OP SCHAATSEN

Moeder heeft permissie gegeven, Vader mag op het ijs. Als je dat nu aan

vreemden vertelt, die denken zeker: Moeder is over Vader de baas. Maar

natuurlijk niet. Of ze denken, dat Vader wel graag wil, maar niet kan

schaatsenrijden. Evenmin, want Vader reed immers in zijn jonge jaren de

grootste tochten mee! De waarheid is deze: Moeder is bang. Voor ijs,

voor water, voor lucifers, voor alles is Moeder bang. Ook voor

kinderdieven en voor moordenaars. Alleen voor onweer niet. En vóór hun

trouwen heeft Vader moeten beloven, in zijn leven nooit meer te zullen

schaatsenrijden. Al die jaren hield Vader woord, dat spreekt

vanzelf.... maar nu is er een wonder over de wereld gekomen, waar alle

kranten vol van staan, waar alle menschen over spreken.... het vriest

al meer dan zes weken aan één stuk door. En iedereen wist wel dat zulke

winters bestonden—er is zelfs een leeslesje dat heet „Een ouderwetsche

winter” en dat eindigt „Men at Paasch-eieren op het ijs”—maar niemand

geloofde dat ze ooit nog zouden komen. Het leek zoo iets als

bijvoorbeeld de plagen van Egypte. Het vriest wel eens een week.... de

dooi valt in, duurt ook een week.... het vriest weer op, het dooit

opnieuw.... zoo ga je dan den winter door. Maar ditmaal! De menschen

snuffelen in oude kranten, ze lezen er oude boeken op na en wat vinden

ze....? deze winter is de hardste, de langste, de koudste van allemaal.

Moeder zegt: als jullie het later je kinderen vertelt ze zullen het

nooit willen gelooven: er is een kermis op het ijs.... een draaimolen,

een poffertjes-kraam en een met koek. Paard-en-wagen draven dwars er

over, ze hebben gewoon de bruggen niet meer noodig, ze rijden van West

naar Oost tusschen de bruggen door en de bruggen liggen voor mal, de

menschen glijden onder ze door en ze leunen tegen de pijlers aan, om

uit te rusten of hun neus te snuiten, precies waar anders het water zoo

woelig en zoo griezelig onder de groote zwarte schaduwen ligt! Je moet

maar niet meer vragen hoe dik of het ijs is, liever hoeveel water er

nog staat; als een put en zoo donker ook, was het gat, waaruit de

visscherlui de spieringen naar de hoogte haalden, bij tienen, bij

honderden—wat raken ze ook niet benauwd in dat dunne laagje water onder

dien geweldigen ijsvloer opgesloten en snakken naar adem en kwamen

allemaal op die ééne opening af—diep als een put was het gat en de

uitgehakte blokken stonden er omheen, als de Hunnen-bedden op de plaat

in school, schier zoo hoog als je-zelf! Want ze stonden er bij en ze

keken ernaar en ze zagen de zilveren spieringen spartelen aan de lange

lijn, die kwam uit de diepe put en met hen stonden er heel veel anderen

om heen. Anders in den winter hoor je vragen of je vraagt het zelf, ’s

morgens en ’s avonds „vriest het nog?” of „dooit het al?” al naar wat

je het liefste zoudt willen, niemand neemt nu meer die woorden in den

mond, je weet al niet beter of het hoort zoo. Eenmaal zal het

natuurlijk wel weer gaan dooien, over maanden.... je bent benieuwd,

wanneer! Vader mag nu ook op het ijs, maar Moeders permissie was

daarvoor niet voldoende, want een gelofte is ook iets van je-zelf en

daarom heeft Vader twee centen aan een arm mensch gegeven en nu is het

in orde en kan Vader gaan. Hun was nooit iets verboden, maar ze hadden

geen schaatsen en begeerden ze ook niet. Schaatsenrijden is een van die

dingen, waarnaar je niet kunt verlangen, voor dat je ze hebt, omdat je

niet kunt weten hoe het is, voor je het hebt gedaan.

Bij Bot heeft Vader de schaatsen gekocht en het zijn beste, en Vader

heeft er verstand van. Echte rijders rijden óók liefst op oude, echte

rijders gebruiken óók gewone touwtjes, Vader zal het toch zeker wel

weten! En al had je de stijfst gesnoerde riemen, wie pas begint,

verliest toch elken keer een schaats—, bij echte rijders bungelen de

schaatsen zoo los, dat zij ze uitschoppen kunnen—, nu, je mag vader

gerust gelooven.

