[Illustratie]
[Voetnoot 1: _U heeft willen binnenlaten._ ... Socrates verwondert
zich, dat Crito door den wachter zoo vroeg is binnengelaten, omdat er
niet vroeg opengedaan werd.]
[Voetnoot 2: _Ik zou--niet--willen verkeeren_ ... namelijk, indien
geschieden kon, wat nu niet kan; daarom kon ik het niet van mij
verkrijgen.]
[Voetnoot 3: _Gelukkig geprezen._ ... Zoo zegt ook Phaedo: „gelukkig
scheen mij de man om zijn gemoed en om zijne taal, dat hij zoo zonder
vrees, zoo edel stierf. De gedachte kwam bij mij op, dat hij niet
zonder goddelijk bestel naar de onderwereld afdaalde, en dat hij daar
zalig worden moest.”--En Socrates zelf in hetzelfde gesprek: „Koesterde
ik niet de hoop, bij wijze en goedige goden te komen, en bij gestorvene
menschen, die beter zijn, dan hier, dan ware ’t niet goed, dat ik niet
treurde over den dood. Nu daarentegen heb ik de blijde verwachting, dat
er ook nog voor gestorvenen een leven is, en wel voor goeden een beter
dan voor slechten.”
En in zijne Verdediging: „dit eene moet gij bedenken als ontwijfelbaar
zeker, dat er voor den edelen geen kwaad bestaat, noch bij zijn leven,
noch na den dood; en dat zijne zaak geenszins door de goden wordt uit
het oog verloren. Ook mijn tegenwoordig lot komt niet zoo van zelf; in
tegendeel, ’t is mij klaarblijkelijk, dat sterven mij gewin is.”]
[Voetnoot 4: _Buiten de wijs._ ... Plato zegt eigenlijk: „tegen
de melodie”--Het leven des braven is als eene muzijk, in welke
overeenstemming en welluidendheid heerschen, en zelfs schijnbare
dissonanten zich oplossen in harmonie. De grondstellingen, voor hem
uit zijne inzigten van waar en goed en schoon voortgevloeid, zijn
het thema, dat als in zuivere variatiën, zijn leven in lief en leed
doorgalmt. Zoo zegt Socrates: „ik houd het voor beter, dat mijne lier
ontstemd ware, en wanklank deed hooren met het koor, dat ik bestuurde,
en dat de meeste menschen niet met mij overeenstemden, maar mij
tegenspraken; dan dat ik alleen met mij zelven niet in harmonie ware en
mij tegensprak.”]
[Voetnoot 5: _Op mijne jaren--moest sterven._ ... Socrates was in zijn
zeventigste jaar.]
[Voetnoot 6: _Het vaartuig uit Delos._ ... In den beroemden dialoog
over de Onsterfelijkheid betuigt Echecrates aan Phaedo zijne
verwondering, dat Socrates zoo lang na zijne veroordeeling den
dood heeft ondergaan. „_Phaedo._ Dat kwam door eene bijzondere
omstandigheid. Den dag namelijk vóór het vonnis was juist de
achtersteven bekranst van het vaartuig, dat de Atheners jaarlijks
naar Delos zenden. _Echecr._ Wat is dat dan? _Ph._ Dat is, volgens
de Atheners, het schip, met hetwelk Theseus eens naar Creta voer, om
er de veertien[A] heen te brengen, die hij redde en zich zelven ook.
Aan Apollo deden zij toen de gelofte, zegt men, om, zoo zij behouden
bleven, t’elken jare een plegtig gezantschap ter bijwoning der feesten
te zullen zenden ter zijner eere op Delos. Dit gezantschap dan zenden
zij ook nu nog sedert dien tijd t’elken jare ter eere van den god.
Nadat nu die zending begonnen is, is ’t bij hen wet, gedurende dien
tijd de stad rein te houden, en van staatswege niemand ter dood te
brengen, vóórdat het vaartuig in Delos is gekomen, en van daar weer
hier. Dit houdt somwijlen een’ geruimen tijd aan, wanneer bij toeval
de winden hen ophouden. Het begin der zending wordt gerekend van het
oogenblik af, dat de priester van Apollo den achtersteven van het
vaartuig heeft bekranst. Dit had juist plaats gehad daags vóór het
vellen van het vonnis, en daarom bleef Socrates lang in de gevangenis
tusschen zijn vonnis en zijn’ dood”[B].--(Dertig dagen.)]
[Voetnoot 7: _Sunium_, een voorgebergte van Attica, thans Cabo di
Colonna. Het had op de kruin een’ tempel van Minerva, en onder aan de
kust eene haven. Ook stond hier een kasteel, ’t welk door opgestane
slaven een’ tijd lang werd bezet gehouden, die Attica plunderden.
(Athenaeus).]
[Voetnoot 8: _Heil ons!_ De oorspronkelijke uitdrukking gebruikten
de Grieken veel in den zin van een goed voorteeken. Zoo min vreest
Socrates den dood, dat hij, bij de tijding, dat hij ze moet ondergaan,
het sterven als een wenschelijk goed beschouwt. De volgende woorden:
_zoo het den goden_ enz., heeft Epictetus overgenomen onder de
spreuken, waarmede hij zijn _Handboek_ besluit.]
