30. WE WONEN IN EEN HOUTEN HUIS.

Gerijmd na het lezen van Prof. Kernkamp’s „Hou zee!” — Prof. Dr.

Kernkamp. _De Europeesche Oorlog._ Uitg. _Tjeenk Willink & Zoon_, Haarlem.

We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet,

De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet.

Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd,

Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1)

Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft,

En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2)

Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A,

Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na.

Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 —

Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B.

In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld,

En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”.

’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip,

We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip.

Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, de _Telegraaf_ verbrand,

Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’t _Vaderland_.

Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed,

De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet.

Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin,

Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in.

Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet,

Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...

Ruize-rijmen · 第 82 / 248 题