Verleden week Woensdag-middag zette Vader ze op de sloot en nu weten ze

al hoe heerlijk het is, hoe los en luchtig je je-zelf op schaatsen

voelt en hoe je ooren en wangen gaan gloeien, zoodat de wind, dien je

rijdende vangt—een scherpe wind zeggen de kniezers—een heerlijke

verkoeling geeft. En je staat rechtop, je borst vooruit, je voeten

naast elkaar en je glijdt en je glist en je zwenkt tusschen anderen

door en soms val je ook wel, maar je moet zoo weinig mogelijk glijden,

zegt vader, echte rijders breken den slag niet af, glijden is

kinderwerk, en je staat in de sloot zoo grappig laag, als was je

weggezakt in de diepte tusschen de huisjes en groentetuintjes eerst,

midden in het witte land daarna.... de molens steken er stram boven uit

alsof ze zelf bevroren waren. Maar zit niet te lang op den kant, hoe

prettig je rust, hoe prettig je zoo uitrustend samen kunt praten over

de dingen dichtbij en over de kraaien, de sneeuw, de dorpen

verder-op.... zit niet te lang, want de warmte waait van je af en je

wordt zoo stijf als iets. Van Vrijdag-middag af was het over Sjabbos

heen gedaan; je begrijpt wel niet goed waarom, want je noemt het

rijden, maar je kan het ook loopen noemen.... afgeloopen.... het is nu

eenmaal „megalle Sjabbos” en dan helpt er geen praten aan. Zouden in

Duitschland de menschen op Sjabbos mogen schaatsenrijden, omdat het

daar „loopen” heet? Nu is het Zondag en ze hebben vrij van het Joodsche

School en rijden al van vanmorgen op een van de verste slootjes, wel

ver van huis maar het ijs is er zoo mooi en heerlijk dat het gaat—zou

wel iemand raden die ze zoo zweven ziet dat ze het nog geen week

geleden leerden?

Jammer alleen dat er in het later worden algedurig meer groote

Zondagsche jongens komen. Een bluf! Een schreeuwen.... een

bereddering.... een ruwe drukte.... en een vaart dat ze hebben, en

schrille geluiden dat ze met de ijzers maken en een ruimte noodig,

liefst zeker de heele sloot.... Zeg maar niemendal, of ze gaan nog

schelden en treiteren je weg, wijk maar tijdig uit, want ze rijden je

van de schaats, ze vegen je gewoon uit den weg, pas op, of je ligt

meteen tegen den kant. Komen ze je achter op.... zóó zijn ze nog aan

het andere eind, zóó hoor je het grille krassen en joelend oe-oe-en

vlak achter je, en je voelt het met je heele rug, als stompen in je

lenden en je bent ineens heelemaal beverig en bangelijk en wiebelig en

wankelig.... het ijs lijkt veel gladder en je kunt er niets meer van.

Hoor nu.... hoor ze nu brullen, de branieschoppers, die achterste met

zijn bruine broek is de grootste pestkop van allemaal, die slaat

opzettelijk beenen en armen om zich heen in de gekste bochten om je

bang te maken.... ai.... daar glijden zijn beenen onder hem vandaan,

schieten naar voren.... en daar smakt hij tegen het ijs en daar ligt

hij, hoog in de lucht vliegen zijn schaatsen op, je ziet de ijzers

blinken, nu vallen ze terug, en alles dreunt. Lekker.... lekker....

lekker.... was hij meteen maar doodgevallen.... Zijn kameraden reden

eerst door, schreeuwden alleen achterom, maar nu hij liggen blijft,

komen ze terug, staan om hem heen.... o God, hij is toch niet werkelijk

dood? Komt dan zijn bloed op hun hoofd, omdat zij het een oogenblik

wenschten? Wel neen, vooruit, hij leeft alweer!

Hè.... kan nog iemand anders zoo als Vader in de handen klappen? Net

zoo doordringend en precies op dezelfde manier.... langzaam, klap voor

klap, vol duidelijke bedoeling, als een roepende stem, maar luider dan

een stem en verder reikend? Zoo klapt Vader ’s avonds als ze binnen

moeten komen en ze hooren het de heele buurt over waar ze ook spelen en

wachten geen oogenblik en zetten het op een loopen naar huis. En kan nu

een ander ook al zoo klappen.... en wie wordt er geroepen, wie

bedoeld.... niemand geeft antwoord, niemand bindt af of rijdt naar den

kant.... ze kijken om.... maar het is ook heelemaal niet een ander, het

is Vader zelf, daar staat Vader op den kant! Zou Vader er al lang staan

en ze hebben zien rijden en hoe goed ze het al doen?

