10. OLIEVERF-RIJM.

„Als uiterlijke gedachtenis schenk ik u, Hindenburg, mijn portret in

olieverf, dat u vandaag zal worden toegezonden.” _Wilhelm, I. R. — N. v.

d. D._

Z. M. dicht ook. Charivarius veronderstelt dat iets als ’t volgende de

schilderij tot Geleibrief gestrekt heeft.

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf,

En in mijn dienst vergrijsd,

Hierbij Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf!

Dien ’t menschdom eert en prijst,

Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Gij, die zoo vaak voor Rus en Serf

De Rijksvaan dreigend hijscht,

Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Gij zijt den vijand ten verderf,

Wat uw succes bewijst;

Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!”

Dat bidt uw Vorst — neen _eischt_ —

Bij dit portret in olieverf,

In zwaar vergulde lijst.

Wat er verbrokle of verscherv’

— Dat maakt Mij nog het blijst —

Niet dit portret in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

Wáárin het mes des tijds ook kerv’

Wááraan de worm ook spijst —

Niet aan Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

En, nadert d’ ure, dat Ik sterf,

Mijn Ziel ten hemel rijst,

Gij houdt ME — al is ’t in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.

Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf,

Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst!

Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf,

In zwaarvergulde lijst.”

— — — — — — — —

Nu weet ’k geen woorden meer op -erf,

En ook geen meer op -ijst,

Vaarwel dus, hoofd in olieverf,

In zwaarvergulde lijst!

Ruize-rijmen · 第 62 / 248 题