Droomerig suizelt de koelte door Insulindes lusthof, den plantentuin te
Buitenzorg.
Onmerkbaar beroert ze de toppen der waringins, waaronder de herten zich
te slapen legden; zachtjes doorademt ze de kanarielaan, die dubbele rij
van woudreuzen, verwonnen door de omarming der orchydeeën; spelend heft
ze de witte donsjes omhoog door de zwanen achtergelaten op de vijvers;
plechtig zucht ze in het bamboebosch dat zich heenbuigt over graven...
dan gaat ze fluisteren van minnevuur en zomerweelde in den bloemhof,
waar de rozen gloeien en de nachtvlinders dartelen.
Uit het paleis, dat zich verheft te midden dier tropische heerlijkheid,
stroomt een zee van licht.
De inlandsche jongelingen en meisjes sluipen naderbij, of ze ook iets
mochten bespeuren van het schitterend tooneel daarbinnen. Ze zien
slanke gestalten in witte kleedjes; ze hooren rijtuigen ratelen,
zweepen klappen, orders geven; ze vernemen het geruisch van satijn, het
getrippel van hooge hakjes in de marmeren vestibules; dan worden al die
geruchten overstemd door de eerste tonen der dansmuziek.
Want het is bal ten paleize. Wat meer zegt, ’t is het groote, het
veelbesproken bal dat Zijne Excellentie geeft ter eere van het eenig
kind uit zijn eerste huwelijk gesproten, kortelings teruggekeerd uit
Europa, waar ze achterbleef ter voltooiing harer opvoeding. Het
gezelschap, dat aan de uitnoodiging gehoor gaf is talrijk, de zaal
waarin men antichambre maakt niet groot, de atmosfeer zoo drukkend als
ze na een dag zonder regen wezen kan op Buitenzorg, de dames zoo
geagiteerd als ze gewoonlijk zijn, wanneer ze op het punt staan een
nieuw galatoilet te vertoonen; dit alles maakt het tot een ware
verlossing, nu eindelijk een adjudant komt aankondigen, dat de
gouverneur-generaal gereed is zijne gasten te ontvangen.
Het muziekkorps speelt een marsen en haastig zoekt iedere vogel zijn
gaaike: arenden en gieren gaan voorop, dan volgen pauwen en faizanten,
nu nachtegalen en leeuweriken, tot eindelijk roodborstjes en
boomkruipers de achterhoede vormen; kraaien, huismusschen of spreeuwen
zijn niet aanwezig.
De landvoogd, omringd door zijne logées, geflankeerd door zijn
adjudanten, staat tusschen vrouw en dochter. Hij ontvangt zijn gasten
hoffelijk; zijn echtgenoot doet het trots, deftig, maar zonder een
zweem van de eenvoudige waardigheid, die men zoo gaarne vindt bij
hooggeplaatste personen, terwijl freule Clotilde, blijkbaar niet gewoon
zoo op den voorgrond te treden, verlegen blozend het bruingelokte
hoofdje buigt.
Er volgen eenige minuten, waarin de gasten elkander onderling
begroeten, de jongelui hunne dansen opschrijven, de jongemeisjes lachen
en fluisteren en dan neemt de polonaise een aanvang.
Zijne Excellentie biedt den arm aan haar, die het voorrecht heeft een
koningsarend echtgenoot te noemen, de andere vogelsoorten volgen.
Maar niet alle. Als op elk bal vormt zich ook hier aan den ingang der
zaal de groep, die zoo nadeelig werkt op de luchtverversching.
’t Zijn echter niet, als meest in Europa, onverschilligen,
oververzadigden, die ergernis der muurbloempjes; ’t zijn ongelukkigen.
Immers, geen ongelukkiger toestand dan niet te weten wat met zichzelven
aan te vangen!
En in dien toestand verkeeren er velen.
Wat zal bijvoorbeeld de kapitein der Chineezen, wat moet de
Pengghoeloe, wat kan het hoofd der vreemde oosterlingen, wat kunnen zij
op een bal ten paleize doen?
Wat kunnen jeugdige thee- of kinaplanters, verwilderd door het verblijf
in de binnenlanden, wat jonge ambtenaren uit den omtrek,—wie niemand
kent en die niemand kennen, anders doen dan zichzelf en anderen in den
weg zijn?
