_Anti-pro-Rijm._
Ach, ons goede land, eilacy!
Is verdeeld, al is er vreê,
Onze „eensgezinde” natie
Scheidt een zwarte lijn in twee.
’t Is de lijn, die fel-proditten
Van de fel-prodatten scheidt,
Die de Duitschers en de Britten
Nadoen — in een pennestrijd.
Als de honden en de katten
Staan ze klaar tot krab of beet,
De proditten en prodatten,
Even vinnig, even wreed.
Waarom moeten wij toch _dwepen_
Met den Duitscher of den Brit?
Heb je nog al niet begrepen,
Dat je net in ’t midden zit?
Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen,
Waaraan hebben wij ’t verdiend,
Dat de vader van zijn zonen,
En de vriend wijkt van den vriend?
Bij de huiselijke feesten,
Waar juist alles één moest zijn,
Scheidt de harten en de geesten
Die beroerde zwarte lijn!
Vriend en vriend, en zoon en vader,
Elk aan elken kant der lijn!
Brengt je dan ’t idee niet nader,
Dat de strijders _gekken_ zijn?
Gekken zijn ’t! aan beide zijden,
Onze sympathie niet waard,
Te verdwaasd om uit te scheiden,
Als een toomloos, hollend paard.
Duidelijk verklaart het geene,
Waarom hij ’t gemoord begon,
„Prusianisme”, zegt de eene,
d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.”
En met zulke vage woorden
Snelde men in ’t strijdgewoel,
En zoo als de grond van ’t moorden,
Even wazig — is het _doel_.
Laat ’m branden, ook al brandt ie
Nóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts,
Weg met pro’s! Wees enkel _anti_:
_Anti-dollemans-oorlogskoorts_!