekt; de
steun van moeder, de vraagbaak voor de jongeren...«
»En de lievelingszuster van haar broer.«
»Ja... ofschoon in den laatsten tijd... je moet weten, ze keurde mijn
plan om deze betrekking te gaan vervullen niet goed. Ze vond dat ik
mijn positie niet mocht opofferen.«
»Misschien had ze daarin niet geheel ongelijk.«
»Dunkt je dat? De positie van een doctor in de letteren?«
»En meester in de rechten.«
»Nu, ja, wat hielp me dat? Wat kon ik doen in Holland. Dat vraag ik je!
Me neerzetten als advokaat en wachten of ik praktijk zou krijgen—wat ik
het liefst gedaan had—daar had ik geen geld voor. Een postje als
rechterlijk ambtenaar in een provinciestadje vragen en jaren rondloopen
op zes- zevenhonderd gulden? Levenslang docent blijven, wat me nu al
zoo verveelde?«
»Ik beken,« zegt Verschuere, »de vooruitzichten, die je daar noemt,
zijn niet schitterend, maar is het niet wel eens in je opgekomen, dat,
waar je je nu mee bezighoudt, beneden de waardigheid is van iemand, die
door bekwaamheid en talenten recht had op elke betrekking?«
»Integendeel. Ik vind deze bezigheid in het geheel niet zoo min. Van
twee jongens, door geboorte en fortuin geroepen om eenmaal in ons land
een rol te spelen, bruikbare mannen te maken, dit zou in mijn oog
geenszins beneden mijn waardigheid zijn, ook al had ik de bekwaamheden
die je me toedicht. Goed begrepen, breeder opgevat dan de gewone
onderwijzer dat misschien doen zou, is het een grootsche taak. En ik
wil je wel bekennen dat ik, in plaats van te vinden dat ik er te goed
voor ben, me dikwerf afvraag of ik er wel voor berekend ben.«
»’t Is zeker dat de manier waarop mijnheer Van Waliënhove je heeft
ontvangen en de plaats, die hij je heeft aangewezen, veel doet om je
positie te releveeren.«
»O, ik weet, Verschuere, dat gouverneur te zijn bij de zonen van
mevrouw Van Waliënhove geen sinecure is; ik heb dat in deze weinige
dagen reeds ondervonden.«
»Ik vrees dat u van dien kant weinig steun kunt verwachten,« zegt
Agnita, »maar ofschoon men het, zoo oppervlakkig gezien, niet bemerkt,
après tout is de gouverneur-generaal het hoofd en zult u met hem te
rekenen hebben; hij geeft zijn vrouw veel toe in kleinigheden, maar in
groote kwesties handelt hij geheel volgens eigen inzicht.«
»Ik ben blij dat te hooren, te meer daar ik een anderen indruk gekregen
had en dacht dat mijn werk zoo goed als nutteloos zou zijn. En ik zou
zoo graag willen slagen! Ik zou zoo graag het vertrouwen, dat me
geschonken werd, mij willen waardig maken. Het was hoog tijd dat er een
verandering kwam in den bestaanden toestand, maar ik heb goede
verwachtingen van mijn leerlingen, en als het me gelukken mag die
vlugge, heerlijke jongens in het goede spoor te brengen, dan zal ik de
overtuiging hebben, dat ik niet alleen geen min baantje bekleed, maar
even nuttig ben als de hoogstgeplaatste ambtenaar in Indië.«
»Nu, dat is wat sterk, dunkt me.«
»Dat schijnt het, ja. Maar heeft Zijn Excellentie niet vóór alles
kalmte noodig en gemoedsrust? En zou ook de beste van zijn ambtenaren
hem die kunnen schenken, zooals ik dat kan door hem de zorg over zijn
jongens te ontnemen, de zorg die hem zoo zwaar gedrukt heeft in den
laatsten tijd?«
»Waarlijk,« roept Verschuere, half spottend, half meegesleept door den
ernst waarmee zijn vriend spreekt, »als ik niet eerste
gouvernements-secretaris was zou ik wenschen mijnheer van Waliënhove’s
gouverneur te wezen!«
Maar al kan hij Van Beevelant’s geestdrift niet deelen, het is hem goed
weer samen te zijn met den vriend zijner jeugd. Weldra komen ze op
andere onderwerpen. Agnita geniet; want uitgelokt en opgewekt door het
helder oordeel en den logischen zin van den bezoeker, viert ook Gustaaf
zijn vernuft bot. Het is lang na middernacht als ze hun gast uitgeleide
doen; tot tweemaal toe keert deze in het helder maanlicht met hen terug
naar het hek hunner woning, en tot tweemaal toe loopen ze langzaam met
hem tot aan den ingang van het paleis.