Een Amerikaansch oud-senator schrijft in de _Times_: „In Amerika hoort
men nu herhaaldelijk uitingen van leedwezen, om niet te zeggen van
teleurstelling over de omstandigheid, dat de Vereenigde Staten zich niet
in den grooten wereldkrijg gemengd hebben.”
Wat is het toch akelig duf en saai,
die eeuwige pais en vree!
Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!
ach, deden wij ook maar mee!
Bij ons is er niemand met haat bezield,
met hevigen, blinden haat,
Voor iederen man en voor iedere vrouw,
en kind, van „den anderen staat.”
Wij hebben nog wel wat waardeering hier,
al maken w’ ons soms wat boos,
Wij zien toch het goede in ieder land —
wat laf! wat karakterloos!
Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegd
voor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood,
Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel,
veel prettiger: voor den dood!
Hier zie je niet ieder gezin in rouw,
om vader, of man, of kind,
Hier zie je de straten niet volgepropt
met monsters, verminkt en blind.
In Duitschland spelen de kindren al
een heel aardig spel op straat,
’t Is origineel, en goed bedacht,
het heet „De gewonde soldaat.”
Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd,
hij komt er zoo uit ’t gevecht,
Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht,
hij doet het heel leuk, net echt.
De kinderen spelen hier nooit zoo iets,
ze kunnen ’t niet eens, misschien:
Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit
’n gewonde heusch gezien.
Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel,
’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an?
Dáár zie je ze overal bij de vleet,
de stompjes gewezen-man.
Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien,
hoe heerlijk het is. Hoezee!
Lang leve de frissche, de vroolijke krijg!
ach, deden wij ook maar mee!