O, telefoon, ik haat je!
Ik haat je als de hel!
_Rrrrring!!_
Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel!
_Rrrrring!!_
Je staat daar in een hoekje,
Maar eischt subiet gehoor,
_Rrrrring!!_
Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door.
_Rrrrring!!_
Ben ’k boven aan het scheren,
Waar ’k kin en wangen krab,
_Rrrrring!!_
Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap.
_Rrrrring!!_
„Verkeerd (weer!) aangesloten!”
Dat ’s alles wat ik hoor;
_Rrrrring!!_
Dan zeg _ik_...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor.
_Rrrrring!!_
Wie maar wat heeft te vragen,
Valt ruw in elk gesprek,
_Rrrrring!!_
En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek.
_Rrrrring!!_
De kleverigste kletskous,
d’ Onmogelijkste vlerk,
_Rrrrring!!_
Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk.
_Rrrrring!!_
Hij ’s veilig, dus waarom niet?
En, krijgt ie ’t in z’n kop,
_Rrrrring!!_
Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op.
_Rrrrring!!_
De telefoon verleert je
Manieren en fatsoen,
_Rrrrring!!_
Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen.
_Rrrrring!!_
De zachtst-gezinde menschen,
Zijn grof per telefoon,
_Rrrrring!!_
Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon.
_Rrrrring!!_
Ik noem maar niet meer grieven —
Vanwege plaatsgebrek,
_Rrrrring!!_
Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!”
_Rrrrring!!_
Ik zwijg ook van den toestand,
Dien j’ elken dag doorleeft,
_Rrrrring!!_
— Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft.
_Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!_
Bah! — ’k Smijt den horen neder
Op ’t toestel met een kwak......
Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’k _vin_ ’t een groot gemak.