7. O, TELEFOON!

O, telefoon, ik haat je!

Ik haat je als de hel!

_Rrrrring!!_

Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel!

_Rrrrring!!_

Je staat daar in een hoekje,

Maar eischt subiet gehoor,

_Rrrrring!!_

Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door.

_Rrrrring!!_

Ben ’k boven aan het scheren,

Waar ’k kin en wangen krab,

_Rrrrring!!_

Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap.

_Rrrrring!!_

„Verkeerd (weer!) aangesloten!”

Dat ’s alles wat ik hoor;

_Rrrrring!!_

Dan zeg _ik_...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor.

_Rrrrring!!_

Wie maar wat heeft te vragen,

Valt ruw in elk gesprek,

_Rrrrring!!_

En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek.

_Rrrrring!!_

De kleverigste kletskous,

d’ Onmogelijkste vlerk,

_Rrrrring!!_

Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk.

_Rrrrring!!_

Hij ’s veilig, dus waarom niet?

En, krijgt ie ’t in z’n kop,

_Rrrrring!!_

Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op.

_Rrrrring!!_

De telefoon verleert je

Manieren en fatsoen,

_Rrrrring!!_

Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen.

_Rrrrring!!_

De zachtst-gezinde menschen,

Zijn grof per telefoon,

_Rrrrring!!_

Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon.

_Rrrrring!!_

Ik noem maar niet meer grieven —

Vanwege plaatsgebrek,

_Rrrrring!!_

Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!”

_Rrrrring!!_

Ik zwijg ook van den toestand,

Dien j’ elken dag doorleeft,

_Rrrrring!!_

— Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft.

_Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!_

Bah! — ’k Smijt den horen neder

Op ’t toestel met een kwak......

Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’k _vin_ ’t een groot gemak.

Ruize-rijmen · 第 183 / 248 题