Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen,
Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen,
En Rome’s achting waard was Fries en Batavier.
Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier.
_Van Lennep._
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedreven
Heb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven.
Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is:
Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis.
Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen,
Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen —
Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet:
Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed.
Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven:
’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven;
Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofd
Aan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft.
Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen!
En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen.
In overoude tijden zag ons grondgebied
Er anders uit dan nu. Zoo was er toen nog niet
Die groote zilte plas, de _Zuiderzee_ geheeten;
Daar was het _Flevo-meer_. Zooals je wel zult weten,
Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld;
Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld.
In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk der _Katten_,
Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvatten
Te wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit;
Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit,
Om in zoo’n hollen stam den _Rijnstroom_ af te zakken.
Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken.
En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom,
Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom;
Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangen
Om zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen.
Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land.
Hier woont de _Marezaat_, de _Fries_ en de _Tubant_,
En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten,
Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „_Kaninefaten_.”
De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstond
De naam van: _Batavier_ (_Bat ouwe_, „goede grond.”)
’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen,
Maar ik had ze genoemd: de _Holleboomelingen_.
Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend;
’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent.
Nu. Al die volken waren eigenlijk _Germanen_,
(Wat heel wat anders is dan _Duitsche onderdanen_!)
Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit,
Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit.
De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen,
Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen;
Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt;
De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt.
Hun hutten bouwden zij op _woerden_ of op _terpen_.
Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen.
Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof;
Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof.
Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden,
Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden.
Zij leefden van de jacht en van de visscherij,
En verder at men honig, fruit, en gerstebrij.
Hun drank was _mede_ of bier. Ja, ons gebruik van bieren
Dateert nog uit den tijd der oude Batavieren.
Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud,
Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout.
Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen.
Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen.
De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja —
’k Vind _onze_ kinderen veel te vrij met hun papa.
De Batavier was te beschaafd om zelf te werken;
Wie werkte, was: de _slaaf_. En hieruit kun je merken,
Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied,
Want _werkman_ heet hij nu, en _werken_ doet hij niet.
De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen —
Daar moet je bij de dames _nu_ maar eens om komen!
De dooden werden steeds op stapels hout verbrand:
Aan wurmen voeren had de Batavier het land.
Door al die volken werd het _Heidendom_ beleden;
Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden.
De oppergod was _Wodan_, sterk, maar zacht van zin,
En verder _Donar_ (zoon), en _Freya_ (gemalin),
Waarvan men _Donder-dag_ en _Vrij-dag_ af moet leien;
Dus niet, zooals je dacht, van _donderen_ en van _vrijen_.
_Walhalla_ heette ’t hemelrijk, waar ook de mensch
Kwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch,
Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen,
Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.