Charivarius heeft elk jaar een hazendinertje. Deze keer droeg hij
er ’t volgende Rijm voor. Misschien kan iemand dit vaers voor zoo’n
gelegenheid, mutatis mutandis, gebruiken.
_Vergunt mij uw aandacht te vragen_
_Voor ’t volgend berijmde relaas,_
_Het is, wat ik voor heb gedragen_
_Op ’t jaarlijksch diner van den haas:_
Zoo zitten wij hier weer tezamen.
’t Is niet voor een broodje met kaas!
Neen, menschen met dubbele namen
Die eten niet minder dan haas.
Voorheen zat men hier bij de gratie
Van Willem, in ’t jagen een baas!
_Hij_ voerde ons (in combinatie
Met ’n nette affaire in haas).
Nu zijn we met koophaas tevreden;
’t Is niet zoo poëtisch, helaas!
Hij is in het huwlijk getreden,
Maar wij hebben niettemin haas.
Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden!
Zij werden — of worden — Papa’s,
Maar dat heeft hen goddank niet weerhouden
Van het heilige Feest van den Haas.
In streng vegetarische kringen
Beschouwt men dit eten als „aas”,
Wij zijn niet als zij, en wij zingen
Met geestdrift den lof van den haas.
Wij zijn geen diep-droomende dichters,
Die het leven bezien door een waas,
We eten gewoonlijk wat lichters,
Maar eens in het jaar is het: haas!
Wat geeft er in tijden van smarte
Weer levensmoed, steun en soelaas?
Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,”
Maar ’n deeglijke maaltijd van haas.
Met vettige visch en pasteien,
Met puddingen, taarten of vla’s —
Laat andren zich daarmee vermeien,
’t Is ons hier te doen om den haas.
Het beest van de wijde terreinen,
Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas,
Moet in onze magen verdwijnen —
Dat is eenmaal ’t lot van den haas.
Ja, met moeite bedwingen wij kreten
Van vreugde, en luide hoera’s,
Wanneer wij zoo zitten te eten
Van Brinkmann’s voortreflijken haas.
Dat ’t varken de mesthoop bewerke,
Dat het rund vrij het weiland begraz’
Dat de kip zich met wurmen versterke —
Wij, mannen, wij eten den haas!
Wat het bijbelwoord is voor den Christen,
Voor de vrouwen de bloem in de vaas,
Dat is voor ons, epicuristen
Zoo’n heerelijk ruggetje haas.
Natuurlijk, wanneer we niets dronken,
Dan waren we allemaal dwaas,
Maar _als_ er hier iets wordt gedronken,
Dan is het ter eer van den haas.
En niemand verlaagt of verkleint zich
Door dollemanstaal of gedaas:
De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zich
Door den nobelen smaak van den haas.
Men knoeit met de menschlijke namen,
Bv. Françoise wordt „Zwaas!”
Maar iedere man zou zich schamen,
Om een haas niet te noemen, een _haas_.
Hoe gaarne ik straks mijn Havanna
Tot geurige wolken verblaas,
’k Verkies boven nevelen manna,
En manna voor ons is — de haas!
Men spreekt en men dicht en men schrijft steeds
Van ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas,
Maar _ons_ vaderlandsch feestje, dat blijft steeds:
Het jarelijksch Feest van den Haas!
Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne,
En Rotterdam ligt aan de Maas,
Maar _daar_ heeft men — ’k erken het, en gaarne,
Toch nooit _zulke_ feesten van haas.
Zoo zitten wij hier weer als vrinden,
Onder feestlijk geruisch en geraas;
Wij weten elkander te vinden,
En — ’t is niet alleen om den haas!