DE FEEËNTUIN.

Den volgenden dag is er diner ten paleize.

De bewoners van Insulindes residentie zijn over ’t geheel vreedzame

burgers: ze betalen willig schot en lot; men heeft ze bij de invoering

der belastingen slechts zacht hooren klagen; kalm zitten ze boomen op

te zetten in hun vóór-, nog kalmer liggen ze klimaat te schieten in hun

achtergalerij; hun overigen vrijen tijd brengen ze door met het tellen

der vallende regendruppels, een bezigheid, die nergens ter wereld

zooveel te doen geeft als te Buitenzorg.

Er is echter één punt waarop die vreedzame burgers geen scherts

verstaan: ’t zijn de diners ten paleize. Er worden daar veel soorten

van diners gegeven: officieele diners, racediners, nieuwjaarsdiners,

diners voor hooge logeergasten, diners voor notabelen, voor

uitverkorenen, voor intiemen en—afdoeners! Alleen op den afdoener

gevraagd te worden, staat gelijk met een beleediging; slechts op de

officieele diners te mogen verschijnen is hinderlijk; op het diner der

uitverkorenen te zijn genoodigd heet een onderscheiding; voor het

intieme diner een invitatiekaart te hebben ontvangen, staat gelijk met

te zijn de vurige bewonderaar, de warme aanhanger van den landvoogd,

van des landvoogds echtgenoot, des landvoogds familie, ja zelfs van des

landvoogds politiek!

Nu is er een tijd geweest—een tijd nog steeds met afschuw

herdacht—waarin de goede residentiebewoners voortdurend gewond werden

in hun gevoeligheid op dit punt.

’t Was in den tijd toen de vertegenwoordiger des konings in Indië

meende dat hij, in wiens hand het wel of wee van millioenen berust, een

nietigheid als het opmaken der lijst van genoodigden kon overlaten aan

de vier vroede mannen, wier krachten land- en zeedienst ontroofd worden

om de adjudantsbetrekking te vervullen.

Maar, te beginnen met hun aanvoerder, den heer d’Hannecour, ridder van

de Militaire Willemsorde, van de Kroon van Italië, van de Witte Valk,

van de Hertogelijke Saksische Ernestinische Huisorde enz., kolonel der

artillerie, adjudant van Z. E. den gouverneur-generaal van

Nederlandsch-Indië en intendant der gouvernementshôtels, bleek dit

onmogelijk. Voor hem was elk diner een gelegenheid tot machtsvertoon,

en daar hij zoo kleingeestig, zoo lichtgeraakt was als iemand maar

worden kan, die zich tien jaar lang met niet veel anders bezig houdt

dan de étiquette aan een klein hof, had hij zich voortdurend te wreken

over allerlei beleedigingen hem in zijn persoon, zijn betrekking of

zijn familie aangedaan.

De intendante van haar kant scheen niets zoozeer te vreezen als dat men

haar verdenken zou van geen stem te hebben in paleisaangelegenheden,

terwijl zes dochters, fier op de ridderorden van papa, vonden dat de

glans die van zijn borst uitging, niets minder zijn moest dan een

stralenkrans om hare zes aschblonde hoofden; eene meening, die niet

algemeen scheen te worden gedeeld op Buitenzorg.

Met deze gegevens was er niet veel toe noodig om zich het ongenoegen

der Hannecour’s op den hals te halen, en men kon er zeker van wezen,

dat hij die dit ongeluk had, het eene diner vóór, het andere na, zijn

neus, of liever zijn mond voorbij zag gaan. Ontving hij eindelijk een

uitnoodiging, dan was het op een afdoener!

De intendant beeldde zich bij veel anders in, dat hij het met zijn

drukke werkzaamheden niet overeen kon brengen ook nog de plaatsen te

schikken; zoo kwam dan de beurt aan zijn trawanten.