Wat ook rest den onderwijzers? Ze zien het aan hoe hun vrouwelijke
collega’s aan den arm harer cavaliers deel gaan uitmaken van de
achterhoede van dien langen stoet, in wiens voorhoede ze niet weinig
kans en nog veel meer lust hebben eenmaal te komen. En ze durven haar
voorbeeld niet volgen.
Wat zullen de mannen doen, die bij een groot en algemeen feest als dit,
nog juist in de termen vallen voor een uitnoodiging, maar van wier
bescheidenheid men verwacht dat ze hun wederhelft thuis en zichzelf op
den achtergrond zullen houden?
Zoo oppervlakkig gezien zou men meenen, dat al die ongelukkigen even
goed hadden kunnen wegblijven, maar toch—ze hebben hun nut.
Voor degenen die een werkzaam aandeel nemen in de partij blijkt het
niet onaardig, dat zich een publiek vormt, een publiek om toe te zien
en te bewonderen.
Te bewonderen valt er genoeg.
’t Is een prachtig schouwspel, die lange reeks van dames, wier
parijsche toiletten, zoo niet altijd in goeden smaak, dan toch zeker in
rijkdom die harer hollandsche zusteren verre overtreffen, naast de
losse indische uniformen; die statige figuren, die donkere hoofden met
diamanten gekapt, die lieve meisjesgestalten daar henen zwevend in den
tooi van jeugd en onschuld—geheel die stoet van meer dan honderd paren,
die zich langzaam voortbeweegt in de vorstelijke balzaal, onder den
glans van tallooze lichten, op de statige tonen der muziek.
Het spiegelglad parket moge ouderen van dagen herinneren aan het gevaar
dat de straten in het moederland ’s winters aanbieden, voor de jeugd is
dit geen bezwaar; de lenige figuurtjes bewegen zich licht op den fijnen
enkel, en glijdt soms een netgeschoeid voetje uit, dadelijk is een
krachtige arm gereed om voor vallen te behoeden.
Op de polonaise volgt een wals.
De danszaal in het paleis te Buitenzorg heeft op andere danszalen voor,
dat zij, die den dienst van Terpsichore vaarwel zegden, kunnen
nederzitten zonder vrees voor de punten hunner voeten.
Rondom den ingelegden vloer loopt eene marmeren gaanderij door pilaren
eenigszins afgesloten; in die gaanderij bestaat overvloedig gelegenheid
om, achterover geleund in fauteuil of causeuse, een gezellig praatje te
houden, een portie ijs te gebruiken of toilet en gedrag der dansenden
te kritiseeren.
In die gaanderij beweegt zich de gouverneur-generaal.
Hij vordert slechts langzaam. Het is geen gemakkelijke taak, die hij
zoo rondwandelend volbrengt: ieder zijner gasten—waaronder zeer
vreemdsoortige—een woordje toe te voegen, niemand minder maar ook
niemand meer te geven dan hem toekomt; belangstellend te zijn en toch
niet hartelijk, vriendelijk en toch niet familiaar, beleefd en toch
niet koel.
Maar, zoo iemand, dan is hem dit toevertrouwd.
Zooals hij daar staat voor eene der dames die, haastig overeind
gerezen, op zijn hoffelijke toespraak antwoordt in een—om er het minste
van te zeggen—zeer eigenaardig hollandsch, is de indruk, dien hij
maakt, volkomen berekend voor de plaats die hij bekleedt. De hooge
gestalte verheft zich boven de meeste der aanwezige heeren; toch is ze
licht gebogen, niet zoozeer door ouderdom als door vermoeienis; voor
wie hem van nabij ziet, getuigt de schaduw onder de diepliggende oogen,
de breede rechte plooi in het hooge voorhoofd, dat hem, als zoovelen
zijner voorgangers, Buitenzorgs bebloemde troon doornen bood bij de
rozen.
Maar zijn gang is veerkrachtig, zijn blik helder en scherp, al moge de
uitdrukking van het gelaat diep zwaarmoedig, al moge in de zachte
welluidende stem een toon zijn, die spreekt van krachtig beheerschte,
maar daarom wellicht des te dieper gevoelde smart.