[Voetnoot 9: _Die er over te beslissen hebben._ Crito beaamt hiermede
het gezegde van Socrates niet, dewijl hij nog steeds de stille hope
koestert, hem te zullen redden: _zoo zeggen althans, die_ ...
Voor het overige worden hier bedoeld de _Elfmannen_, die te Athene het
opzigt hadden over alle gevangenen. ’t Is misschien niet onbelangrijk
bij dit ligchaam eenigzins langer stil te staan.
Hoogelijk werd te Athene de onschendbaarheid der burgers geëerbiedigd:
lijfsdwang werd alleen jegens slaven voor oirbaar gehouden, zoodat het
openbaar eergevoel iemand, tegen wien het aangewend was, niet meer
als een’ burger van gelijken stand beschouwde. De raad moest--dewijl
_atimie_, met onze eerloosverklaring te vergelijken, het lot werd van
den eens tot gevangenis veroordeelde--zweren, geen’ burger in boeijen
te zullen slaan, behalve wie iets tegen den staat misdeed.
Spoedig regt vereischten intusschen de zaken van koophandel; eveneens
tegen allerlei woekeraars. Buitendien moest de gevangenisstraf wel
toegepast worden tegen misdrijven, die ’t algemeene belang en de
openbare veiligheid in gevaar schenen te brengen: ieder burger mogt dan
ook als wreker van de geschonden regten des staats optreden, waarbij
persoonlijke vijandschap dikwijls hare rekening vond, en de Elfmannen
drukke bezigheid. Het gevangenzetten, waarbij de beschuldigde geboeid
werd, diende òf tot straf, òf tot waarborg tegen veroordeelden, heen
ter tijde aan het vonnis voldaan, en tegen beschuldigden, totdat hunne
zaak zou uitgemaakt zijn. Maar bijna altijd kon de veroordeelde met
eene geldboete vrij, die men, om de atimie te ontgaan, liever betaalde.
Ter verzwaring echter der boete werd ook de gevangenisstraf toegepast,
vooral tegen schuldenaren van den staat; zij bleven geboeid, totdat de
schuld was voldaan.
Het beheer eener zoodanige inrigting met hare velerhande ondergeschikte
bedienden vereischte reeds veel werkzaamheid. Gewigtiger evenwel was de
taak der Elfmannen, jegens de gevangenen zelve te vervullen. Deze waren
geheel in hunne magt gegeven, in zeker opzigt hunne slaven. Zij waren
voor hen verantwoordelijk. Waarschijnlijk hielden zij aanteekening
van wie gevangen geweest was, dewijl anders diens atimie met der tijd
onbewijsbaar kon worden.--Aan den ter dood veroordeelde lieten zij zoo
spoedig mogelijk het vonnis voltrekken, behalve wanneer de wet den tijd
bepaalde, of godsdienstige gebruiken het verhinderden. De vorm bragt
mede, dat zij telkens in persoon den veroordeelde van de overheden
overnamen, en hem naar de gevangenis geleidden. Nu beheerschten zij
hem geheel en al; of hij al dan niet in bijzijn van vriend of maag zou
sterven, hing van hen af. Was de dag bepaald, dan begaven zij zich tot
den veroordeelde, namen hem de boeijen af, en zeiden hem den dood aan.
De oprigting van het ligchaam der Elfmannen, zoo als wij het gedurende
den bloei der democratie te Athene kennen, schijnt te vallen in den
tijd van Aristides en Themistocles, en geduurd te hebben tot kort na
den dood van Alexander den Groote. Zij werden bij ’t lot gekozen,
één uit iederen stam; een elfde werd hun--als secretaris, zouden wij
zeggen--toegevoegd. Vóór de aanvaarding van hun ambt moesten zij een
onderzoek ondergaan, en na de aftreding rekenschap afleggen. Zeer
waarschijnlijk ontvingen zij eene aanzienlijke jaarwedde.]
[Voetnoot 10: _Een droomgezigt,--zoo even in dezen nacht_ ... Reeds
bij Homerus wordt aan de droomen een voorspellend gewigt gehecht: „ook
de droom toch komt van Zeus!”--Bekend is ’t, hoe een droom, van Zeus
gezonden, Agamemnon misleidt; en hoe een ander, op last van Athene,
Penelope moed inspreekt. Ook de treurspeldichters spreken van droomen,
als niet zonder voorbeduidende kracht. Bedenkt men nu, hoe zeer de
beschaafde Griek vertrouwd was met zijne helden- en treurspeldichters,
dan bevreemdt ons de droom van Socrates en zijne gedachte daarover
niet; om niet te spreken van den bijzonderen toestand, waarin de edele
man zich bevindt.
Een droomgezigt, _zoo even_ ... De Ouden hielden de droomen na
middernacht voor de belangrijkste; en niet zonder psychologischen
grond; de droomen in den voornacht betreffen meest ’t gene de ziel
gedurende den dag heeft bezig gehouden; daarom hielden zij meer die na
middernacht voor goddelijke ingeving en onthulling der toekomst.]