Gelukkig waren ze meest ongehuwd of hadden ze jonge vrouwen, die zich

niet zoo gauw beleedigd gevoelen als dames wier eerste jeugd voorbij

is. Ook werden ze gebonden door de étiquette, maar die sprak niet zoo

duidelijk, of er was nog ruimschoots gelegenheid tot het uithalen van

een grap, of het verkoopen van een hatelijkheid.

Zoo vond de kokette haar naamkaartje tusschen twee wegens ouderdom

gepensioneerde leden der weeskamer; zoo kreeg de drukke praatster een

stokdooven buur; zoo zag een echtgenoot, die zich verplicht had gevoeld

den huisvriend de deur te wijzen, vrouwlief door dien zelfden

huisvriend aan tafel brengen; doodvijanden zaten altijd tegenover

elkaar; heeren van wie het bekend was dat ze deze of gene dame gaarne

ontmoetten, konden zeker zijn die dame aan het andere einde der tafel

te zien.

Hadden zij het hier maar bij gelaten! Maar nu werden nog daarenboven de

vriendjes zóó hoog, de anderen zóó laag geplaatst als dit maar

eenigszins was overeen te brengen met hun rang.

Voorbijgegaan, als een bange droom voorbijgegaan, zijn die booze dagen

voor de residentiebewoners.

Wel worden door de adjudanten nog overleveringen bewaard van hun

invloed, wel beproeven enkelen soms den schijn aan te nemen alsof het

nog was gelijk voorheen, maar hun machtsvertoon gelijkt het blaffen van

den gemuilbanden hond, het jaagt niemand vrees aan.

Want—dit weet zelfs het groote publiek—waar mevrouw Van Waliënhove aan

het bestuur is, daar kan geen sprake zijn van eenige macht buiten de

hare.

Misschien is het een bewijs van het politiek doorzicht, waarvoor de

heer Van Waliënhove bekend staat; misschien heeft hij in de betrekking,

die hij vervulde aan vreemde hoven, de ervaring opgedaan, dat andere

hartstochten blijven sluimeren in de borst eener heerschzuchtige vrouw,

als ze maar kan toegeven aan dien éénen grooten hartstocht van te

heerschen; zooveel is zeker: hij laat de barones de meest onbeperkte

vrijheid in het bestuur der kleine hofhouding. En zij beschaamt het in

haar gesteld vertrouwen niet. Dat blijkt bij elke gelegenheid, dat

blijkt ook heden weer op de meest afdoende wijze.

Het is een klein diner ter eere van de logeergasten, die, voor het bal

van gister overgekomen, nog op het paleis vertoeven; enkele

Buitenzorgers slechts zijn genoodigd. Maar hoe klein—de adjudanten aan

de beide uiteinden der tafel meegerekend, zijn er niet meer dan een

twintigtal gasten—het is weer een diner, zooals alleen mevrouw Van

Waliënhove ze geeft.

Wanneer men de zaal, in een tuin herschapen, betreedt, is de atmosfeer,

die daar heerscht zoo frisch en geurig, dat ze niet alleen den eetlust,

maar ook den geest moet opwekken; wat meer zegt, die atmosfeer, hoewel

straks vermengd met de dampen van het gebraad, der aroma’s der piquante

sauzen, het bouquet der fijne wijnen, blijft, dank zij een uitmuntend

systeem van luchtverversching, frisch en geurig tot het laatst.

De stafmuziek is geplaatst op zulk een wijze, het programma is zoo

gekozen, dat mogelijke pauzes worden aangevuld, maar de gesprekken niet

bemoeilijkt. Tallooze waskaarsen op zware kristallen kronen en in

zilveren candelabres verspreiden een zacht licht, niet zoo helder als

gas, maar ook niet zoo warm en veel geruststellender voor de aanwezige

dames, die bijna alle de dertig gepasseerd zijn. De stoelen staan op

den juisten afstand. En dit is een zaak van niet gering belang. Wat

toch is onaangenamer dan den geheelen avond strijd te voeren met een

tafelpoot of een voortdurende drukking te gevoelen op uw knieën? Wat

kan belemmerender wezen voor het discours, dan wanneer er een afgrond

gaapt tusschen den heer en zijne dame? Maar wat ook onpleizieriger dan

de warmte op zich te voelen afstralen van een nabijzijnd lichaam,

vooral wanneer dat lichaam in een zwarten rok steekt.