De overlevering zegt, dat vroeger de vrouwen der landvoogden zich
vriendelijk en gemeenzaam bewogen onder hare gasten, de Buitenzorgers
zijn van oordeel dat die dames toonden haar positie te
begrijpen—immers, niet zij zijn bekleed met de hoogste macht. Doch op
dit punt, als trouwens op zeer veel andere punten, is mevrouw Van
Waliënhove het volstrekt niet eens met de Buitenzorgers.
Aan het boveneinde der zaal, omringd van een doorzichtig priëel van
tropische planten, zetelt ze op haar roodfluweelen canapé, te midden
harer »hofdames«, zooals zij ze in vertrouwelijke oogenblikken spottend
noemt, de dames wier mannen lid zijn van den Raad van Indië, de
echtgenooten van generaals, directeuren en wat Batavia meer oplevert in
de hooge militaire of ambtenaarswereld. Dáár staat ze toe, dat men zijn
eerbiedige hulde komt nederleggen aan hare voeten. Ze ontvangt die
hulde, achteloos leunende in haar zetel, het gezicht half verborgen in
bouquet of waaier, met een voorname aanmatiging, die sommige der groote
dames tot machtelooze woede, anderen tot openlijk verzet vervoert.
Reeds hebben tal van bezoekers haar den vereischten hormat bewezen: er
is gebogen, geglimlacht; er zijn beminnelijke woordjes gesproken; met
het goed humeur, dat in den huiselijken kring onwaardeerbaar zijn zou,
heeft men hatelijkheden geslikt en scherpe gezegden opgenomen als
vriendelijkheden; waaier en bouquet hebben druk dienst gedaan, soms om
een geeuw, soms om een spottend lachje te verbergen, een enkele maal om
een ondeugende opmerking te fluisteren in het oor eener buurdame.
Eindelijk spreekt de adjudant van dienst een naam uit, die haar opwekt
uit haar voorgewende lusteloosheid.
»De heer en mevrouw Verschuere.«
Het jonge paar maakt zijn compliment. Mevrouw van Waliënhove begroet
zeer vriendelijk mr. Verschuere, den knappen, geestigen ambtenaar van
de secretarie, dien ze een jaar lang slechts noode miste op haar
partijen. Dan, zonder zich in het minst te bekommeren ook om de
eenvoudigste regelen der wellevendheid, zet ze haar lorgnet op en
begint mevrouw Verschuere in oogenschouw te nemen.
Nu behoort mevrouw Verschuere niet tot de dames, die schitteren in de
balzaal; daarvoor is ze te bescheiden, te tenger, te klein vooral.
Daarenboven heeft ze bij deze gelegenheid haar eigen denkbeelden
omtrent toilet moeten opgeven, om die van haar man te volgen en, in
plaats van de lichte, zachtgetinte, wolkachtige stoffen, waarvan ze
gewoon is kleedjes te tooveren, is ze gedost in zware witte zijde.
Een bataviasche modiste heeft het grootst mogelijk aantal meters stof
gebruikt om het fijne popje te omgeven met zulke zware plooien, dat ze
geheel in het niet verzinkt, terwijl een lange sleep evenzeer haar
vluggen gang belemmert als bevallige beweeglijkheid, die haar anders
een zoo groote bekoring schenkt.
Ook heeft Verschuere gemeend dat ze zich niet kapte, zooals het voor
een getrouwde vrouw past; de coiffeur heeft een stijve wrong gemaakt
van de zijden krullen; alles met het ongelukkige gevolg, dat er van de
blondlokkige sylphide, die aller oog had kunnen verkwikken, niets
overbleef dan een kleine vrouw met een fijn, bleek gezichtje.
Als dan ook de landvoogdes het lorgnet, waarmee ze zoo onbeschaamd kan
omgaan, eindelijk vallen laat, is het om den referendaris aan te staren
met een blik, die duidelijker dan woorden doen kunnen, vraagt:
»Is dàt nu de moeite waard om een reis voor te maken naar Europa?