[Voetnoot 11: _In een hel-wit gewaad_ ... Droomgestalten werden voor
goddelijk gehouden: daarom dacht men ze schooner, grooter en verhevener
dan den mensch, en in blinkend witte kleederen. Zoo ook de bijbelsche
verschijningen.]
[Voetnoot 12: _Overmorgen, o Socrates!_ ... Woorden van Achilles, die,
door Agamemnon beleedigd, van Troje naar huis terug wil keeren. „Indien
mij welligt,” zegt hij tot Ulysses, de doorluchtige aardschudder,
„Poseidon eene gelukkige vaart wil verleenen, dan kan ik in drie
dagen het vruchtbare Phthia bereiken,” d. i. zijn vaderland. Socrates
verstaat onder Phthia de woonplaats der ziel na hare slaking uit den
kerker des stofs, de oorden, die des menschen eigenlijk vaderland zijn.
„Bevreemdend is het,” zegt Nüsslin ter dezer plaatse, „dat geen
uitlegger er op let, hoe de jeugdige heldengestalte van Achilles,
die uit vrije keuze een kort, maar roemvol leven verkoos boven een
lang leven vol genietingen, Socrates hier voor oogen zweeft, en hem
als tot gelijke gezindheid bezielt. Dit is immers het troostrijke in
’t ontzagchelijke treurspel der geschiedenis, dat de menschen niet
alleen bij elkander zijn, wanneer zij ’t zijn, dat ook de van ons
verwijderde, de overledene voor ons leeft, en zijn leven en sterven
ons ten spiegel wordt, waarin wij ons gaarne beschouwen.”--Socrates
zelf zegt in zijne Verdediging: „men zou kunnen zeggen: „„bloost gij
niet, Socrates! over de keuze van een bedrijf, waardoor gij nu gevaar
loopt van te sterven?”” „Met grond zou ik antwoorden: niet schoon is
dat gesproken, man! indien gij meent, dat een man, die nog een weinig
waarde bezit, het gevaar van leven of sterven in aanmerking moet nemen.
Niet daarop alleen moet men zien, wat men onderneemt, maar of men iets
regtvaardigs doet, of het tegendeel; het werk van een’ braaf, of van
een’ slecht mensch. Laag zouden, naar uwe redenering, de halve goden
zijn, die bij Troja sneuvelden, ook Thetis’ zoon; en die verachtte zoo
zeer het gevaar, in vergelijking van eene schandelijke handelwijze,
dat,--toen hij wenschte Hector te dooden, en zijne moeder, eene godin,
hem zoo ongeveer, geloof ik, toesprak: „„mijn zoon, wreekt gij den dood
van uwen vriend Patroclus, en doodt gij Hector, dan zult gij sterven;
(want terstond na Hector is uw sterflot bepaald)””--„hij dood en gevaar
verachtte.----„„Terstond,”” zeide hij, „„zou ik willen sterven, na den
onverlaat te hebben doen boeten, opdat ik niet hier blijf, bij de
hooge stevens der schepen, om uitgelagchen te worden, als een nutteloos
pak der aarde.””]
[Voetnoot 13: _Luister nu nog naar mij_ ... Derhalve had Crito vroeger
reeds vruchteloos getracht, Socrates over te halen, om zich door de
vlugt te redden.]
[Voetnoot 14: _Er geen’ ooit weer zal vinden_ ... Cicero had deze
plaats voor oogen in zijn werkje over de Vriendschap, waar hij Laelius
over Scipio laat zeggen: „het doet mij aan, dat ik van een’ zoo
heerlijk vriend beroofd ben, als, naar mijn oordeel, er niemand ooit
weer zal bestaan.”]
[Voetnoot 15: _Het geld hooger te achten_ ... „Niemand zou,” zegt
Demosthenes in zijne redevoering over den Vrede, „kunnen zeggen, dat
mijne handelingen als staatsman eenige winst bedoelen. En daarom toont
zich mij zuiver en gelijk het is, het belang van den staat, ’t welk
immer uit de zaken voortvloeit. Maar, _wanneer men aan de andere zijde,
als op eene schaal, er geld bijlegt, dan slaat het op eens door, en
trekt de bewijsgronden mede naar beneden; en wie dit doet, kan niet
meer, noch iets waars, noch iets gezonds meer denken, over geene enkele
zaak_.”]
[Voetnoot 16: _Den grooten hoop_ ... „Die tallooze, oneenige, oproerige
menigte, nooit zich zelve magtig, met gelijke onberadenheid gereed tot
eigen of tot eens anders ongeluk,”--zegt Seneca--is door vele ouden
naar waarde gegispt.--„Wie zou zich gelukkig gevoelen,” zegt Plato
ergens, „met te leven naar den grooten hoop, om te worden toegejuicht
en gevierd, als een speelbal van ’t volk geslingerd, uitgefloten,
gestraft, gedood en beklaagd?”--„Vraagt mij (Horatius) het volk,
waarom ik niet zoek of mijd, wat het zelf bemint of haat; dan wil ik
antwoorden, gelijk eertijds de sluwe vos den zieken leeuw: „„omdat ik
schrik van de voetstappen, alle naar u toe gerigt, en geene terug. Gij
zijt een veelkoppig monster: waaraan toch zal ik mij houden, of aan
wien?””]