Evenals bij alle groote diners in het land der bloemen, schijnt de

tafel een reusachtig bouquet, op sneeuw ontloken, in zilver en kristal

gevat.

Mogen onder de bataviasche dames al enkelen mevrouw Van Waliënhove op

zijde streven in pracht van damast, porselein en glaswerk,—bloemen

gelijk ze pronken op haar disch, bloeien slechts in de serres van den

botanischen tuin; een wenk aan den hortulanus gegeven is oorzaak, dat

ze daar slechts bloeien voor de landvoogdes.

De wijnen, die op het paleis worden geschonken, mogen zeldzaam zijn in

Nederlandsch-Indië, eenig zijn ze niet; een even volmaakte bediening

wordt somtijds op de landgoederen of in den groothandel gevonden; voor

de kookkunst zijn enkele hooggeplaatste dames even beroemd als de

fransche kok, maar slechts mevrouw Van Waliënhove kan in lange en

ernstige samenspreking met den maître d’hôtel een menu ontwerpen, dat

schijnbaar eenvoudig, zoo uiterst fijn, dat zonder overlading zoo rijk

aan afwisseling, dat in zijn smaakvolle regeling zoo verrassend is.

Voor iemand die weet dat de intendant bij deze gewichtige

aangelegenheid altijd wordt voorgelicht door zijn hooge gebiedster, kan

er geen twijfel bestaan of, wat de rangschikking der gasten betreft, is

aan al de eischen der étiquette voldaan. Wie nog twijfelen mocht, hij

zie den kring rond. Zit niet al wat grijs is en gedecoreerd onder de

heeren, al wat corpulent is en met juweelen behangen onder de dames,

aan het midden der tafel? Werd niet al wat jong is en er goed uitziet

verbannen naar het ondereinde?

De eerste dame aan mevrouw Van Waliënhove’s linkerhand is de gade van

den algemeenen secretaris, een klein, doodmager schepseltje met lieve

oogen en iets zeer fatsoenlijks in haar smal, zacht gezicht, maar

anders uiterst karig bedeeld met vergankelijk schoon.

Blijkbaar is ze verlegen met de hoekige schouders en puntige ellebogen,

die, als bakens op een onstuimige zee te voorschijn komen uit de massa

ruches, kanten, plooisels, linten en strikken van haar verknoeide

japon.

Ze houdt de oogen onafgewend op haar bord gericht.

Wat haar benauwt, meer nog dan het haar gewoonlijk benauwt om ten

paleize te dineeren—’t is dat ze aan tafel werd gebracht door den heer

Van Sonnefelt, vroeger gouverneur van Sumatra’s Westkust, nu lid in den

raad van Indië, een man, evenzeer bekend om zijn scherp vernuft als om

zijn onverholen afkeer van onbeduidende vrouwen.

Ze doet wat ze kan, maar dat is niet veel.

En het duurt niet lang of haar tafelgenoot geeft moeilijk bedwongen

teekenen van verveling. Dit hindert haar, niet om den heer Van

Sonnefelt echter—zij houdt nog veel minder van geestige heeren dan hij

met mogelijkheid van onbeduidende vrouwen houden kan,—maar om haar man.