„Hebt u ons zien rijden? En moeten we nu al naar huis? Is het al

etenstijd?”

Thuis, in de kamer, één ding alleen dat ze dadelijk zien, en waarop hun

oogen gevestigd blijven, als was de kamer overigens leeg: tegen het

kastje geleund, een hooge, dikke stok, met een paar geweldig groote

schaatsen er aan, schaatsen met riemen en gespen. Van wie hooren die?

Waarom kijkt moeder zoo raar.... is het Jantje-lacht of is het

Jantje-huilt? Wat Vader? Wat Moeder....? Zeg het ons gauw. De kamer

staat plotseling vol met iets.... een plan.... de klok tikt

verwachting.

„Denken jullie dat je wel op schaatsen naar mijnheer Krant zou kunnen

komen?”

„Naar mijnheer Krant? En mijnheer Krant olewesjolem is dood. En als hij

leefde.... wat zou er dan aan zijn? Een eindje van niemendal....

„Mijnheer Krant olewesjolem heeft Joël geheeten—, maar Vader bedoelt

Emanuel Krant, zijn oudste broer.” Die vroeger ook hier heeft gewoond?

Die gedroogde pruimen en fruit en olijven en zoute visch verkoopt? Die

zijn heele pakhuis vol amandelen en zijn heelen zolder vol appels

heeft? Maar die woont hier nu toch al lang niet meer. Die woont toch

veel te ver.... daar kom je met de boot of met het spoor. Daarheen op

schaatsen? Zij met hun beidjes? Vader meent het niet! Ligt zelfs wel

tot zoover het water dicht? O ja, het water ligt overal dicht, door het

heele land. Meren, rivieren, plassen, ringvaarten, de zee.... er is

nergens een druppel water meer te bekennen.... en overal is het ijs

even sterk. Neen, aan het ijs ligt het niet—, als zij maar kunnen en

maar durven.

Het is om je aan de tafel vast te houden. Hoe vinden ze den weg....?

O.... o, gaat vader mee, gaat vader met hen? Aan den stok....? Wanneer?

Vandaag? Nu? Dadelijk? Na het eten? Na het brood-eten. O, eten we niet

warm? Zeker voor moeder gemakkelijker, en niets erg, aan warm eten

verlies je op Zondag niet veel, valt toch na het Sjabbos-eten altijd

af. Dus... dus vandaag nog komen we in het dorp en in het huis van

Emanuel Krant.... Maar vanavond in donker.... want er is geen maan? We

gaan met den trein terug.... en van dien kant af heb jullie nog nooit

in den trein gezeten. Neen, want als we gingen, was het met de boot.

Maar er varen al zes weken geen booten meer....

Glijden is kinderwerk.... maar daar dadelijk onder de brug door, dan

mag het, dan kan het niet anders en voorbij de brug is de ijskermis uit

en zijn er ineens geen witte tentjes met vlaggetjes meer en geen banken

in stroo om aan te binden en geen dwarsbaantjes, waarover de kinderen

uit de glooiende sneeuwen tuinen komen naar de groote baan, naar het

ruw gereden plein tusschen de kraampjes in. De brug voorbij loopt één

breede, wit-grijze streep over het zwart-grijze ijs, dat naar

weerszijden zich tot de kale, onbewoonde oevers breidt, die streep

wordt naar de verte scherper en smaller en gaat eindelijk de bocht om

verloren. Glijden is kinderwerk.... maar wat zullen ze aanstonds hun

knieën voelen. Groot en donker en gebogen gaat Vader voor ze uit en

zij-zelf met hun-beitjes achteraan.... ruimte aan den stok was er nog

wel voor zes, ze zullen niet licht in elkanders schaatsen slaan, toch

altijd voorzichtig zijn. Vader voelt het dadelijk als ze haspelen en

den slag verliezen, dan telt Vader een-twee, een-twee, tot het krassen

weer gelijkmatig gaat. Dat voel je, maar wil je het hooren, dan moet je

je spitsen, zooveel geluiden.... een echte kermis, je vergeet den

winter, je vergeet het ijs. Orgels, oliebollen, papieren rozen,

schietgeweertjes en kijk.... kijk, daar verderop de hunnebedden van

ijsblokken, met de visscherlui er omheen gebogen en mannen en jongens

die mee in de gaten kijken, om elken put een donkere zwerm die

glijdende wriemelt en telkens maakt zich een los en rijdt weg.... dat

is dan ineens precies of je een kikker ziet zwemmen.... is het niet

vader, dat een kikker eigenlijk net doet met zijn achterpooten of hij

schaatsen rijdt?

