Wat Charivarius tot het bezigen van ruwe taal brengt.
Ik ben geen man van zaken,
Ik ben geen man van geld,
’k Ben kalm in mijn vermaken,
En op mijn rust gesteld.
Ik houd er van te dwalen
Langs heuvelen en dalen,
Wanneer de laatste stralen
Belichten bosch en veld.
Ik heb, dat spreekt, geen auto —
’k Verlang niet eens zoo iets;
Ja, was ik rijk getrouwd, o
Dan kreeg ’k zoo’n ding voor niets.
Nu is ’t mijn lot te loopen,
En hoogstens mag ik hopen
Nog eens te kunnen koopen
En tweedehandsche fiets.
Ik min het lieflijk kweelen,
In ’t stille avond-uur,
Der zoete filomeelen,
Bij ’t zwijgen der natuur.
En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn,
Kan mij wel niet bekoren,
Maar wekt toch niet mijn toorn —
Dat went wel op den duur.
Maar dat valsch-gierend gillen,
Zoo plots — nu schor, dan schel,
Waarvan je staat te rillen,
Je huid in kippenvel,
Dat krijschend jammerjanken,
In d’ infernaalste klanken,
Dat ’s erger dan de stank en
Dat haat ik als de hel.
En als het monster krijtend,
Met krassend huil-geblaat,
De trommelvliezen splijtend,
Aan ’t snaatrend schetteren slaat,
En ’t schril gekners verscherpend,
En snorkend, snijdend, snerpend,
En braakgeluid uitwerpend,
Mij vult met blinde haat,
Dan — ’t ware zeker wenschlijk,
Dat ik me nooit vergat,
Maar ik ben ook maar menschlijk,
Wie is er meer dan dat? —
Dan wordt het me waarachtig
Soms wel wat al te machtig,
Dan komt er, kort en krachtig......
Enfin, je weet wel wat.