Ze zou hem zoo gaarne eer aandoen in den hoogen rang, waartoe ze met en

door hem is opgeklommen; meer dan ooit voelt ze, dat ze dit niet kan,

en de soep is ter nauwernood rondgediend, als ze zich afvraagt, wat ze

zich bij zulke gelegenheden altijd afvraagt: waarom toch haar man geen

algemeen secretaris zijn kan, zonder dat zij daarom haar magerheid

behoeft prijs te geven aan al die onbescheiden blikken, zonder dat zij

daarom haar heer moet vervelen, terwijl ze zoo gezellig zitten kon,

thuis in de achtergalerij bij de kinderen, die haar niet mager vinden

en niet dom, neen, soms zelfs aardig, als ze goed met hen op dreef is.

Op dreef komen met dien Sonnefelt zal ze nooit; dat voelt ze! Hij

schijnt ook iets van dien aard te vermoeden, ten minste hij keert zich

ter linkerzijde.

Dáár vindt hij waardeering. Een paar tintelende oogen, een paar

lachende lippen, die bij wat gewaagde scherts zich geenszins preutsch

samentrekken. ’t Is een mooie brunette, mevrouw Heylerts, en wat aan

een diner meer waard is, een aardige babbelaarster; niet jong meer,

maar een van die weinige vrouwen, die de heeren op het denkbeeld

brengen dat leeftijd eigenlijk maar idée is.

»Zegt u me eens,« vraagt ze iets zachter dan ze daareven sprak, want

men weet dat de landvoogdes zeer scherp hoort, »begrijpt u dáár iets

van?« en ze wijst met de punt van haar mes even naar den overkant, waar

de heer Verschuere zit met de dochter des huizes aan zijn rechterhand.

»Zegt u me eens,« antwoordt Van Sonnefelt op denzelfden toon, »begrijpt

u daar niet alles van?«

Dan zien ze elkander aan; beiden glimlachen en na een korte pauze

herneemt mevrouw Heylerts: »’t Is waar, ’t was erg dom van me. Maar de

ministers veranderen zoo dikwerf tegenwoordig, dat men hun namen haast

vergeet.«

»Den naam van den minister van koloniën raad ik u aan altijd goed te

onthouden. Dat bespaart menige verrassing, dat verklaart veel waarover

men anders verbaasd zou kunnen staan; dat bereidt voor op onverwachte

benoemingen.«

»Zoudt u denken dat...«

»Mevrouw, ik ben vijf-en-twintig jaar in deze verzengde gewesten... en

u vraagt me of ik denk? Bittere ironie! Vertel me liever eens wat u

denkt van mevrouw Verschuere? haar type is zoo geheel anders dan het

uwe, dat ik wel op een rechtvaardige beoordeeling rekenen kan.«

Mevrouw Heylerts laat haar blik rusten op de jonge vrouw en er komt

iets zachts in haar oogen, terwijl ze het doet.

»Lief vergeet-mij-nietje,« zegt ze eindelijk, »ze hadden haar aan den

oever van haar beekje moeten laten; de indische zon zal haar

verschroeien.«

Niet minder gelukkig dan de heer van Sonnefelt is met zijn vroolijke

buurdame, niet minder gelukkig is haar cavalier, de schout bij nacht,

van de drukke praatster een oogenblik verlost te wezen. Als meer

ongetrouwde heeren heeft hij zeer eigenaardige denkbeelden: zoo houdt

hij vol dat men uit dineeren gaat om te eten en wijdt, die overtuiging

getrouw, zijn aandacht aan de spijskaart met een hardnekkigheid, die

zijn dame boos maakt en zijn lijfarts handen vol werks geeft.

Trouwens, toen mevrouw Heylerts zag hoe ze geplaatst was, wist ze reeds

van welken kant haar amusement komen moest, als zij zich amuseeren zou

heden avond; zij kende den heer Everwoude als een dubbele uitzondering

op den regel; hoewel marine-officier, had hij geen aangename vormen;

hoewel oud en kaalhoofdig, gevoelde hij niets voor knappe vrouwen.