Wat een overgang, vóór de brug en er achter. Hier is de ijskermis uit,

hier wijken de huizen van den oever af, en weldra zijn er geen huizen

meer, breiden zich links en rechts de sneeuwen landen. Ver, voor ze

uit, achter wolken als over de breedte toegevouwen dunne dekens hangt

de zon in den hemel paarsig te kleumen.

Neen, nu hoeven ze zich niet meer te spitsen, om hun schaatsen te

hooren krauwen, maar zoo eenzaam als het leek na de glijdende

kermisvolte achter ze rijden ze op de grijzig-witte baan toch niet.

Menschen komen ze krassend achterop, hoor, hoe ze zich reppen, halen ze

in, suizen ze voorbij, menschen komen ze door de bocht tegemoet.... en

nu ligt de gasfabriek alweer achter ze.... naakt, grauw, vol

droefgeestige schaduw het groote zwarte plein dat tusschen de zwarte

gebouwen naar het water glooit.... en daar komen de pakhuizen aan. Ze

staan aan den rand van den bevroren stroom, en hun groene luiken zijn

dicht en hun zwart brandt in de witte sneeuw, die achter ze breidt en

waaruit de lichtere molens steken, molens en pakhuizen in

winterslaap.... En daar heb je het afgelegen, eenzame heerenhuis, zwaar

ommuurd, in een boomenkrans, en uit een der bovenramen gloort een

roodgouden lamp—, het is als een huis uit een verhaal, maar wat kom je

op schaatsen toch gauw uit den weg!

Boem.... als Vaders rug niet zoo stevig was.... als vader minder vast

op de beenen stond, dan lagen ze nu alle drie plat op het ijs. Is er

iets met je schaats of lag er iets op het ijs? Vader heeft het al

gezien, zijn hakkebandje knapte midden-door, en ineens stond zijn

schaats dwars onder zijn voet. Neem hem dan nu maar af en houd je been

in de hoogte en daar bij dat schip is de wal nogal plat en dan maken we

je schaats weer in orde. Maar hoe kan dat, vader, hoe komen we over dat

hobbelige, knobbelige zwarte, over dat vreeselijk breede naar dat

schip? Houdt het ons daar wel, vader, is het daar wel sterk genoeg?

Vader heeft gelijk. Het is precies hetzelfde ijs, maar toch, die

witgereden baan vol blinkende krassen en waar menschen rijden, heen en

terug, lijkt een veilige weg.... op dit hobbelige, diep-donkere voel je

plotseling dat je boven op water staat, dat koud en duister onder je is

en waarin je verloren gaat, als het ijs onder je voeten het begeeft.

Want vader is vlakbij en zou je toch niet kunnen redden, je schiet

eronder weg.... Ja, maar het breekt niet, kijk, want wat zitten die

witte dubbeltjes en kwartjes niet diep en daaronder is nog weer ijs en

denk eens aan de „hunnebedden.” Hier zouden ze toch ook wel spiering

kunnen vangen, hier toch ook zou een bijt lijken op een diepen put.

Vader heeft gelijk.... maar je buik wil niet mee.... die houdt je

krimpend en krampend terug en in je leden zit geen lenigheid meer,

stokstijf als staken steken armen en beenen en je voeten stokken en het

ijs is glad en stroef tegelijk en elken keer schiet je bovenlijf naar

voren, je beenen geven niet mee, en het scheelt maar een haar.... o

bah, wat is dat akelig! En vader rijdt er maar over heen, en vaders

schaatsen ribbelen, of het niets is.

Het bruine schip ligt stijf ingevroren tusschen het grauwe, doode,

kortgesneden riet, nooit in je leven kan je zoo dicht bij een schip, de

bruine buik steekt vooruit in het sneeuwig oever-ijs, de bruine zijden

loopen naar onder te zamen, een schuin dak, schaduwend over een

vloertje van donker, hard, glad-spiegelend ijs, je zou eronder kunnen

kruipen. Maar liever niet, ze staat er liever naast en houdt haar hand

om den rand. Wat ligt het stil, en als dood, het bruine schip, en heel

en al verlaten en vader denkt, ook zeker leeggehaald, alles dat niet

nagelvast aan dek zat tot zelfs de mast werd weggenomen. Het

schippersgezin is nu ergens aan wal onder dak, bij familie, in een warm

huis.... en het schip lieten ze eenzaam achter in ijs en sneeuw en hier

ligt het nu, verlaten, o arm schip.... Ze knijpt haar hand om den rand

en moet gauw even met haar mouw langs haar oogen vegen. Klaar.... en

knelt hij nu niet.... zit hij nog wel zoo goed als daareven?

