PEIGNOIR CONTRA SARONG.

Niets vriendelijker, niets stralender dan Buitenzorg in het ochtenduur;

niets verrukkender dan de atmosfeer, die daar heerscht wanneer de

regen, des nachts in stroomen neergevallen, tegen den morgen ophoudt.

’t Is hier niet, als in Europa’s groote steden, een ure somber en droef

of de hemel den ganschen nacht had geweend over de aarde; hier zijn de

regendruppels als de tranen eener bruid: ze worden des avonds geweend,

om des morgens te zijn weggekust.

Voor de in dauwdrup en bloesemgeur gedrenkte natuur is de eerste

zonnestraal een groet, waarmede de moeder het slaapvertrek harer

kleinen binnentreedt; glimlachend doet ze alles ontwaken. Het gebogen

grassprietje verheft zich, het hangend kelkje tilt het hoofd omhoog,

vochtige stammen tooien zich met vlammenden gloed, goudgevleugelde

insecten stijgen opwaarts uit de bloem, die hen tot nachtverblijf

diende. De morgenkoelte komt aangezweefd. En weldra ruischt het rondom

van het eigenaardig geruisch, dat slechts in een tropische natuur

vernomen wordt: in het dichte loofdak vallen met zacht geklater de

regendruppels uiteen, en van zijn parelenlast bevrijd, nog getooid met

vochtigen glans, nog geurend van nachtelijke frischheid, begint het

gebladert dat suizelen en fluisteren, dat voor wie het verneemt zoo

oneindig liefelijk zijn kan als de laatste toon van de symphonie van

een tropischen nacht, maar ook als het teeder voorspel van het

morgenconcert, dat straks een aanvang gaat nemen.

Die muziek der ontwakende natuur is in volle harmonie met de beelden,

die Agnita’s geest vervullen, wanneer ze, nog min of meer vertoevend in

de droomenwereld, aan den arm van haar echtgenoot de dreven

doorwandelt.

Zij was al spoedig tot de ontdekking gekomen van het geheim—’t welk

helaas voor tal van Europeanen in Indië een geheim blijft—dat het beste

uur van den dag het morgenuurtje is, en weldra liet de zon, als zij

verrees boven Bogor’s lanen, daar een van haar gouden stralen achter in

de reine ziel, die, alsof het een bloem geweest ware, zich elken dag

opende voor ochtenddauw en hemelglans.

Eerst als de vogelen losbarsten in hun jubelzang, begon ook zij het

vroolijk gepraat, dat, mengeling van kinderlijken eenvoud en

dichterlijke verheffing, een bekoring uitoefende, groot genoeg om

Verschuere te doen vergeten wat anders al zijn denken innam.

Soms ontmoetten zij op hun wandeling freule Van Waliënhove. Voor haar

was de morgen de vrijheid. Had eenmaal de bel voor het ontbijt geluid,

dan was het gedaan met haar genoegen, dan had ze recht tegenover zich

de gevreesde zwarte oogen, die haar aanstaarden, niet met dat teedere,

dat liefkoozende, waarmee moederoogen zouden gerust hebben op die

heerlijke verschijning, tintelend van levenslust, maar met den

kritischen blik der vreemde, die niets liever wenscht dan een fout te

ontdekken, op een tekortkoming te wijzen.

En dat was niet moeielijk!

Heden droeg het kleedje, waarmee ze aan het dejeuner kwam, de

onmiskenbare sporen van een wilden tocht door de bosschen; morgen

verscheen ze met een hoofd dat er uitzag alsof het slechts de koelte

tot kapper had; nu getuigde haar gelaat dat het met de indische zon had

kennis gemaakt, dan weer was ze te opgewonden bij het verhaal harer

avonturen; soms ook lachte ze zoo luid, zoo lang, zoo blij, dat niet

slechts de hooge vertrekken er van weergalmden, maar allen die het

hoorden er zacht of luid mee moesten instemmen. Wie echter van al de

paleisbewoners het hartelijkst meêlachten, dat waren mevrouw Van

Waliënhove’s beide zonen. De nieuwe zus, die ze niet zonder vooroordeel

hadden ontvangen, was tot hun onuitsprekelijke verrassing een

speelmakker gebleken.

Vóór dag en dauw, als alles nog in diepe rust lag, kwam reeds het

gekrulde kopje bij hen om de deur kijken. Ze hield den vinger op den

mond en kuchte; trouwens, meer was niet noodig om hen in één sprong uit

het bed te krijgen: als ze daar zoo stond met het korte kleed, met den

grooten stroohoed en de stevige hollandsche laarzen, dan wisten ze dat

hun een pretje wachtte en ze volgden gewillig.