De plaats aan de eene zijde van den landvoogd wordt ingenomen door eene

dame, die er met haar bronskleurig fluweelen kleed en het parelsnoer om

den prachtigen hals, ongewoon statig uitziet; door een vrouw, die

zooals ze daar zit in haar vorstelijk toilet, fier en kalm alle

aanwezigen overschaduwt, niet door schoonheid—haar volwassen dochter is

tegelijk met freule Clotilde uitgekomen—maar door het edele van haar

gelaat, door het hooge in haar blik en houding.

’t Is een feit, een feit meermalen door de dames met voldoening

geconstateerd, dat de barones die vrouw ontziet, dat ze haar een weinig

vreest, ja somtijds haar vleit; een minder bekend, maar daarom niet

minder onbetwistbaar feit is het, dat de landvoogd in de moeielijke

oogenblikken zijner regeering zich somwijlen tot haar echtgenoot wendt,

in de hoop door den heer Hagen het oordeel van mevrouw Hagen te

vernemen.

De heer Hagen is vice-president van den Raad van Indië. Hij heeft een

veel minder gedistingeerd voorkomen dan zijn vrouw; integendeel, hij

heeft iets van den pater goedleven in zijn rond, gladgeschoren gezicht

met den breeden driedubbelen onderkin, en van het indrukwekkende in

houding en gestalte, dat sommige menschen eenigszins bevreesd maakt

voor mevrouw Hagen, heeft mijnheer zóó weinig, dat men wel eens zou

wenschen hem iets van haar te kunnen overdoen.

Onder den schijn van te luisteren naar mevrouw Van Waliënhove, zijn

buur, zit de heer Hagen te kijken naar mevrouw Verschuere, die er in

haar licht blauw kleedje met een bouquet vergeet-mij-nietjes in de

goudblonde krullen zoo bekoorlijk uitziet dat hij een oogenblik geheel

vergeet wat hij zichzelven voornam, toen hij, veertien dagen geleden,

zijn vier volwassen dochters in de armen sloot: »dat het voor hem nu

uit moest zijn met die gekheden.«

Mevrouw Verschuere heeft den franschen consul tot tafelgenoot en deze

verheugt zich in het genot hem niet altijd te beurt gevallen als hij

ten paleize dineerde, een dame te hebben, die hem in vloeiend fransch

antwoord in plaats van met het »Oui monsieur«, dat hij reeds begon te

beschouwen als den eenigen volzin, dien de hollandsche vrouwen leerden

van zijn moedertaal.

Amuseert mevrouw De Bruining zich slecht, mijnheer De Bruining gaat het

al niet veel beter. Hij zit met een armezondaarsgezicht. En geen

wonder! De verzoeking was hem te groot geweest! Hij bedankte voor alle

wijnen, tot de Chablis kwam; toen nam hij twee glazen en—nu moet hij

zwijgen! Want had hij het ongeluk van te praten en zich ook maar één

oogenblik te animeeren, dan zou zijn overspannen zenuwgestel in een

staat van opgewondenheid geraken, niet ver verwijderd van dronkenschap.

Zijn dame maakt hem trouwens het zwijgen niet zwaar. Mevrouw Van

Ramsberge is eene dier vrouwen, die in sarong en kabaia veel praats

hebben, maar zoodra ze gekleed zijn het zoo benauwd krijgen dat ze maar

liefst aan zich zelve worden overgelaten, om ten minste adem te kunnen

scheppen.

Geruimen tijd na het gebruik van den Chablis heeft de algemeene

secretaris als een idioot voor zich zitten kijken; nu neemt hij

langzamerhand het uiterlijk aan van een wijsgeer, nadenkend over de

dwaasheden van het menschdom.

In deze nieuwe houding wordt hij echter gestoord door mevrouw van

Ramsberge, die schijnt te willen toonen dat ze nog juist genoeg adem

heeft om een domheid te zeggen.

