„En de kinderen zullen de moeders vragen hen te roepen, als ’s nachts het
mooie luchtschip komt......”
(_Kernkamp, De Oorlog._)
„Moeder, wil u Baby roepen,
Als dat mooie luchtschip komt,
Dat daar boven alle daken
Verre vliegt, en gromt en bromt?”
„Kind, ik zal je laten slapen,
Als het Groote Monster naakt,
Die je zeien, dat het mooi is,
Hebben je wat wijs gemaakt!”
„Waarom zit u zoo te beven?
Ben u bange voor de nacht?
Zal u Baby zeker roepen......??”
„Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”
Baby sluimert. In het duister
Zweeft de Zeplin door het zwerk,
En de moordenaars daarboven
Doen bedaard hun duivelsch werk.
„Zal ’k er maar wat laten vallen?
Dat daar, dunkt me, is een stad,”
„Ja, je kunt het licht probeeren,
’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”
En hij werpt de helsche bommen
Naar beneê met vaste hand,
God ter eer, en voor de Zege
Van het lieve Vaderland.
— — — — — — — — — — — — —
Baby ligt er, bleek en bloedig,
In d’r bedjen uitgestrekt,
Moeder hoeft ’r niet te roepen,
Zeplin heeft ’r doodgewekt......