Nu kijk je maar niet links en niet rechts, en gaat je neus achterna tot

de witte baan terug.... ziezoo.... ja, nu moeten de beenen weer

eventjes wennen, weer los-gereden worden. Ze rijden al weer los.... het

loopt wel los.... hoe grappig.... bedoelen de menschen dat? Ver weg al

achter ze het schip.... het eenzame schip, dag schip!

Kijk.... links voor ze uit.... tusschen de witte velden in. Vlaggen in

een schuins-verkorte rij, als vlak achter elkaar, aan malle, korte

stokjes uit de sneeuw. Dat lijkt natuurlijk enkel zoo. En menschjes als

dikke dwergjes zonder beenen, die glijden langs den witten rand, langs

andere dwergmenschjes heen, die boven op den rand staan kijken.... Dat

lijkt ook alleen maar zoo.... ligt die sloot of die vaart dan zoo diep?

Ja, het is een kanaal, en er staat niet veel water in, maar wèl flink

breed. Een bocht om en de vlaggetjes wijken vaneen en hun rij rekt zich

veel langer en veel opener, je ziet nu duidelijk wat er gaande is: een

hardrijderij. Wat een korte baan! Dat zou je nog tegenvallen, denkt

Vader. Misschien is het wel weer een spekrijderij. De arme weduwen en

de arme menschen krijgen dezen winter lekker veel. Weet-je dat er voor

vrouw Buis een half mud aardappelen en tien pond gort en twee zijden

spek gewonnen zijn? Drie jongens en twee heeren hebben voor haar

gereden.

Het wordt nu gaandeweg weer voller op het ijs, een kleine baan bocht

langs de groote om en je ziet aan den eenen kant weer huizen en tuinen

en wit-gemutste koepeltjes en steigertjes en schuitenhuisjes. Effen

dof-grijze ijsvloertjes schemeren tusschen de latten, maar de

schuitjes? Die werden tijdig droog gehaald, ze zouden anders kapot

gevroren zijn, een groot, sterk schip kan daar veel beter tegen. Er

branden al lantaarns, groote, bleek-gouden spikkels in schemer en

sneeuw, de dorpsstraat loopt met het water mee. Je zoudt nu zoo, door

elk steegje, langs elk slootje, als je wou, in eens midden tusschen de

huizen en de menschen van die vreemde straat kunnen loopen. Waar kwam

je uit? Daar bij de kerk, zie je het torentje niet? En dan loopende

terug. Doen? O neen, Vader, alsjeblieft niet.... we gaan toch nog veel

verder door!

Weer een bocht.... en een brug onder door.... en de baan krimpt weer

samen, smaller en grauwer, de oevers wijken verder van elkander af, aan

den overkant is allang niets meer dan grauwe verlatenheid en sneeuw....

sneeuw.... witte velden, met bevroren slooten als zwarte lijnen er door

heen, maar ze zijn te smal, het ijs is er slecht en er rijdt daar geen

mensch. Huizen, tuinen, steigers, schuitenhuisjes laten ze in het

schemerdonker achter zich.... zijn we al op de helft, Vader? Ja, al

even erover heen....

Al minder menschen.... minder licht.... al minder praten ze ook

zelf.... ze hooren hun schaatsen krassen, ze hooren hun magen rommelen.

Soms knikt je knie of een been wil ineens niet mee.... en ongemerkt weg

heeft zich de zon laten afzakken tot bijna op de sneeuw.... je weet dat

daar de zon is, maar je ziet alleen wat geel en wat paars achter wolken

als opgerolde dekens in den horizon opgestapeld.

Lichten vooruit.... wimpelgekrinkel.... zwart gekriel om

tentjes-blank... vlaggetjes-bont... een heel figuur van witte baantjes

over het wijde, donkergrauwe ijs.... ja, maar we zijn er nog niet en de

leste loodjes.... Hier zijn de beide oevers bebouwd, lang en grauw

staan lage pakhuizen, zwaar, vervaarlijk rijzen de hooge muren van

fabrieken op, hun torens staren tot ver over den verstijfden stroom.

