Gerijmd na het lezen van Prof. Kernkamp’s „Hou zee!” — Prof. Dr.
Kernkamp. _De Europeesche Oorlog._ Uitg. _Tjeenk Willink & Zoon_, Haarlem.
We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet,
De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet.
Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd,
Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1)
Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft,
En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2)
Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A,
Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na.
Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 —
Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B.
In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld,
En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”.
’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip,
We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip.
Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, de _Telegraaf_ verbrand,
Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’t _Vaderland_.
Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed,
De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet.
Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin,
Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in.
Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet,
Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...