»Kassian mijn man!«

»Hoe dat, mevrouw? Is de generaal ongesteld?«

»Neen, dat niet. Maar kijk eens naar mevrouw Van Waliënhove! Nu, u zult

niet zeggen dat hij het treft met zijn dame?«

Zeker niet. De generaal moet nog het eerste vriendelijke woord van hare

lippen hooren. Zij geeft hem ternauwernood antwoord; haar gedachten

zoowel als haar blikken dwalen telkens weder naar de plaats, waarheen

zoo veler blikken, zoo veler gedachten heden avond dwalen, naar dat

jong, nog bijna kinderlijk gelaat, waaromheen de bruine lokjes zoo

dartel krullen, waarin de groote grijze oogen zoo schitteren onder de

zijden wimpers, waarop de blos der gezondheid en de ronding der eerste

jeugd zoo verlokkend tronen. Maar—blijven andere oogen met vriendelijke

bewondering rusten op al dat liefs—zij keert het gelaat toornig af van

het schoon, dat niet van haar werd geërfd; van het kind, dat niet haar

kind en toch—de laatste dagen hebben het bewezen—haar echtgenoot de

liefste is.

»Zij moet maar gauw trouwen, vindt u niet?« hijgt mevrouw Van

Ramsberge, terwijl ze haar dikken bruinen hals koelte toewuift met een

kracht, die De Bruining’s steile kuif in beweging brengt.

»Wie?« vraagt De Bruining, bij wien de Chablis nog min of meer werkt.

»Wel, freule Clotilde!«

»Is daar zoo’n haast bij?«

»Haast is er altijd,« zegt mevrouw Ramsberge met het gedecideerde van

domme menschen.

»Ja, dat is de indische meening; niet de hollandsche gelukkig!«

Nu kan men mevrouw Ramsberge niet meer grieven, dan door te toonen dat

men haar of haar meeningen indisch vindt, en zeker zou haar cavalier

zich voorzichtiger hebben uitgelaten, als zijn denkvermogen niet min of

meer beneveld ware geweest.

»Ik zou haast durven beweren dat er hier nog meer haast is dan

gewoonlijk, al vindt u het dan ook nog zoo indisch van me,« zegt ze en

maakt zooveel wind dat nu niet alleen De Bruining’s haren te berge

rijzen, maar ook zijn bakkebaarden aan de algemeene beweging beginnen

deel te nemen.

Met de poging om de beide bakkebaarden in één hand te verzamelen, welke

poging natuurlijk mislukt, werpt de heer De Bruining een langen blik op

zeker bleek, vermoeid gezichtje, dat hem zachtjes toelacht; hij

herinnert zich hoe rond en blozend dat gezichtje was, toen hij het voor

het eerst tot zich ophief en kuste; hij herinnert zich hoe spoedig het

verviel en verbleekte, en daar die droevige gedachten den laatsten damp

van den Chablis verdrijven, begint hij op ernstigen toon een gesprek:

»Ik ben van een geheel tegenovergestelde opinie, mevrouw Van Ramsberge.

Zie die kinderen eens een pret hebben. Zou het niet zonde en jammer

zijn, ze nu reeds de zorgen van een huishouding op de schouders te

leggen? Neen, laat ze eerst wat genieten van het jonge meisjesleven.«

»Nu, dat doen ze wel. Hoor die Gertrude Hagen eens gichelen! En

Clotilde schijnt ook niet van de stilsten.«

»Ja, zoo lachen ze niet meer als ze een kleintje thuis hebben.«

»’t Is toch een mensch zijn bestemming,« zegt mevrouw Van Ramsberge en

wuift hem de punt van zijn das tegen de kin, »dàt zult u toch niet

tegenspreken,« en ze kijkt hem boos aan, want ze stelt er een eer in,

dat haar dochters alle zoo bijzonder gauw—zij het dan ook niet

bijzonder goed—getrouwd zijn.