[Voetnoot 17: _Het ergste kwaad_ ... Er is volgens Plato slechts één
kwaad: _gebrek aan inzigt_, en slechts één goed: _verstand_. Ten
bewijze een paar plaatsen van de door Nüsslin verzamelde: „waarin
iemand verstandig is, daarin is hij goed; waarin iemand onverstandig
is, daarin is hij slecht.--Alle pogen en volharden der ziel, door
verstand bestuurd, brengt zegen; met onverstand het tegendeel.”--Met
Plato houden voorzeker de onbekrompen-verlichte onder onze landgenooten
_gebrek aan inzigt_ voor het hoogste kwaad; want inderdaad, de mensch
wil wel het goede, zoodra hij slechts vastelijk overtuigd is, dat
het wezenlijk goed is. Eene ware stelling! maar die door sommige ook
welmeenende Christenen niet wordt toegegeven!]
[Voetnoot 18: _Sycophanten_ ... eigenlijk: vijgenaangevers, verklikkers
van wie vijgen uitvoert, ’t welk in Attica verboden was. (Athenaeus.)
In ’t algemeen: wie valsche geruchten van anderen verbreidt, en
anderen tegen elkander ophitst, of uit winzucht anderen aanklaagt,
_chicaneur_. Festus geeft eene andere verklaring. Zie ook C. Sigon. de
republ. Athen., en Suidas.]
[Voetnoot 19: _De vreemdelingen_ ... Om niemand te Athene aan eenig
gevaar bloot te stellen van beschuldigd te worden Socrates uit de
gevangenis te hebben willen ontvoeren, vermeldt Plato hier alleen
vreemdelingen. Crito zelf was door zijne positie en zijn’ ouderdom
het meest tegen onaangename gevolgen beveiligd, en is denkelijk
kort na Socrates overleden. _Cebes_, die hier genoemd wordt, heet
doorgaans, maar zonder genoegzamen grond, de schrijver te zijn van eene
zedekundige verhandeling: de Schilderij. Wie evenwel de schrijver moge
zijn, men vindt er den hoogen ernst en de warmte van Socrates.
_Simmias_ van Thebe, gelijk ook Cebes, waren beide leerlingen van
Critolaus, een beroemd Pythagoreër, en beide warme vrienden van
Socrates.
Onder de hier vermelden kunnen ook behoord hebben: _Phaedondes_,
eveneens van Thebe, en _Euclides_ van Megara, niet met den
alexandrijner te verwarren; en _Terpsion_; en _Echecrates_ van Phlius,
in Sicyonië; en _Phaedo_, uit Elis.]
[Voetnoot 20: _Geef--uwe redding niet op_ ... Wel weet Crito, hoe
Socrates over het sterven denkt; maar in zijne warme vriendschap denkt
hij, al te overijld, dat de liefde tot het leven, die al wat leeft, is
aangeboren, zich ook nog bij Socrates krachtig doet gelden.]
[Voetnoot 21: _’t Gene gij voor ’t gerigt gezegd hebt_ ... „Zou
ik”--dit was, volgens Plato, zijne taal--„mij verbanning waardig
keuren? Daarmede zoudt gij welligt genoegen nemen. Maar veel liefde zou
ik voor het leven moeten hebben, o Atheners! indien ik zoo onverstandig
ware, om niet te kunnen berekenen, dat gij, mijne medeburgers, mijne
leefwijze en mijne taal niet kondt verdragen, maar ze u bezwaarlijk en
hatelijk zijn geworden, zoodat gij tracht er af te komen; en zullen
voorwaar anderen ze gemakkelijk dulden? Verre van daar, o atheensche
mannen! Een heerlijk leven zou het derhalve voor mij zijn, wanneer
ik, zoo bejaard, uit de stad ging, om, telkens verjaagd, de eene stad
met de andere te verwisselen. Want ik weet vast, dat, waar ik kom, de
jongere menschen naar mijne taal zullen hooren, gelijk hier. En wijs ik
hen van de hand, dan zullen zij mij verdrijven en de ouderen daartoe
overreden.”]
[Voetnoot 22: _Naar Thessalië_ ... Onbedachtzaam noemt Crito juist
Thessalië. Zie hoofdstuk 15. Dat land stond in kwaad geruchte, als
het land van sluwe list en bedrog en ongebondenheid, waarvan J. C.
Scaliger een voorbeeld aanhaalt. Bij Athenaeus hebben zij altijd
honger; hunne vraatzucht wordt bij wijze van spreekwoord aangehaald.
Zij zouden de Perzen, even weelderig als zij zelve, naar Griekenland
hebben uitgenoodigd; en later door Philippus met gastmalen zijn
gewonnen. Xenophon schrijft de verdorvenheid van Critias, het hoofd der
dertig tirannen, mede toe aan zijn verblijf als balling in Thessalië.
Ten tijde van Horatius was het berucht wegens zijne giftmengers en
toovenaars.]