»Neen, kijk nu niet op dat vervelende horloge, Gustaaf! we zitten hier

zoo heerlijk... zie eens die blauwe lucht...«

»Maar kind, het wordt mijn tijd; er is eene moeielijke kwestie

aanhangig en de gouverneur schijnt haar zoo spoedig mogelijk te willen

oplossen. Hij werkt hard; ik wil doen wat ik kan om hem te helpen...«

»Wel, mijnheer Verschuere, dat vind ik lief van u!« roept een heldere

stem vlak bij hen.

Verbaasd zien beiden rondom zich en—van achter den reusachtigen stam

eener waringin komt freule Clotilde te voorschijn, in het rose kleedje,

den grooten stroohoed vol pas geplukte bloemen, frisch en jong als de

morgenstond.

»Gaat u maar gauw naar huis, mijnheer, en werk als het u belieft zoo

hard als u kunt, want die arme papa heeft erge hoofdpijn. Ik zal

mevrouw wel gezelschap houden. U moet weten, mevrouw Verschuere, ik

verkeer in hetzelfde geval als u, ik word door mijn cavaliers verlaten,

als ik dolgraag nog een uurtje in den tuin zou blijven. De arme jongens

moeten om acht uur binnen zijn voor hun lessen. Heerlijk, vindt u niet,

om, zooals wij, geen lessen meer te hebben? Bent u al lang van school?«

»Ja, al vier jaar,« antwoordt Nita lachend.

»Al vier jaar? Dan zult u niet meer, zooals ik, altijd hongerig zijn.

Mama zegt dat het een gevolg is van ’t kostschoolleven. Maar—wilt u een

stukje? Kijk, heerlijk bruin brood met kaas! We nemen dit mandje altijd

mee, propvol; en het komt nooit anders dan leeg terug. U moet weten,

dit is voor ons het lekkerste maal van den dag, wij houden niet van die

getruffeerde kostjes en fransche sauzen. Wilt u nog een sneêtje? Niet?

Wel, wat dunkt u er van, als we dan nog eens een eindje opliepen? We

kunnen toch niet als twee verlaten Genoveva’s in het bosch blijven

zitten treuren!«

Ze waren nagenoeg de eenige wandelaarsters.

Rozen geurden bij duizend- en nogmaals duizendtallen, zonder dat iemand

van haar geur genoot; orchydeeën lieten haar bloesems nederhangen in

wonderschoone trossen, zonder dat één oog zich vermeide in haar teere

lieflijkheid; varens welfden een doorzichtigen eereboog tusschen de

groene aarde en den blauwen hemel—geen wandelaar scheen te wenschen

onder dien eereboog door te gaan; de koelte kwam over bosschen en

heuvelen aanzweven, om woorden van jonge liefde op te vangen,—ze keerde

ledig terug; beekjes kabbelden, waringinloover suizelde vrede voor

gloeiende hoofden en strijdende harten; slanke palmen wezen naar

hooger... de tuin bleef ledig!

En dat alles omdat mevrouw Van Waliënhove sarong en kabaia een

indécente kleeding vond!

De landvoogdes had zich op dit punt vrij sterk uitgelaten; ze noemde de

nationale dracht nooit anders dan »het indisch nachtkostuum«; eens

zelfs, boos geworden door het beweren van den heer Hagen, dat hij ’s

morgens ging wandelen om de nonnaatjes te zien in wat hij »de mooiste

kleeding voor een mooie vrouw« noemde, verklaarde ze, dat het haar

onaangenaam was op hare ochtendwandeling dames te ontmoeten in dit

»even smakeloos als ongepast toilet«, ja, ze was verder gegaan; ze had,

toen ze eens mevrouw Hausz in die kleeding ontmoette, haar niet

gegroet, waarop mevrouw Hausz, die geenszins op haar mondje gevallen

was, haar had doen weten, dat wanneer mevrouw haar toilet groette en

niet haar persoon, ze voortaan de baboe met haar japon vooruit zou

zenden, daar het haar, als moeder van vijf kinderen, niet gelegen kwam

zich reeds ’s morgens te kleeden.

Sedert dit voorval bekend was geworden, werden peignoirs en matinées

meer algemeen, vooral onder de echtgenooten der adjudanten—waartoe

ongelukkig ook mevrouw Hausz behoorde. Maar dit was niet genoeg!