Moesten dáárvoor de bataviasche en buitenzorgsche meisjes achterstaan?«
De heer Verschuere glimlacht met dat koele zekere lachje, ziet haar in
de oogen met dien doordringenden blik, die vrouwen als de barones in
toom houdt; ze kent den man tegenover haar en ze heeft geleerd hem te
sparen; ze weet dat hij zich niet behandelen laat zooals ze sommige
andere behandelt—dus richt ze zich met een poging om vriendelijk te
zijn tot het kleine, bevende persoontje en ontslaat hen eindelijk door
een groet, waaruit Verschuere lezen kan dat de gunst der barones nog
altijd zijn deel is.
»Hindert je iets, Gustaaf?« vraagt, met een stem die enkel muziek is,
de jonge vrouw eenige oogenblikken later, als ze met haar echtgenoot in
de gaanderij is gezeten en een wolk meent te bespeuren op zijn gelaat.
»Neen, lieve, niets,« antwoordt Verschuere verstrooid, terwijl hij een
jongen wenkt om nader te komen, met zijn blad vol dranken.
»Wil je een glas ijswater?«
»Heb ik me misschien een beetje kinderachtig gedragen?« fluistert ze,
als beiden bediend zijn. »Maar ze maakte me ook zoo verlegen, Gustaaf!
ze keek me zoo vinnig aan met die booze zwarte oogen.«
»Chut!... Kind, je moet wat voorzichtig zijn; de muren hebben hier
ooren.«
Hij ziet rondom zich, of ook iemand hen mocht hebben beluisterd, maar
het teeken voor de quadrille is daar juist gegeven en men is druk bezig
met vis à vis te zoeken.
De Verschuere’s dansen niet heden avond; zij blijft zwijgend zitten
kijken naar den grooten kring, die zich langzamerhand formeert; hij
ziet haar van terzijde aan met vorschenden blik.
»Ik kan toch niet zeggen dat die monsieur Paul slag heeft van kappen,«
begint hij aarzelend.
Nu komt de wolk, die daareven zijn voorhoofd ontsierde, zich legeren op
haar bleek gezichtje.
»O, ik weet wat het is dat je hindert,« roept ze met plotseling
opkomenden pijnlijken blos. »Je vindt dat ik er niet goed uitzie van
avond!«
»Wat een inval! Neen, Nita, werkelijk, je vergist je! Je ziet er even
lief uit als altijd.«
»Het is heel vriendelijk van je.... maar denk je dat ik het zelve niet
zie? En je hadt, geloof ik, juist zoo graag eens eer ingelegd met je
keus? Als ik maar niet zoo’n hoofdpijn had gekregen van dat kappen....
en als die zware japon me niet zoo hinderde!«
»Arm kindje! Laat me je wat eau de cologne geven. En nu ga ik je eens
voorstellen aan mevrouw Hagen.«
»Och neen, Gustaaf, liever niet!«
»O, zij zal een geheel anderen indruk op je maken dan mevrouw Van
Waliënhove, en daar mijnheer zoo beleefd geweest is je dadelijk te
komen aanspreken....«
»Ik zou graag naar huis gaan.«
»Maar Nita, hoe kom je er bij?«
»Wezenlijk, ik kan het niet langer volhouden.«
»Je moet het volhouden.«
Ze ziet naar hem op, verschrikt over dien gebiedenden toon, maar zijn
gezicht staat zoo streng, dat ze haar vraag niet meer herhalen durft en
moedeloos achterover leunt in haar fauteuil, den met eau de cologne
doorweekten zakdoek tegen het gloeiend voorhoofd gedrukt.
Daar buigt zich Verschuere haastig tot haar over en fluistert: »Ik bid
je, Nita, ga rechtop zitten. Daar is Zijne Excellentie. Hij komt naar
je toe.«
’t Wordt elf uur; tijd voor het souper.
De whist- en hombrespelers in de voorgalerij schrikken op van hun
partijtje; dansers en danseressen raadplegen verbaasd hun balboekjes;
zijn er waarlijk reeds zes dansen gedaan en resten er maar vier?
De paren rangschikken zich en volgen den gastheer naar de vertrekken,
waarin het souper wacht.