[Voetnoot 23: _Uwe zonen_ ... Men vindt er drie vermeld: Lamprocles,
Sophroniscus en Menexenus, de twee laatste verwekt bij Myrto, de
dochter van Aristides den regtvaardige.--Zoo lang men de beantwoording
van Crito’s bedenkingen door Socrates niet heeft gehoord, weet men
niet, wat deze zal aanvoeren tegen ’t gene hier zoo roerend en met
zoo veel aandrang wordt bijgebragt, om Socrates’ vaderlijk gevoel te
schokken, en om zijne eigenliefde in beweging te brengen. Crito’s al
te dringende, bijna onbescheidene taal vindt hare verontschuldiging in
zijne warme vriendschap en zijn vurig verlangen om Socrates te redden.]
[Voetnoot 24: _Der weezen lot_ ... „De dag, die ’t kind tot een wees
maakt, berooft hem van al zijne speelgenooten; overal slaat hij de
oogen neder; tranen biggelen langs zijne wangen. In zijne behoefte gaat
het kind naar zijns vaders vrienden, en trekt hen bij het kleed; van
diegene onder hen, die medelijden met hem hebben, reikt hem iemand een’
kleinen beker; en zoo bevochtigt hij wel zijne lippen, maar niet zijn
gehemelte. De knaap, wiens beide ouders nog in leven zijn, jaagt hem
van het gastmaal, en slaat hem, en graauwt hem toe: „„ga zoo heen! uw
vader eet immers niet met ons!”” (Homerus.)]
[Voetnoot 25: _Voor ’t gerigt--zijt opgekomen_ ... Forster, bij
Buttmann aangehaald, zegt, dat hier misschien bedoeld wordt eene wet
bij Lysias vermeld: „dat het den beklaagde, die zijne zaak wantrouwde,
vrijstond, zich door de vlugt aan de gevolgen van derzelver behandeling
te onttrekken.” Of men moet het op Anytos toepassen, die, volgens
Libanius, in zijne Verdediging van Socrates, na de door hem ingestelde
beschuldiging, met den beklaagde zich wilde verzoenen. Maar dit is zeer
twijfelachtig; waar is het, dat, wanneer partijen, vóór de beslissing
van het pleit, zich met elkander verzoenden, in verschillende gevallen
de zaak werd bijgelegd. De aanklager had dan duizend drachmen boete te
betalen. (Wachsmuth, II, 1, 285.)
In het volgende wordt de loop van het regtsgeding vergeleken met de
drie hoofddeelen van een drama: het verschijnen voor ’t gerigt met de
inleiding en de opgave van ’t onderwerp;--het voeren van ’t geding met
de handeling en hare verwikkelingen;--en de uitspraak van het vonnis
met de ontknooping. Wat Crito laakt, is het verschijnen van Socrates
voor den regter; wat hem grieft, is de uitslag van het treurspel, dien
hij aan gebrek aan inzigt bij hem zelven en zijne vrienden toeschrijft.]
[Voetnoot 26: _Even min als gij u zelven_ ... Dit bijvoegsel verwacht
men hier niet bij Crito’s klagen over de achteloosheid en lafheid
van de vrienden van Socrates, en niet van Socrates zelven. Maar als
onwillekeurig ontsnapt hem daarbij eene ligte berisping tegen den
leermeester zelven; dat komt voort uit eene edele verontwaardiging, dat
Socrates niet is gered, en zich nu niet wil laten redden.]
[Voetnoot 27: _Des te bezwaarlijker_ ... Volgens Leo is de meening van
Socrates: „des te minder kan ik uwe zorg goedkeuren en er gebruik van
maken,” in tegenstelling met: „uw ijveren is mij _veel waard_, dewijl
het als lofwaardig zeer aannemelijk is.”--Ons schijnt Socrates toe te
willen zeggen: „de aandrang, met welken gij mij tot de vlugt aanspoort,
ontroert mij als een blijk uwer warme liefde; en uit onwillekeurigen
afkeer van den dood, die in ieder schepsel leeft, zou ik uwe voorslagen
gehoor geven, indien slechts mijn pligt het toelaat: maar zoo niet,
dan kost het mij én om uwe liefde, én om dien afkeer, slechts te meer
moeite, uwen aandrang te weerstaan en standvastig te blijven sterven.”]
[Voetnoot 28: _Aan niets anders gehoor geef, dan aan het inzigt_ ...
„Want,” zegt Socrates elders bij Plato, „de man, voor wien al wat
tot geluk voert, alleen van hem zelven afhangt, voor wien het niet,
verknocht aan voor- of tegenspoed, van anderen noodwendig afhankelijk
wordt en geheel onzeker; die man heeft zich den besten levensweg
bereid: die is de zelfstandige, de dappere, de wijze; dien zal men,
bij ’t verwerven of verliezen van kinderen, of van geld en goed, zich
noch te zeer zien verblijden noch bedroeven, dewijl hij al zijne hoop
stelt op zich zelven.”--„En die zelfstandige man,” zegt Epictetus, „was
Socrates, die van al wat hem voorkwam, op niets anders lette dan op de
rede, d. i. op zijne heilige, innige overtuiging van pligt.”]