Toen eens twee niets kwaads vermoedende oude juffrouwen zich in den

tuin waagden met sarong en kabaia, bleken twee daar toevallig

rondwandelende heeren bezield met zoo vurigen ijver voor het toegeven

aan de luimen hunner gebiedster, dat ze tot doodelijke onsteltenis der

beide oudjes dezen den toegang weigerden.

Ook dit werd bekend en de mannen onder de Buitenzorgers vroegen zich

knorrig af, of niet de adjudanten hun boekje waren te buiten gegaan,

toen zij de rol van den engel met het vlammend zwaard op zich namen;

immers voor den gouverneur-generaal was wel een gedeelte van het park

gereserveerd, maar het overige was publieke wandelplaats. Doch terwijl

zij zich nog in die vraag verdiepten, hadden reeds hunne egâs het hoofd

in den schoot gelegd, en kort nadat de beide zondaressen uit het

paradijs waren verdreven, zag men het slechts door »gekleede« Eva’s

betreden. Het getal dier Eva’s werd echter steeds geringer, want niet

iedere huisvrouw kan het volhouden, om zich des morgens nog voor het

ontbijt te kleeden; met haar verging ook den Adams de lust, en menige

verrukkelijke ochtend werd nu doorgeschommeld in den luierstoel, een

kop koffie in de hand. Dan werd er gezucht: »Wat zou ik graag een

eindje wandelen! Wat zal het nu heerlijk zijn in den tuin! Maar als ik

vóór half acht de kinderen naar school expedieeren en me dan nog

kleeden zal, dan wordt het te laat, te zonnig, te warm...«

Het duurde niet lang of men begon zich in Indië’s residentie zoo te

schamen over de dracht, die toch door het klimaat als het ware wordt

noodzakelijk gemaakt, dat niemand er zich meer in durfde vertoonen, en

dit had ten gevolge dat de gouverneur-generaal op den dagelijkschen

morgenrit het grappig schouwspel genoot van een burgerij, die

verstoppertje speelde.

Geen indisch echtpaar dat des morgens vóór het aan den arbeid gaat—en

die arbeid is dikwerf zwaarder dan menig hollandsch echtpaar

droomt—niet een oogenblik genieten wil van de frissche lucht; ja, voor

de meesten is dit oogenblik het beste van den ganschen dag.

Dit genieten in gezelschap van vrouw en kinderen was onmogelijk, sinds

het vonnis werd geveld over de morgendracht; immers, ’t is meest bij de

bloemen dat het kalm, vredig uurtje gesleten wordt, en de tuin ligt

vóór het huis aan den grooten weg.

Het gevaar dreigde van alle kanten; Zijne Excellentie reed te paard,

mevrouw toerde, de freule wandelde met haar broers. Men kon elk

oogenblik betrapt worden. Sommigen zetten wachten uit; anderen staken

zich in ’s hemelsnaam maar dadelijk in de kleeren; weer anderen bleven,

den strijd moede, in hun achtergalerij zitten koffie slurpen; verreweg

de meesten echter volgden de struisvogel-politiek.

Nauwelijks kregen ze een der gevreesde kabaienhaters in het gezicht, of

ze zetten het op een loopen; op hun eigen erf drong de man zijn vrouw,

de vader zijn dochter ter zijde, struikelden de groote broers over de

kleinen in den wedren naar binnen, die de nadering van een Waliënhove

noodzakelijk scheen te maken, en menigmaal beklaagde Zijne Excellentie

zich, dat hij de goede Buitenzorgers nooit anders dan op den rug zag.

Nog erger was het, als ze het gewaagd hadden den grooten weg een eindje

op te wandelen en op heeter daad betrapt werden; de heer Van

Waliënhove, die de kabaienhaat zijner vrouw volstrekt niet deelde,

mocht groeten zoo vriendelijk als hij wilde, de dames bloosden, de

heeren gedroegen zich als schooljongens bij wie knikkers gevonden

worden.

Soms ook, als ze hopen durfden zich nog te kunnen verschuilen, stelden

ze zich op achter een boom. Maar hoe dik ook, indische boomen zijn

zelden dikker dan indische menschen, en verraderlijk vertoonde zich de

rand van een sarong of de punt van een kabaai, attributen, die Zijne

Excellentie nooit naliet te groeten met hoogst hoffelijken groet.

Mevrouw Van Waliënhove echter, achterovergeleund in haar landauer, zag

het van onder haar rood zijden parasol met welgevallen aan, hoe de

residentiebewoners zich door één woord van hare allesbeheerschende

lippen hunne vrijheid ontnemen, hun morgenuurtje vergallen lieten.

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 14 / 85 题