III.

Ik ga. Bij de eerste gerechten,

Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft,

Win ik met gemak de gevechten

Met oesters, met boutjes en kreeft.

Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding!

Gelukkig één schotel nog maar;

’k Zie in mijn verhitte verbeelding

’t Diploma — _cum laude!_ — al klaar.

Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster,

Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord!

Mijn harte dat klopt er en bonst er......

Mijn polsslag wordt koortsig en kort......

Ik zit op ’t mysterie te staren......

Een klein plasje saus ligt er naast......

En hemelwaarts stijgen mijn haren,

Mijn blik is verstard en verglaasd......

Ik kan haast geen adem meer krijgen......

Met moeite weerhoud ik een kreet......

Ik zit als een karhond te hijgen......

Mijn voorhoofd staat blank van het zweet......

De kellner, een man van het vak dus,

Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt,

Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus,

Die eet je met peper en zout!”

Een onheilverkondend gefluister......

d’ Examencommissie pleegt raad......

Mijn examinator kijkt duister,

En boekdeelen spreekt zijn gelaat......

— — — — — — — — —

Van oesters ben ’k niet meer geschrokken,

Ik toonde me ’n held in gehakt,

Maar op die vervloekt’ _artisjokken_

Ben ik, diep-rampzalige, gezakt!

Ruize-rijmen · 第 192 / 248 题