’t Is nu niet gelijk het onder sommige vroegere landvoogden zijn kon,
een rampaspartij, waarbij hooge ambtenaren hun deftigheid verloren
onder het nasnellen van uitgedroogde sandwiches, waarbij grijze
hoofdofficieren meer moeite hadden om een glas wijn te veroveren, dan
ooit het nemen eener benting hun kostte, waarbij lieve danseressen haar
adem besmetten met slecht toebereide haringslâ; het was nu een souper
zooals de gasten van een gouverneur-generaal het konden verwachten.
In de eetzalen, waar de avondkoelte door de hooge boogvensters
ongehinderd binnenstroomt, zijn tal van tafeltjes aangebracht, gedekt
met fijn damast en kostbaar zilver. Hier en daar staan reusachtige
buffetten, waarop in fonkelend kristal een dessert prijkt, zoo smaakvol
gerangschikt, zoo fraai en rijk, dat menigeen in het voorbijgaan een
begeerigen blik werpt op die kunstgewrochten van den franschen
confiseur.
Het publiek, geheel vrijgelaten in de keuze der plaatsen, verspreidt
zich en zoekt tafelgezelschap naar eigen smaak; de adjudanten voorkomen
ieders wenschen; de intendant vergeet al zijn waardigheden en
ridderorden, om op te gaan in de eene waardigheid van gastheer; de
bedienden in hun livrei van wit laken met goud doen, onder het toezicht
van den maître d’hôtel, hun plicht onhoorbaar en onopgemerkt, zooals
slechts een goed gedresseerde inlander dat verstaat; de zalen vullen
zich langzamerhand met feestelijke geluiden, vroolijk gepraat van jonge
stemmen, blij gelach, knallen van champagnekurken, rinkelen van glazen
en messen.
Door de wijdgeopende dubbele deur heeft de tweede der eetzalen
gemeenschap met een kleiner salon; in dat salon trekken de heer en
mevrouw Van Waliënhove zich terug. Met hen dit heilige der heiligen te
betreden, is slechts vergund aan zeer enkelen, aan de hooggeplaatsten
in de verschillende regeeringslichamen, aan de eersten bij marine en
leger.
’t Zijn meest oudere heeren. Toch wordt onder hen meer dan een
gevonden, die, wat al te levenslustig, een langen blik werpt op het
vele liefs dat hij achterlaat en talmt om binnen te gaan; toch zijn er
enkele onder de dames die, wanneer ze aan den arm van haar strammen
cavalier de vroolijke groepjes passeeren, een oogenblik van zwakheid
hebben, waarin ze wenschen te mogen meedoen zooals het past aan haar
jeugd, zij het dan ook niet aan de hooge betrekking van haar
echtgenoot. Maar dit zijn uitzonderingen. Over het geheel stevenen de
enkele bevoorrechten haar vriendinnen voorbij met een triumfeerend
lachje; de echtgenooten, schoon iets minder gevoelig voor
onderscheiding, kunnen toch niet nalaten de borst hoog op te zetten als
ze daar binnen gaan, en dames en heeren worden gevolgd door de
afgunstige blikken van velen; van velen, die het zich met droeve
oprechtheid bekennen, dat hun de poorten van dit paradijs nooit zullen
geopend worden; van enkelen ook die, vervuld van zoete illusie,
fluisteren: »Nog één promotie, nog één sterfgeval!.... en dan!«
Alleen daarginds, in dien grooten, lustigen kring, waarvan freule
Clotilde het middenpunt uitmaakt—niet door haar rang echter, maar door
haar meesleepende vroolijkheid, haar tintelende scherts, haar helderen
kinderlach—alleen daarginds, in dien kring van jongelingen en meisjes
wordt niet gedacht aan den goudglanzenden tempel der eerzucht, die de
gevreesde gouvernante tot priesteres heeft. Er zullen oogenblikken
komen—vele uren wellicht—waarin ook die jongelingen en meisjes worden
gekweld door de begeerte naar grootheid, naar rijkdom, naar roem! Maar
nu, met het champagneglas in de hand, met den gloed der balzaal op de
wangen, met de zorgeloosheid der jeugd in het hart, nu deert het hun
weinig of ze aanzienlijk zijn of gering, of ze rijk genoemd worden of
arm... ze zijn jong, de gelukkigen!