Het huis en de winkel van Emanuel Krant staan niet aan den weg, die

meeloopt met het water, maar in de breede binnenstraat, die het dorp op

een stadje doet lijken, omdat er echte mooie, groote winkels zijn. Wat

sta je stram ineens op den kant, je schaatsen af, je beenen als

stokken, je voeten gek-plat en zoo kaal, maar tintelig-warm.... je

loopt en voelt geen straat, je zolen slapen, zelf slaap je bijna

ook.... het suist door je ooren en wat een honger.... Wat een tocht en

ook niets te vroeg.... kijk nog eens even over het ijs, voor we in de

binnenstraat gaan.... net voor donker aangeland.... want kijk.... van

alle kanten komen de menschen terug.... in risten zweven ze aan....

heele rijen staan gebukt hun schaatsen af te binden.

Het huis is warm en licht, het ruikt naar appels, dat wisten ze vooraf,

het ruikt naar koffie, dat is een verrassing, een verkwikking, een

hoop.... het ruikt naar erwtensoep.... dat hebben ze niet durven

droomen.... Rusten.... maar niet te dicht op het vuur.... en een kop

heete, sterke verschgezette koffie.... ook voor hen.... heerlijk.... je

oogen dicht, je soezerige hoofd erover, je neus erboven.... je twee

handen om de kom.... en heet, en heerlijk zoet.... en ineenen klaar

wakker! Rusten... en alles vertellen..., aan Krant en aan zijn vrouw,

aan Naatje en aan Rebecca, aan Meijer en aan Izak.... en geen van zes

weten wat ze hooren, dat zij dat hebben gedaan.... Dan de groeten van

heel ver.... van waar ze langs de lange, witte baan over het ijs zijn

komen rijden.... tot ze nu hier zijn.... in dit huis.... de groeten van

Moeder, en van juffrouw Krant, want die is hun zuster en hun tante en

zoo is het of je allemaal bij elkander hoort. Dan voor het raam, de

grooten schemerend om de tafel en de menschen langs zien gaan door het

vroolijk licht van de winkels, want in de straat is het avond,

lachende, roodwangige menschen.... hun stappen klinken, hun schaatsen

kletteren... Dan naar den warmen appelen-zolder, waar het ruikt of je

binnen in een grooten appel zit.... Dirk de knecht en Meijer en Izak

helpen met sorteeren.... maar zoo rap als zij kun je het toch niet....

en je oogen worden alweer zoo zwaar.... en je hebt nog altijd zoo een

honger.

Dan weer beneden in de groote, lage, warme kamer, waar om de groote,

ronde, witte tafel een kring van stoelen wacht en borden ronde-dansend

om de lamp, dampend naar de vlam, kaatsend zijn goud.... diepe borden,

vol tot den rand.... dikke stukken glimmend-bruine worst, en zachte,

grijze blokjes vleesch tusschen erwtenschilletjes als groenig-zilveren

parels en ronde pijpjes prei.... Je moest hier kunnen blijven slapen,

maar Moeder dan? Neen, gekheid.... maar het is nog lang geen tijd....

ze kunnen eerst nog voor zichzelf een zakje met appels vullen.

De sneeuw blinkt rondom in het donker op.... het ijs verlaten, dichtbij

en ver, de menschen allemaal naar huis. Een volte op het perron.... en

bijna niemand of hij draagt zijn schaatsen om zijn nek of in zijn hand.

Hoor, hoor, de trein.... hij rommelt over de brug.... hij zwiert door

de bocht.... hij komt.... hij is er.... hij staat stil.... En alle

wagens vol.... uit alle ramen licht.... Hier, Vader, hier....

voorzichtig, wat een stap uit donker op.... wij drieën zijn het

eerst.... zes.... zeven.... acht.... en nog een.... en de tiende....

geen plaats, meneer.... hier vol, juffrouw... het is alsof je in een

kelder roept. Klap.... klap.... van achter op, al luider.... hun

coupé.... voorbij.... en klaar.... Stamp-vol en lekker warm.... de

heele wereld is op schaatsen uit geweest, zij óók, het net ligt vol....

de hunne net zoo goed.... en iedereen vertelt en Vader lacht.... praat

mee....

De trein rijdt voort en buiten licht de sneeuw. Elk venster werpt een

gouden vierkant uit....

Avontuurtjes · 第 22 / 24 题