»Ja,« zegt De Bruining, zoo knorrig als het redeloos schermen met

gemeenplaatsen iemand maken kan, »ja, als u daarin komt, wat een mensch

zijn bestemming is. ’t Is, om eens iets te noemen, ons aller bestemming

om gepensioneerd te worden, maar daarom gaan we nog niet dadelijk allen

ons pensioen aanvragen.«

Dat is een hatelijkheid, denkt nu mevrouw Van Ramsberge; de generaal

heeft vijf-en-dertig jaar dienst en volgens sommigen wordt het zijn

tijd; de heer De Bruining bespeurt dat ze het als zoodanig opneemt,

maar hij heeft geen lust haar tot andere gedachten te brengen en doet

wat zijn vrouw reeds een uur doet—hij kijkt in zijn bord.

Behalve de vroolijkheid aan den hoek waar de jonge meisjes zitten,

heerscht van het begin tot het einde de kalme toon, die de diners ten

paleize kenmerkt. Zoo is men langzamerhand genaderd tot het einde: men

heeft eenige moeite om de glacés, die daar straks zoo vlug van de

vingers gleden, weer aan te krijgen, maar voor het overige staat men

even kalm op als men is gaan aanzitten; men leert allengs ook om zich

te vermaken op officieele wijze.

Het kwartier dat men na het eten staande doorbrengt in de voorgalerij,

schijnt heden korter te zullen worden dan gewoonlijk. Nauwelijks is de

koffie gebruikt, als reeds de adjudanten naderen met een beleefde

uitnoodiging hen te volgen en de gasten voorgaan naar het

achtergedeelte van het paleis.

Er zijn stoelen geplaatst op het balkon, maar het is stikdonker buiten,

en juist begint men zich af te vragen, wat toch de bedoeling zijn kan

van het staren in deze egyptische duisternis, als in een diepe

stilte—bewijs van de nieuwsgierige spanning waarin het gezelschap

verkeert—de intendant met zijn zakdoek wuift.

Was de heer d’Hannecour gewapend geweest met het stafje eener fee, niet

plotselinger had de verandering kunnen zijn, niet tooverachtiger had

uit de duisternis het tooneel kunnen verrijzen, dat nu het oog der

toeschouwers boeit. In een licht zoo zuiver wit als werd Bogor’s eeuwig

bloeiende tuin te midden der gletschers gevonden, ligt daar de vijver,

een reusachtige spiegel, gevat in groenfluweelen rand: rondom buigt

zich zacht wuivend loover, de avondwind suizelt en bestrooit de

glinsterende watervlakte met bloemen. Daar klinken de vriendelijke

tonen eener barcarolle en, bloemguirlanden gewonden om de zilveren

masten, veelverwige wimpels in top, met rooskleurige zeilen zwellend

door de geurige koelte, glijden tal van bootjes over het meer.

Nu gaat het schitterend witte licht over in teeder smaragd: hier en

daar tusschen het dicht geboomte dat den vijver omkranst, vertoonen

zich nimfen: zweven naar den oeverrand, ze plukken met volle handen

lotosbloemen en werpen ze den gondeliers toe.

De barcarolle verstomt, de lichte tonen eener wals dansen over den

waterspiegel; daarboven klinkt de zilveren lach der spelende nimfen.

Straks wordt het tooneel overgoten met helrooden gloed; een

schetterende fanfare, wild geschreeuw, satyrs springen te voorschijn,

gondeliers vluchten, nimfen verdwijnen; alles is weer in duisternis

gehuld.

De toeschouwers vergeten waar ze zich bevinden; de verrukking barst los

in luid gejubel, in handgeklap, in dank.

Zijne Excellentie bespeurt het niet. Hij hoort of ziet niets rondom

zich; hij ziet slechts het stralend gezichtje dat naar hem wordt

opgeheven; hij hoort slechts de stem, die bevend van verrukking

fluistert: »O, papa! ik dank u! ik dank u!«

Bogoriana: Roman uit Indië · 第 7 / 85 题