om hem gerust te stellen.
Erasmus _Jacob_: En verorberde Antronius alleen zijn boonenpap?
_Gilbert_: Ja, want hij had voor een kleinigheidje gekocht. Hij
verbood echter niet, dat iemand die in zijn buurt zat
eens met hem zou proeven. Maar ’t scheen wel wat
onbeleefd den armen uitgehongerden man van de voor
hem bestemde prijs te berooven.
’t Is zeker veelszins aangenamer
Te zitten op een Heliekon,
Dan in een burgerlijke kamer
met sloffen aan en huisjapon;
Zijn blikken laten dwalen naar de
Gebieden buiten ruimte en tijd,
Dan naar het wriemlen dezer aarde,
Met de al te kleine onmenschelijkheid.
Maar somtijds voel je toch wat krieblen,
Heel ver beneden aan je voet:
Je zit op je fotuil te wieblen
En...... je wilt weten wie dat doet.
Je laat zoolang op den Parnassus
Je lege stoel aan „Leepers” na,
Neemt uit de boekenkast Erasmus,
Het deeltje der Kollookwieaa.
Dan pak je in Buda-pest de ekspreste —
Ah! Buddha pest thans niet alleen!
Die voert je naar t’ beschaafde Westen
En...... je vindt Holland als voorheen:
Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakken
Zijn teebeschuitjes en bis-kwie,
En zorgt Verweij voor het verzakken
Der Nederlandsche poëzie.
’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog,
En geeft op Zaterdag zijn preek,
De aloude Groene heeft zijn plaat nog,
Daar Braakensiek onsterflijk bleek.
De dijken liggen langs de slooten,
De velden saai, onogelik,
’t Is nog het land der bentgenoten
Van Bella-mie en Bilder-dik.
Maar zijn soldaten werden menschen,
Die zitten niet meer bij de pap,
Maar wandlen langs de Zuidergrenschen,
Met krachtig mielietère stap.
’t Is nog het land waar Wouter Pieters-
E zooveel vreugd in heeft beleefd
En waar men honderd Hektolieters
Boergonje maandliks nodig heeft,
Om zun verveling weg te spoelen,
Die van de dorre daken geeuwt;
’t Is nog het land van modderpoelen,
Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt.
’t Is nog het land, waar achter ieder
Gordijn een oude juffrouw zit,
Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder”
Met haar wormsteekig zwart gebit!
’t Is nog het land, waar maazematten
Geslaagen worden klandestien,
En waar je in donkre Kaazematten
’t Neutrale flonker-goud kunt zien.
Den rijken hort der Neevelingen,
Bewaard in ’t Veilig Rotterdam,
Waar lonkende „Reintöchter” zingen
Van den Germaanschen Goodestam.
— — — — — — — — —
Je hebt gelijk, die een fotuil heeft
Op den Parnassus onder goôn,
IJs niet dat hem een krant in ruil geeft
Voor geestlik goed verachtlik loon......
Wat je uit de suiker kunt tietreren,
Of uit Tabak en koffy haalt,
Het word’ tot delging van zijn beeren
An Chaarivaaricus betaald.
En morgen neem ik vroeg de ekspreste,
Die mij naar den Parnassus spoort,
En zit weer bij mijn adelaarsnesten,
Door kraai- noch kikkerzang gestoord.