[Voetnoot 29: _Dezelfde inzigten_ ... Namelijk over burgerpligt en
verachting van den dood.]
[Voetnoot 30: _Schrikbeelden_ ... De oorspronkelijke uitdrukking
beteekent: „een kind met zekere gebaren en onder het uitspreken van het
woord _Mormo_ bang maken; dan: iemand bang maken door schrikbeelden, en
in ’t algemeen: iemand (een’ meest ongegronden) schrik aanjagen.”]
[Voetnoot 31: _Hoe kunnen wij_ ... Buttmann, Leo en de meeste andere
uitleggers leggen Crito deze vraag in den mond. Wij volgden Stallbaum:
de rede wordt er te vuriger door.]
[Voetnoot 32: _Of de bewering altijd geldig is, of niet_ ... Namelijk
of _niet geldig_. Drievoudig is de vraag: 1º. of de bewering gegrond
is; 2º. of ze ongegrond is; 3º. of ze vroeger gegrond was, maar nu
niet meer. (Buttmann.)]
[Voetnoot 33: _Zich ernstig op ligchaamsoefeningen toelegt_ ... Bekend
is ’t, hoe veel werk de Grieken van deze oefeningen maakten, hoe hunne
nationale feesten voor een gewigtig deel in dezelve bestonden, en haar
zoo een bijzonder gewigt bijzetten in de oogen des volks. Levendig
begrepen zij, hoe veel de gezondheid en de volledige ontwikkeling van
de kracht des ligchaams toebrengt tot die der ziel. Verg. aant. 53.]
[Voetnoot 34: _Die des Eenen_ ... „’t Is duidelijk,” zegt Nüsslin ter
dezer plaatse, „dat Socrates hier _God_ meent.” Eenige plaatsen bij
Plato, die hij ten bewijze aanvoert, laten wij hier volgen:
„Een is wijzer dan alle; die alleen is de maatstaf.--God zij onze regel
in alles, meer dan eenig mensch.--Niemand is wijs, dan (de) God; de
menschelijke wijsheid is weinig waard; en onder de menschen is hij
de wijsste, die dit met Socrates heeft ingezien.--Men moet Gode zoo
veel mogelijk gelijkvormig worden; die gelijkvormigheid bestaat in
verstandig, braaf en vroom te zijn.--Twee voorbeelden hebben wij: het
goddelijke, dat van het hoogste geluk; het niet-goddelijke, dat der
rampzaligheid.”]
[Voetnoot 35: _Heeft--het leven--iets bekoorlijks?_ ... Men wane
niet--zoo als bij eenzijdige gevolgtrekking welligt het geval zou
kunnen zijn,--dat Socrates hier zijlings den zelfmoord verdedigt. In
tegendeel: volgens hem staat ieder mensch hier op eenen post, hem door
God aangewezen, en dien hij zonder het hoogst bevel niet mag verlaten.]
[Voetnoot 36: _(Wij houden) dus (de ziel) voor kostelijker._ „Onder
alles, wat wij hebben,” zegt Socrates elders, „is naast God onze ziel
het goddelijkste.” En: „hoe veel geringer een ongeluk is het met een
ziekelijk ligchaam te leven, dan met eene bedorvene, onheilige ziel!”
Meer gelijkluidende plaatsen heeft Nüsslin bijeengebragt.]
[Voetnoot 37: _De vorige_ ... „De redenering, welke wij hebben
doorgeloopen,” namelijk over ’t oordeel van den grooten hoop, „schijnt
nog dezelfde,” verschilt niets van die, welke wij vroeger hebben
uiteengezet, toen ik nog niet was aangeklaagd. Hierop schijnen de
woorden _de vorige_ te doelen. Anderen vatten de plaats anders op.]
[Voetnoot 38: _Niet tegen mijnen zin_ ... De edele vriendschap, met
welke gij mij herhaaldelijk aanraadt te vlugten, acht ik alleszins
hoog; maar, daar ik mij door geen’ invloed van buiten laat leiden,
_moet gij toch mijn inzigt behoorlijk laten gelden_.]
[Voetnoot 39: _Wie onregt lijdt, het weerom doen_ ... Nüsslin trekt
uit deze plaats, waarbij hij ettelijke anderen voegt, het gevolg, dat
men te overijld den Ouden _alle begrip_ van liefde jegens vijanden
heeft ontzegd; en dat in de meeste plaatsen hunner schriften, waar
haat jegens vijanden wordt gebillijkt, de vijand in den oorlog wordt
bedoeld.--_Alle begrip_ ... dit is te veel gezegd; maar alleen Socrates
en de zijnen stonden met enkele edelen hooger dan de groote hoop; en
Socrates zelf is in zijne Verdediging zoo schamper, zijne taal zoo
vernederend voor regters en tegenpartij, dat daarbij het denken aan
_wraak_ natuurlijk bij u opkomt. Buitendien moet men niet vergeten, hoe
weinig algemeenen invloed bij de Ouden de wijsgeerige school had op de
praktiek des levens. (Verg. onze inleiding.) Deze spreekt veeleer bij
de dramatische dichters: het tooneel en het leven der Ouden stond in
veel naauwer verband dan bij ons. En uit deze blijkt, dat wraak bij de
Ouden niet alleen geoorloofd was, maar zelfs eene zaak van eer. „Eene
groote zaak versta ik,” zegt Archilochus, „hem, die mij kwaad gedaan
heeft, met vreesselijk kwaad te vergelden.” Dat bij ’t volk _wraak_ de
leuze was, blijkt eveneens uit vele plaatsen bij de treurspeldichters;
in ’t algemeen eischten de Grieken van den _man_ in staat te zijn om
zijn vaderland nuttig, zijn’ vijand geducht te zijn. Zij kennen den
_man_, den _burger_; aan het goddelijke Christendom was en blijft het
voorbehouden den _mensch_ te leeren zegenen, wie hem vloekt.]
