„Ik erken, dat de inval in België een schending van het volkenrecht is.”
(_Bethmann-Hollweg._)
„Onmiddellijk na den inval maakte België zich schuldig aan de
schandelijkste schennis van het volkenrecht.”
(_Het Duitsche Witboek._)
Toen ik nog een kleine aap was,
Nog zoo’n baardelooze knaap was,
Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa,
Of ’k ’t land had — ga maar na!
Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazen
Zware wolken, witte wazen,
Knord’ ik in mijn jeugdverdriet:
„U mag wel, maar ik mag niet!
hè......!”
Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje,
Ach, zij werd een ander’s vrouwtje,
’k Zag ze gistren op ’t perron,
En het minnespel begon!
Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen!
En ik mompeld’ ondertusschen,
Fel jaloersch, zooals je ziet:
„Hij mag wel, en ik mag niet!
Oh......!”
Een der bladen, dezer dagen,
Stelde deze vraag der vragen,
Of ’t de man is of de vrouw,
Die men ’t liefst vergeven zou,
Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen......
’t Is zoo moeilijk uit te leggen......
Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried:
„Hij mag wel, maar zij mag niet!
Foei......!”
Tusschen mij en ieder ander
Journalist bestaat (hij kan d’r
Niets aan doen) een groot verschil:
Ik mag schrijven wat ik wil,
Niets belet m’ ’r uit te flappen.
Wat mij lust, maar hij moet schrappen
Wat zijn redacteur gebiedt:
„Ik mag wel, maar hij mag niet!
Eis......!”
Bethmann-Hollweg heeft beleden,
Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden,
En nu lees ik ’t Witboek weer,
— Ik verwonder me niet meer! —
Daarin zegt hij tegen België:
„Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je,
Maar” — ’t is weer het oude lied! —
„Ik mocht wel, maar jij mocht niet!
Zóó......!”