4. EERSTE LIEFDE.

Aan To.

’t Was een mooie

Zomerdag,

Dat ik, To, je

’t Eerste zag.

Bij het beekje

Zag ’k je staan,

En ik keek je

Smachtend aan.

Ik was dalijk

Smoor, maar jij

Nam me kwalijk

Dat ’k het zei.

Maar toch ein’lijk

Gaf je toe;

Hoogstwaarschijnlijk

Werd je moe.

Even zweeg ik,

To, en toen,

Liefste, kreeg ik

Plots een zoen.

Hoe begeerlijk

Is de min!

En hoe heerlijk

Was ’t begin.

Ik bezat geen

Rooie cent,

En ik had geen

Tractement.

Dus je vader

Was verstoord;

’k Heb dat nader-

hand gehoord.

En je moeder

Stom verbaasd!

’k Weet nog hoe d’r

Werd geraasd!

Ik kreeg klappen

Voor me straf;

Al de trappen

Rolde ’k af.

Ach, daar lag ik

In de laan!

Jij was, — zag ik —

Aangedaan.

Je stond onder

’t Lindegroen,

Maar je kon d’r

Niets aan doen.

En ik liep naar

Huis, kapot

Van dit diep naar-

geestig slot.

Heel mijn leven

Leek m’ één nacht...

Jij was zeven,

Ik was acht.

(Maar dit vrijen

In ’t geheim

Levert mij ’n

Ruize-Rijm).

(_Naar het Engelsch._)

Ruize-rijmen · 第 180 / 248 题