[Voetnoot 40: _Beloofd, omdat het regtvaardig was_ ... Het niet nakomen
van eene vrijwillige belofte berokkende--bij de Romeinen althans--in
zekere mate _eerloosheid_.]
[Voetnoot 41: _En de wetten -- -- vroegen_ ... Dit welsprekend leenen
van ziel en spraak aan iets onbezields is meermalen nagevolgd. Bij
Buttmann vindt men eene dergelijke plaats aangehaald uit de: „Oeuvres
de Frédéric II, publiées du vivant de l’auteur.”]
[Voetnoot 42: _Tot het verdrag tusschen ons en u_ ... Leo gelooft, dat
Socrates hier ook bedoelt: den eed, dien de atheensche burgers moesten
afleggen, van dezen inhoud: „aan de wetten, die vastgesteld worden, zal
ik gehoorzamen, en aan alle andere, welke het volk met gemeen overleg
zal vaststellen;--en indien iemand de wetten vernietigt, of ze niet
gehoorzaamt, dat zal ik niet toelaten, maar tegengaan, zoo wel alleen,
als met allen.”]
[Voetnoot 43: _Muzijk en gymnastiek_ ... Volledige ontwikkeling naar
ziel en ligchaam. Gelijk namelijk bij ons de gymnastiek in ruimen
zin de beoefening bevat van al wat het ligchaam kracht, vlugheid en
bevalligheid kan bijzetten; zoo verstonden de Grieken onder muzijk--der
Muzen wetenschap--de schoone wetenschappen, poëzij, welsprekendheid,
wijsbegeerte, de eigenlijke muzijk; in één woord, al wat den smaak voor
’t schoone ontwikkelt en de ziel veredelt. Tot eene opvoeding, die wij
fatsoenlijk zouden noemen, behoorden: letterkunde in ruimen zin, muzijk
en gymnastiek. Wie b. v. niet in eigenlijke muzijk ervaren was, werd
niet voor een’ beschaafd man gehouden.
Protagoras schildert de opvoeding der atheensche jeugd aldus: „Van de
teerste kindschheid af aan, zoo lang de naaste betrekkingen leven,
onderwijzen en vermanen zij het kind. Zoodra het, wat er gezegd
wordt, kan begrijpen, doen de minne en de moeder en de oppasser en
de vader zelf hun best, dat het kind zoo goed mogelijk worde, en
onderrigten hem bij ieder woord of daad, en toonen hem, dat het eene
regtvaardig, het andere onregtvaardig is, en schoon of niet, en vroom
of goddeloos; en dat hij het eene doe, het andere niet. En gehoorzaamt
hij vrijwillig, dan is ’t wèl; zoo niet, dan brengen ze hem, als een
kromgegroeid rijsje, teregt door dreigen en slaan. Daarna zenden zij
hem naar school, en drukken het den meester veel meer op het hart, om
te zorgen voor de zedigheid der kinderen, dan voor hun lezen en hun
spelen op de lier. De meesters zorgen hiervoor; en wanneer zij dan
het lezen geleerd hebben, en weldra het geschrevene zullen verstaan,
gelijk vroeger den toon, dan geven zij hun op de banken de werken van
voortreffelijke dichters te lezen, en laten ze hen van buiten leeren,
welke vele teregtwijzingen bevatten, en vele verhalen van de deugden
van de mannen van ouds, die ze roemen en verheffen; opdat de knaap
naijverig hen navolge, en trachte even zoo voortreffelijk te worden. De
muzijkmeesters dragen eveneens op dergelijke wijze zorg voor zedigheid,
en dat de knapen geen kwaad doen; daarenboven, wanneer zij geleerd
hebben de lier te bespelen, leeren zij hun weder gedichten van andere
dichters, van lierdichters, die ze op muzijk brengen; en zij dwingen
maat en harmonie in de ziel der knapen, opdat zij zachter worden, en,
meer aan maat en regel gewend, geschikt voor woord en daad. Want het
geheele leven van den mensch behoeft maat en gepasten toon.--Dan zendt
men hen nog naar den meester in ligchaamsoefeningen, opdat zij met een
beter ontwikkeld ligchaam, ook eene edele denkwijze kunnen opvolgen,
en niet genoodzaakt worden lafhartig te handelen wegens gemis aan
ligchamelijke kracht en vlugheid en in oorlog en in andere bedrijven.
