Aan To.
’t Was een mooie
Zomerdag,
Dat ik, To, je
’t Eerste zag.
Bij het beekje
Zag ’k je staan,
En ik keek je
Smachtend aan.
Ik was dalijk
Smoor, maar jij
Nam me kwalijk
Dat ’k het zei.
Maar toch ein’lijk
Gaf je toe;
Hoogstwaarschijnlijk
Werd je moe.
Even zweeg ik,
To, en toen,
Liefste, kreeg ik
Plots een zoen.
Hoe begeerlijk
Is de min!
En hoe heerlijk
Was ’t begin.
Ik bezat geen
Rooie cent,
En ik had geen
Tractement.
Dus je vader
Was verstoord;
’k Heb dat nader-
hand gehoord.
En je moeder
Stom verbaasd!
’k Weet nog hoe d’r
Werd geraasd!
Ik kreeg klappen
Voor me straf;
Al de trappen
Rolde ’k af.
Ach, daar lag ik
In de laan!
Jij was, — zag ik —
Aangedaan.
Je stond onder
’t Lindegroen,
Maar je kon d’r
Niets aan doen.
En ik liep naar
Huis, kapot
Van dit diep naar-
geestig slot.
Heel mijn leven
Leek m’ één nacht...
Jij was zeven,
Ik was acht.
(Maar dit vrijen
In ’t geheim
Levert mij ’n
Ruize-Rijm).
(_Naar het Engelsch._)