15. LOFLIED OP DE VRIENDSCHAP.

Charivarius heeft bij zijn verblijf ten plattelande de overtuiging

gekregen, dat er behoefte bestaat aan een Algemeen Vereenigingslied op

de Vriendschap. De vereeniging die in de Uitspanning komt potverteren,

neemt plaats aan de tafeltjes onder de boomen, en heft het clublied aan.

Meestal is het slecht gerijmd, weinig vloeiend van klank en ondiep van

gedachte. Ziehier een poging tot iets beters. Het lied is er op ingericht

om voor alle soorten van vereenigingen te dienen.

Wijze: „_Wien Neerlandsch bloed_” — Tollens.

(_Allen, opgewekt, maar niet uitgelaten_)

Wij zitten blijde hier vereend,

De Vriendschap bind ons saâm,

Dien ’t Leven al zijn waarde leent,

Gezegend zij zijn naam!

Bij ’s levens Vreugd en ’s levens Pijn

Houd onzen Eendracht stand,

En wat er ook van d’ aard verdwijn’,

Nooit onzen Vriendschapsband! (_bis_)

(_Solo, een getrouwde Dame van huiselijken aanleg_)

De moeder mint haar zuigeling,

En doet haar eigen wascht,

Zoo blijft ook onzen Vriendenkring

Steeds proper en gepast.

Wij eeren onze Koningin,

Oranje, en Nederland,

Wij zijn omstrengeld, één van zin,

Door onze Vriendschapsband. (_bis_)

(_Duo, een Dame en een Heer, niet zonder nationale trots_)

Wel hebben wij ons Neerland lief,

Ontwoekerd aan de zee,

Met arbeid, zweet en ongerief,

Van Texel tot Goeree,

Maar veen en vaart en veld en vliet,

En ’t Scheveningsche strand

Zijn ons nog lang zoo dierbaar niet

Als onzen Vriendschapsband! (_bis_)

(_Solo, het jongste Lid, onbedorven, met zin voor natuurschoon_)

De vogel vliegt in vrijheid rond,

De visch hapt in den haak,

En uit de reinen kindermond

Hoort men de waarheid vaak.

Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf

’t Grotesk Heelal omspant,

Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf —

Is onzen Vriendschapsband. (_bis_)

(_Solo, een goedgezind, maar zuinig landmeisje_)

Hij, die niet op mij tegen heeft,

Die blijv’ niet achterbaks:

De kip, die ’t ei gelegen heeft,

Begroet zijn kuiken straks.

Wanneer ik fijn verkeering krijg,

Trakteer ik navenant,

Als ’k ’t geld voor de vertering krijg

Van onzen vriendschapsband. (_bis_)

(_Solo, een militair, flink, maar hartelijk_)

Het leger staat nog overend,

En vreest niet voor den strijd:

Ik draag den rok, gelijk bekend,

Van Hare Majesteit;

Al ben ik maar een korporaal,

(Binnen kort misschien sergeant)

Nog hooger dan een generaal

Acht ik de Vriendschapsband! (_bis_)

(_Solo, een jonge Dame met een warm hart_)

Een mensch zijn leven is een kruis,

Wanneer geen _Liefde_ ’t kroont,

Hetzij hij op een bovenhuis,

Of in een villa woont.

Maar zelfs al was ’k ’n barones,

Gekleed in zijde en kant —

Ik sprong beslist steeds in de bres

Voor onze Vriendschapsband! (_bis_)

(_Solo, een eenig Heer van ernstig karakter_)

En als één onzer scheiden moet, De groene zoô hem wenkt, En elk, in ’t

zwart en hoogen hoed, De ziltste tranen plengt, Ook dàn staan voor de

laatste keer De vrienden hand aan hand, En zingen luide ’t lied ter eer

Van onzen Vriendschapsband. (_bis_)

(_Solo, de Redacteur van het plaatselijke blad_)

Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid!

Het gaat hier om de pret!

Wij schakelen de tweedracht uit,

De twist wordt stopgezet.

Wat hier naar voren is gebracht,

Komt morgen in de krant,

Die sta in ’t teeken van de kracht

Van onzen Vriendschapsband! (_bis_)

Ruize-rijmen · 第 194 / 248 题