Dit doen de meest vermogenden, wier kinderen het vroegst en het langst
de scholen bezoeken.”
Dus: huisselijke opvoeding;--lezen en de beginselen der
muzijk, dichtstukken van buiten leeren;--eigenlijke muzijk en
lierdicht;--ligchaamsoefeningen; terwijl overal orde en zedigheid
streng werd geëischt; dit was, naar Solons instellingen, de gang der
voorbereidende vorming der jeugd. Wat wij nog meer hebben genoemd,
leerde de verder gevorderde jongeling van mannen als Protagoras en
anderen.]
[Voetnoot 44: _Lijfeigene_ ... zoo als Demaratus tot koning Xerxes
zeide: „Vrij zijn de Spartanen, maar toch niet geheel; want over hen
heerscht de wet, aan welke zij meer dan de uwen aan u gehoorzamen.”]
[Voetnoot 45: _Geweld te gebruiken_ ... Niet alleen dit was snood; maar
de zoon, die zijne ouders den verschuldigden eerbied niet betoonde,
werd van alle ambten uitgesloten.]
[Voetnoot 46: _Burger is geworden_ ... De jonge Athener, die ’t
volledig burgerregt verlangde, werd opgeteekend in de kieslijst; maar
eerst moest hij een onderzoek ondergaan over afkomst, wettige geboorte,
in één woord over ’t gene als vereischte voor het burgerregt werd
aangemerkt. (Stallbaum, Buttmann, Schleiermacher.--Maar Leo volgt eene
andere lezing, die volgens St. slechts in een hdsch. voorkomt, maar
vroeger algemeen werd gevolgd.)]
[Voetnoot 47: _Drievoudig misdoet_ ... Jegens de wetten: 1. als de
oorzaken van zijn aanwezen; 2. als zijne opvoedsters; 3. als nooit
onredelijke gebiedsters, die slechts _voorstellen_ ... Keuren en
wetsbepalingen werden, vóór de bekrachtiging, openlijk ten toon
gesteld; om ze door ieder te laten lezen en beoordeelen, of ook iemand
iets beters had voor te stellen.]
[Voetnoot 48: _Nooit -- -- uit de stad geweest_ ... Zie de Inleiding.]
[Voetnoot 49: _U tot ballingschap te veroordeelen_ ... De aanklager
gaf, althans in gevalle dit niet bij de wet was bepaald, de straf op,
die naar zijn inzigt de beklaagde door zijn misdrijf had verdiend. Was
dan de zaak geregtelijk onderzocht, dan vroeg de overheid, in gevalle
de beklaagde werd veroordeeld, den veroordeelde, welke straf hij zelf
meende verdiend te hebben. Het antwoord van Socrates vindt de lezer in
meergemelde verhandeling van Prof. P. Hofstede de Groot.]
[Voetnoot 50: _Noch uit nood_ ... De sprekend ingevoerde wetten
ontzenuwen hier alle mogelijke exceptiën, die tegen de geldigheid van
een aangegaan verdrag kunnen worden ingebragt. (Jacobs.)]
[Voetnoot 51: _Lacedaemon -- -- Creta_ ... In Plato’s werk: „Over
den Staat,” worden deze staatsregelingen door Socrates als de beste
geprezen (VIII, 544 c.), en zoo op meer plaatsen, bij Buttmann
verzameld. Xenophon, gelijk bekend is, zeer met Lacedaemon ingenomen,
prijst hare staatsinrigting, onder anderen, wegens de voorbeeldige
gehoorzaamheid der burgers, en de hooge achting jegens grijsaards.
Plato prijst als eene der voortreffelijkste verordeningen in Creta
en Sparta, dat het jonge menschen verboden was hunne wijsheid uit te
kramen over eenige wet, of ze goed was of niet. Had een bejaard man er
eenige aanmerking op te maken, dan had hij het der overheid mede te
deelen, mits niet in tegenwoordigheid van jonge lieden.]
[Voetnoot 52: _Hades woningen_ ... der dooden verblijf.]
[Voetnoot 53: _Wie de ooren suizen_ ... Er staat: „die de
Corybanten-ongesteldheid hebben.” _Corybanten_ waren priesters, die,
zoo ze dachten, vol van de godheid, dansten. _Corybanten-ziekte_, eene
ingebeelde ongesteldheid, waarbij men meende fluiten-muzijk te hooren,
en die men waande van de Corybanten te komen. De zieken werden daarbij
door geweldige onrust gejaagd, en gekweld door eene slapeloosheid, die
door muzijk genezen werd.--Schleiermacher’s opvatting van deze plaats
scheen ons de voorkeur te verdienen, boven ’t geen anderen hebben, b.
v. _Corybanten in geestdrift, de Corybantiasten_, enz.]
[Voetnoot 54: _Der goden bevel opvolgen_ ... Hoe geheel Socrates zich
aan den goddelijken wil overgaf, blijkt overvloedig uit eene reeks van
heerlijke plaatsen, door Nüsslin bijeengebragt.]